Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY7526

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
05-09-2006
Zaaknummer
2006/483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat in hoger beroep is gebleken dat [appellante], nadat de rechtbank haar verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op 2 november 2004 had afgewezen, een zeer saneringsgezinde houding heeft aangenomen, naar vermogen op haar schulden heeft afgelost, geen noemenswaardige nieuwe schulden heeft laten ontstaan en door haar inzet een vaste fulltime betaalde baan heeft verkregen en haar taak, ondanks de zorg voor haar acht jaar oude zoon, kennelijk dusdanig goed verricht, dat haar werkgever haar reeds na korte tijd per 1 augustus 2006 een hogere functie met een hoger salaris heeft aangeboden. Dat de huidige schuldenlast in vergelijking met de schuldenlast per november 2004 desondanks als gevolg van bijkomende rente en kosten is toegenomen, doet aan het vorenstaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2006

eerste civiele kamer

rekestnummer 2006/483

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. N.R. Kasteel.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 8 mei 2006 is het (hernieuwde) verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

1.2 Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 16 mei 2006 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en te bepalen dat op haar de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 29 mei 2006 en 26 juni 2006 van de procureur.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2006, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar procureur.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [appellante] een alleenstaande moeder is van een zoon van 8 jaar. [appellante] heeft eerder, in september 2004, een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, welk verzoek de rechtbank bij vonnis van 2 november 2004 heeft afgewezen, omdat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schulden aan UPC en een rijschool niet te goeder trouw was geweest. Haar schuldenlast bedroeg indertijd ruim € 15.000,-. De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt thans bijna € 19.000,- en bestaat uit schulden aan Neckermann, Wehkamp en Transfair van respectievelijk € 1.560,94, € 1.328,98 en €1.028,18, een schuld aan ABN AMRO van € 7.609,49, een tweetal schulden aan KPN tot een totaalbedrag van € 494,41, een schuld aan UPC Nederland van € 4.520,96 en nog enkele kleinere huishoudelijke schulden. Voorts is gebleken dat [appellante] sinds 6 maart 2006 fulltime werk heeft bij [...] te Utrecht, waarmee zij in april 2006 een netto inkomen van € 1.108,48 genereerde, inclusief onregelmatigheidstoeslagen en een reiskostenvergoeding. De afdeling Werk, Inkomen en Zorg (WIZ) van de gemeente [A], betaalt de vaste lasten van [appellante] en biedt haar tevens budgetbegeleiding.

3.3 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] wederom afgewezen op grond dat, kort gezegd, naar haar oordeel de tijd nog niet rijp is om [appellante] tot de schuldsaneringsregeling toe te laten, omdat haar inzet niet tot enig aantoonbaar concreet resultaat heeft geleid en niet is gebleken dat zij bijvoorbeeld substantieel op de niet te goeder trouw ontstane schulden heeft afgelost, welke schulden zelfs deels zijn toegenomen.

3.4 [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voert daartoe aan dat de schuld aan de rijschool, die de rechtbank destijds als niet te goeder trouw ontstaan kwalificeerde, inmiddels geheel is afgelost en ook niet meer voorkomt op het schuldenoverzicht. Aan UPC is in het kader van een minnelijke schuldsanering een aanbod gedaan om deze schuld af te lossen met € 35,- per maand. UPC heeft echter niet op dit aanbod gereageerd en in overleg met de budgetbegeleidster van [appellante], [X.], is besloten de aandacht te richten op de schuldeisers die wel aan een minnelijke regeling wilden meewerken, te weten Amicon, deurwaarder [Y.], de gemeente [A] en het LBIO. Op de vordering van Wehkamp is onlangs nog een extra betaling van circa € 600,- verricht door middel van een door Wehkamp gelegd beslag op het vakantiegeld van haar voormalige WWB-uitkering. Ook de geldboete waarnaar de rechtbank in het bestreden vonnis verwijst, is inmiddels betaald. Dat nog niets is afgelost op de schuld bij UPC, is dan ook niet te wijten aan een gebrek aan inzet van de kant van [appellante]. [appellante] heeft de afgelopen tijd de discipline opgebracht om, terwijl zij moest rondkomen van een inkomen op bijstandniveau, toch maandelijks € 120,- te reserveren voor haar schuldeisers. Zij heeft zelf pogingen ondernomen om betalingsregelingen te treffen met schuldeisers en heeft, toen dit niet lukte, andermaal bij gemeente [A] een minnelijke schuldsanering aangevraagd. Behalve de (inmiddels betaalde) boete van februari 2006 heeft [appellante] geen nieuwe schulden laten ontstaan, heeft zij zich ingespannen om betaald werk te krijgen, werkt zij thans fulltime, kan zij in haar eigen onderhoud voorzien en krijgt zij per 1 augustus a.s. een hogere functie met een hoger salaris bij haar huidige werkgever. Dit alles combineert zij met de zorg voor haar zoon. [appellante] is dan ook van mening dat al haar inspanningen tot concreet resultaat hebben geleid en dat zij thans kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.5 Het hof is van oordeel dat in hoger beroep is gebleken dat [appellante], nadat de rechtbank haar verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op 2 november 2004 had afgewezen, een zeer saneringsgezinde houding heeft aangenomen, naar vermogen op haar schulden heeft afgelost, geen noemenswaardige nieuwe schulden heeft laten ontstaan en door haar inzet een vaste fulltime betaalde baan heeft verkregen en haar taak, ondanks de zorg voor haar acht jaar oude zoon, kennelijk dusdanig goed verricht, dat haar werkgever haar reeds na korte tijd per 1 augustus 2006 een hogere functie met een hoger salaris heeft aangeboden. Dat de huidige schuldenlast in vergelijking met de schuldenlast per november 2004 desondanks als gevolg van bijkomende rente en kosten is toegenomen, doet aan het vorenstaande niet af.

3.6 Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 8 mei 2006 en, opnieuw rechtdoende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellante].

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-Van Hees, Van der Kwaak en Korthals Altes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2006.