Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY7291

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-07-2006
Datum publicatie
31-08-2006
Zaaknummer
04-00615
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Formeel recht

Met betrekking tot de in aftrek toegelaten overbedelingsrente is geen sprake van een ambtelijk verzuim, zodat de inspecteur bevoegd is na te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/62.3 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nr. 04/00615

U i t s p r a a k

op het beroep van X, wonende te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag is gedagtekend 12 november 2002 en berekend naar een belastbaar inkomen van f 125.579, met inachtneming van een belastingvrije som van f 7.102. Aan heffingsrente is f 3.013 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belang-hebben-de heeft de In-spec-teur bij uitspraak van 5 maart 2004 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met twee bijlagen is ter griffie ontvangen 8 april 2004. Het beroepschrift is aangevuld op 24 mei 2004, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 25 november 2005 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspec-teur.

Met instemming van partijen zijn de zaken met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en 1998 en de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 en 2000 tegelijk behandeld.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden, worden, met één tegen de overlegging waarvan de Inspecteur geen bezwaar heeft gemaakt, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de weder-partij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van X BV.

3.2. Belanghebbende is in 1997 gescheiden van mevrouw Y met wie hij te Q gezamenlijk een woning bewoonde. Uit het huwelijk is één dochter geboren. Ter zake van de scheiding is door partijen in september 1997 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) gesloten. Daarbij zijn ten behoeven van de vrouw en de dochter alimentatieverplichtingen overeengekomen. Voorts is in het convenant vastgesteld dat de echtelijke woning in eigendom toebehoort aan de vrouw en dat belanghebbende de op de woning afgesloten hypothecaire lening, per saldo groot f 250.000, voor zijn rekening neemt. Ter financiering van het bedrag van f 250.000 heeft belanghebbende tot hetzelfde bedrag een lening gesloten bij de A Bank.

3.3. In zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met en 2000 heeft belanghebbende de rente over de lening van de bank telkens als persoonlijke verplichting in aftrek gebracht. In de toelichting bij de aangifte vermogensbelasting staat bij de lening van de A Bank vermeld: ‘ívm overbedeling’.

Tot het jaar 1997 had belanghebbende hetzelfde bedrag aan rente over de toen nog hypothecaire lening op de echtelijke woning steeds als eigen woningrente op zijn inkomen in mindering gebracht.

In 1997 heeft belanghebbende de woning a-straat 1 te Z gekocht. Deze woning is op 1 augustus 1998 aan hem geleverd.

3.4. In het voorjaar van 2002 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de ‘aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000 en vennootschapsbelasting voor wat betreft de kosten en de rekening-courantstand over de jaren 1997 tot en met 2000.’

Bij dit onderzoek heeft de controlerende ambtenaar zich op het standpunt gesteld dat blijkens het convenant geen sprake was van overbedeling van belanghebbende en derhalve ook niet van overbedelingsrente.

In verband met de geldende aftrekbeperking van persoonlijke verplichtingen rente heeft de ambtenaar de volgende correcties vastgesteld:

1997 1998 1999 2000

f f f f

in aftrek gebracht 29.427 26.397 20.297 21.557

maximale aftrek 20.000 15.000 10.404 10.582

correctie 9.427 11.397 9.893 10.975

3.5. De Inspecteur heeft de onderhavige navorderingsaanslag als volgt berekend:

belastbaar inkomen aanslag f 94.552

bij: privé-gebruik auto f 21.600

beperking renteaftrek - 9.427

- 31.027

belastbaar inkomen navorderingsaanslag f 125.579.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt enkel verdeeld of sprake is van een nieuw feit dat navordering van belasting over het bedrag van f 9.427 aan als overbedelingsrente in aftrek gebrachte rente rechtvaardigt.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd hetgeen is opgenomen in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.:

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende zijn grief inzake het niet horen van belanghebbende in de fase van bezwaar laten vallen en uitdrukkelijk verklaard geen prijs te stellen op terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur. Ook heeft de gemachtigde zijn grief inzake de berekening van heffingsrente laten vallen.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij niet langer stelt dat belanghebbende met betrekking tot het in aftrek brengen van de rente als overbedelingsrente te kwader trouw is.

4.3. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof begrijpt, vermindering van de navorderingsaanslag naar een belastbaar inkomen van f 116.152.

4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In artikel 16, lid 1, AWR is – voorzover hier van belang - bepaald dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, dat de Inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn kan geen grond voor navordering opleveren.

5.2. Hierbij heeft voorts te gelden dat de Inspecteur met vertrouwen mag afgaan op een goed verzorgde aangifte. Dit leidt uitzondering in het geval de aangifte opgaven of elementen bevat ten aanzien waarvan een zorgvuldige uitoefening van de controlerende taak van de Inspecteur meebrengt dat deze die opgaven of elementen aan een nader onderzoek onderwerpt.

5.3. Gesteld noch gebleken is dat de door belanghebbende over het onderhavige jaar door een administratiekantoor voorzien van een beconnummer gedane aangifte niet is aan te merken als een goed verzorgde aangifte.

In deze op 23 maart 1999 ondertekende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997 en vermogensbelasting 1998 is vermeld dat belanghebbende in 1997 slechts gedurende een deel van het jaar was gehuwd. De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bevat geen opgave van inkomsten uit een eigen woning. In de aangifte zijn voorts vermeld een bedrag van f 29.427 aan betaalde rente van schulden en kosten van geldleningen, een bedrag van f 70.595 aan betaalde alimentatie aan de vroegere echtgenoot en een bedrag van f 2.700 aan uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar. De aangifte vermogensbelasting 1998 vermeldt een bedrag aan schulden in verband met overige onroerende zaken van f 250.000. In de bijlage is met betrekking tot dit laatste bedrag vermeld: inzake overbedeling. Voorts zijn in de aangifte aan bezittingen nog vermeld f 54.000 aan voertuigen, vaartuigen, vliegtuigen, een aanmerkelijk belang ter waarde van f 2.651.760, bank-, giro- of spaartegoeden ter grootte van f 28.078 en f 116.012 aan ingegane en niet-ingegane lijfrenten.

5.4. De onder 5.3 weergegeven opgaven in de aangiften inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998 zijn in het geval van een echtscheiding niet onbegrijpelijk of onlogisch. Anders dan de gemachtigde in diens pleitnota betoogt, vermag het Hof niet in te zien dat de in de aangiften gedane opgaven op voorhand een overbedeling van belanghebbende uitermate onwaarschijnlijk deden zijn en voor de Inspecteur aanleiding hadden moeten zijn een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of van een overbedeling van belanghebbende bij de echtscheiding wel sprake was.

5.5. Het Hof is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan de navordering in de weg staat.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 31 juli 2006 door mr Röben, voorzitter, mr N.E. Haas en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs Woeltjes, als griffier.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

J.B.H. Röben

Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend per post verzonden op 2 augustus 2006.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.