Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY6843

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
23-08-2006
Zaaknummer
04-00428
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BD3569, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BD3569
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondwaterheffing

Nu belanghebbende onbevoegdelijk door de door haar ingeschakelde aannemer is ingeschreven in het register als bedoeld in de Grondwaterwet, kan zij niet als houder van de inrichting worden aangemerkt, zodat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/249 met annotatie van J.G.E. Gieskes
V-N 2006/63.1.7
FutD 2006-1568
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 04/00428

U i t s p r a a k

op het beroep van X MEUBELEN B.V. te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur der provinciale belastingen van Gelderland (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de voor het jaar 2001 opgelegde aanslag in de grondwaterheffing van de provincie Gelderland.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag nr. 001 is vastgesteld op € 19 729,16, berekend naar een onttrokken hoeveelheid van 750 158 kubieke meter grondwater à € 0,0263 (ƒ 0,058).

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de verweerder bij uitspraak van 20 januari 2004, verzonden op 27 januari 2004, de aanslag verminderd tot € 16 868,18, berekend naar een hoeveelheid van 641 376 m³.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is per telefax ter griffie ontvangen op 8 maart 2004 en aangevuld op 26 april 2004.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen alsmede de nadere stukken die op 12 januari 2006 en op 22 mei 2006 van de gemachtigde van belanghebbende en op 23 mei 2006 van de gemachtigde van de verweerder zijn ontvangen.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 31 mei 2006 te Arnhem zijn gehoord belanghebbende bij monde van haar directeur X en haar gemachtigde, alsmede namens de verweerder diens gemachtigde.

2.4. Van het onderzoek ter zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. De notities van het pleidooi dat de gemachtigden van belanghebbende en van de verweerder ter zitting hebben gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende exploiteert een onderneming onder de handelsnaam X Keukens Z aan het adres a-straat 1 in Z. Haar

enig aandeelhouder is X Beheer B.V., die zetelt op hetzelfde adres.

3.2. Belanghebbende heeft aan architectenbureau A B.V. (hierna: de architect) opdracht gegeven een nieuw bedrijfspand te bouwen ten behoeve van haar onderneming. Namens belanghebbende heeft de architect bij brief van 19 juli 2000 opdracht gegeven aan aannemingsbedrijf Prins Bouw B.V. (hierna: de aannemer) voor de bouw van dit bedrijfspand op het voormelde adres. Deze opdracht is door belanghebbende ondertekend op 21 juli 2000.

3.3. In paragraaf 05.62.20a van het bestek is bepaald dat de aannemer de aanvraag van de vergunningen voor de tijdelijke bronbemaling (het pompen en het lozen van grondwater) verzorgt.

3.4. Om de opdracht te kunnen uitvoeren heeft de aannemer ter plaatse bronbemaling doen installeren door B bv te Q, welk bedrijf de aannemer heeft ingelicht over de daartoe benodigde vergunningen en meldingen. Uit een gemaakte berekening volgde dat zou kunnen worden volstaan met een melding. Met twee pompen die samen per uur gemiddeld 55 m³ onttrekken zou vijf weken lang in totaal (5×7×24×55=) 46 200 m³ worden bemalen.

3.5. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bleek dat twee pompen niet toereikend waren. Om de bouwput droog te houden hebben vier pompen gedurende vier weken gedraaid, waarna deze zijn verwijderd. Enkele weken vóór de oplevering bleek de druk van het grondwater zo hoog te zijn, dat de aangebrachte keldervloer daartegen niet bestand was. Om de vloer te kunnen redden en de schade daaraan zoveel mogelijk te beperken heeft de aannemer direct besloten de verwijderde pompen wederom te installeren.

3.6. De aannemer heeft geen vergunning voor de bronbemaling aangevraagd. Na hierop door de provincie te zijn gewezen, heeft hij bij brieven van 19 oktober 2001 en van 13 november 2001 met bijlagen, alsnog aan de provincie gemeld dat er gedurende ongeveer 90 dagen is bemalen. Daarbij heeft de aannemer belanghebbende als houder van de inrichting opgegeven.

3.7. In het register als bedoeld in artikel 13 van de Grondwaterwet is ‘X WONEN’ in 2001 opgenomen als houder van een inrichting waarmee volgens voorlopige onttrekkingscijfers in het eerste kwartaal 290 820 m³, in het tweede kwartaal 43 701 m³, in het derde kwartaal 347 412 m³ en in het vierde kwartaal 68 225 m³ is onttrokken. Hiervan is op 6 februari 2002 schriftelijk door gedeputeerde staten kennisgegeven aan ‘X Wonen’ (bijlage 3 van het verweerschrift).

3.8. De aanslag is gesteld op naam van ‘X WONEN’, a-straat 1, 0001 CD Z. Op het bezwaarschrift daartegen zijn, blijkens het verslag van de daartoe gehouden zitting van kamer 3 van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van de provincie Gelderland van 26 augustus 2003, ‘namens bezwaarde(n)’ de gemachtigde en X gehoord.

3.9. Het bezwaarschrift en de beide aanvullingen daarop zijn ingediend op briefpapier van ‘Xwonen’ en ondertekend door X.

3.10. De uitspraak op het bezwaarschrift is blijkens productie 1 van het inleidende beroepschrift op 27 januari 2004 bekendgemaakt door toezending aan ‘X Wonen T.a.v. de heer X’ op het onder 3.8 genoemde adres, evenals de verbeterde en aangevulde versie van die uitspraak op 16 februari 2004 (bijlage 8 van het verweerschrift).

3.11. Het beroepschrift is door de voormelde gemachtigde ingediend ‘[n]amens de heer X in privé, als mede ook namens de besloten vennootschap X Beheer B.V. te Z, hierna te noemen: belanghebbenden’.

3.12. Volgens een berekening door de provincie die als bijlage van de pleitnotities van de gemachtigde voor de onder 3.8 genoemde hoorzitting (onderdeel van productie 5 van het aanvullende beroepschrift en van bijlage 8 van het verweerschrift) en als ‘PRODUCTIE 5’ bij productie 6 van de voormelde nadere stukken is overgelegd, is in het jaar 2001 op het voormelde adres 750 158 m³ grondwater onttrokken. Uitgaande van een capaciteit per pomp van 39,3 m³/h, heeft de verweerder die hoeveelheid na bezwaar teruggebracht tot 641 378 m³.

3.13. Aan belanghebbende is door de inspecteur van de Belastingdienst tevens een naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting opgelegd met een verzuimboete van € 4 537. De hoeveelheid onttrokken grondwater waarnaar die naheffingsaanslag was berekend, is met 29% verminderd

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld,

4.1.1. of belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt en, zo ja,

4.1.2. of de hoeveelheid onttrokken grondwater juist is bepaald.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd wat is vermeld in het onder 2.4 vermelde proces-verbaal.

4.4. Belanghebbende verzoekt in beroep de uitspraak van de verweerder en de aanslag te vernietigen en de provincie te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.5. De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij verzoekt belanghebbende te veroordelen in zijn, verweerders, proceskosten.

5. Beoordeling vooreerst van de ontvankelijkheid van het beroep en het bezwaar

Gelet op wat hiervoor onder 3.8 tot en met 3.11 is vastgesteld, ziet het Hof zich allereerst gesteld voor de vraag of het bezwaar en het beroep bevoegdelijk zijn ingesteld. Bij pleidooi heeft de gemachtigde aangevoerd dat ‘X Wonen’ één van de handelsnamen is waarvan belanghebbende zich bedient. Dit is door de verweerder niet weersproken. In diens stellingen ligt voorts besloten dat, zoals ook hierna onder 6.3 wordt overwogen, de tenaamstelling van de aanslag is te herleiden tot de aanmelding van ‘ X/X meubelen Z’ in rubriek 1 van het daartoe gebezigde ‘Aanmeldingsformulier registratieplichtige inrichtingen’ dat als derde bijlage 2 van het verweerschrift is overgelegd. Van de juistheid daarvan kan voor dit geding worden uitgegaan. Dat brengt enerzijds mee dat de aanslag geacht kan worden te zijn opgelegd en bekendgemaakt aan belanghebbende en anderzijds dat het bezwaar geacht kan worden te zijn ingesteld namens belanghebbende, zodat zij daarin ontvankelijk is. Dit geldt insgelijks voor de uitspraak op het bezwaar en het beroep tegen die uitspraak.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt, is beslissend of zij kan worden beschouwd als de houder van de inrichting waarmee in 2001 grondwater is onttrokken ten behoeve van de uitvoering van het bouwwerk waartoe zij de opdracht heeft gegeven.

6.2. Artikel 15.34, lid 2, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) bepaalt dat de heffing wordt geheven van houders van inrichtingen, bestemd tot het onttrekken van grondwater, daaronder niet begrepen inrichtingen welke uitsluitend dienen tot het regelen van de vrije grondwaterspiegel of van de stijghoogte van het grondwater. Volgens artikel 3 van de Grondwaterheffingsverordening Gelderland (Provinciaal Blad 16 december 1997, nr. 62; hierna: de heffingsverordening) is heffingsplichtig de houder van een inrichting welke gedurende het heffingsjaar of een gedeelte daarvan ingeschreven is geweest in het register bedoeld in artikel 13 van de Grondwaterwet (hierna: Gww). Dit artikel behoort tot afdeling 4 van hoofdstuk I van de Gww. Artikel 11 hiervan bepaalt – voor zover hier van belang – dat hij die grondwater onttrekt verplicht is de inrichting op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting is gelegen. Daarbij moet het begrip ‘inrichting’ worden opgevat in de betekenis die het heeft volgens artikel 1 Gww, waar-naar ook artikel 3, lid 1, onderdeel c, van de Wet belastingen op milieugrondslag verwijst. Hoewel dat begrip eerst later in artikel 1.1, lid 1, Wm is omschreven als ‘elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht’, is hiermee een algemeen geldende omschrijving beoogd van hetzelfde, aan de toenmalige Hinderwet ontleende, begrip dat voorkomt in verschillende milieuwetten die sinds het einde van de jaren zestig tot stand zijn gebracht. Hoewel het begrip in elk van die wetten een eigen, op het toepassingbereik daarvan toegesneden betekenis heeft, zijn aan die verschillende betekenissen niettemin bepaalde kenmerken gemeenschappelijk die aan de zo-even bedoelde omschrijving in de Wm ten grondslag hebben gelegen en daarin gecodificeerd kunnen worden geacht.

6.3. In de stellingen van belanghebbende ligt besloten dat inschrijving van haar als houdster van de inrichting zonder haar medeweten of goedvinden is geschied en dat haar rechtsverhouding tot de aannemer geen volmacht of lastgeving tot die inschrijving inhield. Die inschrijving berust op een opgaaf overeenkomstig de stukken die als bijlage 2 van het verweerschrift zijn overgelegd, gedaan door de aannemer, die in het onder 5 genoemde formulier heeft opgegeven dat ‘ X/X meubelen Z’ de houder van de inrichting is en ‘voor X/X meubelen Z’ dat formulier heeft ondertekend. In de aangevallen uitspraak stelt de verweerder dat de aannemer namens belanghebbende gegevens heeft aangemeld ter registratie van de inrichting, dat hieruit blijkt dat de aannemer niet uit eigen hoofde grondwater heeft onttrokken, en dat de aannemer hiertoe opdracht ontving van de architect, die op zijn beurt evenmin uit eigen hoofde handelde doch in opdracht van belanghebbende. De verweerder maakt echter tegenover de gemotiveerde ontkenning door belanghebbende niet aannemelijk dat zij de aannemer een volmacht had verleend tot het verrichten van de publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 11 Gww, of dat de aannemer uit anderen hoofde dan volmacht bevoegd was belanghebbende als houdster te doen registreren (artikelen 3:78 en 3:79 van het Burgerlijk Wetboek; hierna: BW).

6.4. Belanghebbende kan niet als gevolg van de inschrijving door een daartoe onbevoegde aannemer geacht worden de houdster te zijn van de inrichting waarmee grondwater werd onttrokken ten behoeve van de uitvoering van de bouw van haar nieuwe bedrijfsgebouw te Z, evenmin als van andere gereedschappen, inrichtingen en installaties waarvan de aannemer zich heeft bediend om de bouw te kunnen uitvoeren. Dat de verweerder op grond van een gedraging of verklaring van belanghebbende heeft aangenomen of mogen aannemen dat aan de aannemer toereikende volmacht was verleend, is niet gesteld of gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat belanghebbende de onbevoegd gedane inschrijving heeft bekrachtigd. Gelet op de aangehaalde omschrijving in de Wm, valt belanghebbende niet aan te merken als degene die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, de bronbemaling in de bouwput voor haar nieuwe bedrijfspand heeft verricht. Voorts is onvoldoende gesteld of gebleken dat de gevolgtrekking zou wettigen dat zij in de zin van titel 5 van Boek 3 BW de houdster was van de pompen en verdere benodigdheden die tezamen de inrichting vormen waarmee de bronbemaling is verricht.

6.5. De omstandigheid dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de onder 3.7 bedoelde kennisgeving van 6 februari 2002, kan haar in deze procedure niet worden tegengeworpen. De kennisgeving is gedaan door gedeputeerde staten. Aan dit orgaan zijn sinds de aanpassing van de Provinciewet aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht geen heffingsbevoegdheden opgedragen. Voorts vermeldt de kennisgeving noch dat zij een publiekrechtelijke rechtshandeling behelst noch dat daartegen bezwaar openstaat.

6.6. Het vorenstaande brengt mee, dat belanghebbende ten onrechte als heffingsplichtige is aangemerkt. Vraag 4.1.1 wordt derhalve ontkennend beantwoord. Vraag 4.1.2 behoeft daarom geen beantwoording.

7. Slotsom

Het beroep is gegrond.

8. Proceskosten

Voor een veroordeling van belanghebbende in de proceskosten van de verweerder vindt het Hof geen termen aanwezig. De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2x € 322,– x 2 = € 1 288 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en op de reis- en verblijfkosten van haar verschenen directeur, begroot op € 27.

9. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de verweerder alsmede de daarbij verminderde aanslag;

– gelast de provincie Gelderland aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van € 273,– te vergoeden;

– veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1 315, te vergoeden door de provincie Gelderland.

Aldus gedaan te Arnhem op 12 juli 2006 door mr. Monsma, voorzitter, mr. Den Ouden en mr. Wefers Bettink. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en gedeputeerde staten binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20 303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.