Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY6435

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
17-08-2006
Zaaknummer
PIJ 2006\076
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks dat het openbaar ministerie te laat was met het indienen van de verlengingsvordering, (één dag voor de feitelijke einddatum van de maatregel) is het OM toch ontvankelijk op grond van artikel 509oa lid 1 Wetboek van Strafvordering, (in artikel 77 t lid 1 Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing verklaard), nu er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verlenging van de maatregel is gewenst. Enerzijds is de termijnoverschrijding beperkt gebleven en anderzijds nopen de ernst en de aard van de door betrokkene gepleegde feiten en het dringende advies van de inrichting tot verlenging van de maatregel. Er is een recidiverisico en de behandeling dient erop gericht te zijn om betrokkene gefaseerd terug te bereiden op een terugkeer in de samenleving en het hof is van oordeel dat het traject niet verstoord dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

PIJ 2006\076

Beslissing d.d. 3 juli 2006

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikking gestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 januari 2006, houdende verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

- Het hof zal de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 januari 2006 te vernietigen, daar het mede recht doet op grond van nieuwe stukken.

- Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de verlengingsvordering. Een verlengingsvordering dient ingevolge artikel 77t lid1 Wetboek van Strafrecht niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, ingediend te worden. Door een verkeerde berekening van het openbaar ministerie is de verlengingsvordering in het onderhavige geval echter pas op 26 oktober 2005 ingediend, één dag voor de feitelijke einddatum van de maatregel. Op grond van artikel 509oa lid 1 Wetboek van Strafvordering -in artikel 77t lid 1 Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing verklaard- is een vordering tot verlenging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, die later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen door tijdsverloop zal eindigen, niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van betrokkene, verlenging van de maatregel eist. Het hof is van oordeel dat er sprake is van dergelijke omstandigheden. Enerzijds is de termijnoverschrijding beperkt gebleven, immers de verlengingsvordering is nog vóór de afloopdatum van de maatregel ingediend. Anderzijds nopen de ernst en de aard van de door betrokkene gepleegde feiten, namelijk misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen (openlijke geweldpleging tegen personen, diefstal met geweld, meermalen gepleegd, en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) alsmede het dringende advies van Den Engh tot voorzetting van de behandeling, tot een verlenging van de maatregel.

- Uit het verlengingsadvies van Den Engh volgt dat betrokkene een jongen is met een cognitieve achterstand, een onvoldoende innerlijke structuur, een gebrekkige impulscontrole, een zelfdefensieve instelling en een gebrekkige gewetensontwikkeling. Mogelijkheden tot zelfreflectie en verbaliseren van gevoelens zijn gering. Ook beschikt hij over onvoldoende sociale vaardigheden. Naast kenmerken van een aandachtstekortstoornis (ADHD), zijn er kenmerken te onderscheiden die wijzen op een antisociale gedragsstoornis in wording. Betrokkene is, om verder afglijden te voorkomen, vooralsnog sterk afhankelijk van steun en structuur uit zijn omgeving. Het verloop van de behandeling tot nu toe, met aan het eind van het traject recidive in combinatie met de afhankelijkheid van structuur en externe sturing, rechtvaardigt een verlenging van de maatregel van één jaar. Hoewel betrokkene duidelijk vorderingen heeft geboekt als het gaat om het zich voegen naar de eisen die aan hem worden gesteld, blijft hij sterk afhankelijk van de hem geboden structuur. Hij is nog onvoldoende in staat om zelfstandig op koers te blijven. Al weet hij nu te profiteren van de hem aangeboden ondersteuning, er blijft, rekening houdend met het ontbreken van inzicht in meer complexe situaties, zijn grote mate van impulsiviteit en zijn beïnvloedbaarheid, een recidiverisico bestaan. De verwachting is dat is dat betrokkene nog geruime tijd op hulp en begeleiding aangewezen zal zijn. Behandeling dient erop gericht te zijn hem gefaseerd voor te bereiden op terugkeer in de samenleving. Het hof van oordeel dat het traject niet verstoord dient te worden. Gelet op de advisering is het hof derhalve van oordeel dat enerzijds de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat en anderzijds de verlenging in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige moet worden geacht.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 januari 2006 met betrekking tot de betrokkene.

Verlengt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van één jaar.

Aldus gedaan door

mr Verheugt als voorzitter,

mrs Lensing en Dik als raadsheren,

en dr Van Kordelaar en dr Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr Bosma als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2006.

Mr Dik en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen