Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY6104

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
11-08-2006
Zaaknummer
2004/799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is met [appellante] van oordeel, dat een werknemer er in het algemeen niet tot in lengte van jaren op mag vertrouwen dat hij ieder jaar een salarisverhoging krijgt toegekend. Vast staat dat [geïntimeerde] in de periode van 4 november 1990 tot en met 31 december 1996 steeds salarisverhogingen heeft gekregen. Een verklaring hiervoor is enerzijds gelegen in het feit dat [appellante] in die periode lid was van TLN, op grond waarvan zij gehouden was de in die periode geldende CAO’s (inclusief salarisverhogingen) na te leven. Anderzijds heeft [appellante] tijdens de comparitie van partijen ook verklaard dat de toekenning van een salarisverhoging in die periode een automatisme was. Zonder nadere toelichting door [appellante], die ontbreekt, behoefde [geïntimeerde] er dan ook in de periode vanaf 1 januari 1997 niet op bedacht te zijn dat hij na dat tijdstip niet meer zijn tot dan toe automatische salarisverhogingen kreeg. Het hof acht hierbij van belang dat [appellante] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat zij niet naar [geïntimeerde] heeft “gecommuniceerd” dat hij -in feite van de ene dag op de andere- geen salarisverhogingen meer kreeg. Gesteld noch gebleken is voorts dat [appellante] in die periode ook aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat de CAO 1996 vanaf 1 januari 1997 zou blijven gelden en dat zij de “nieuwe” CAO 1997/1998 niet zou toepassen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] redelijkerwijze mocht verwachten dat hij zijn automatische salarisverhogingen ook na 31 december 1996 zou behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juli 2006 vijfde civiele kamer

rolnummer 2004/799

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

procureur: mr T.J. van Veen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr P.A.C. de Vries,

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 22 november 2005 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge genoemd tussenarrest heeft op 26 januari 2006 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

1.3 Vervolgens hebben beide partijen de stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De vaststaande feiten

2.1 [geïntimeerde] heeft voorafgaande aan de comparitie van partijen de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen 1 januari 1996-31 december 1996 (hierna: de CAO 1996) en de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen 1 januari 1997- 31 december 1998 (hierna: de CAO 1997/1998) overgelegd.

2.2 In artikel 18 van de CAO’s 1996 en 1997/1998 is -voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

“Toekenning tredeverhogingen

(...)

2.a. De werknemer zal bij normale uitvoering van zijn werkzaamheden na verloop van elk vol functiejaar, een salarisverhoging worden toegekend, die gelijk is aan één loontrede van de functieloonschaal waarin hij is ingedeeld, tot hij het maximum van die loonschaal heeft bereikt:

b. Indien de werkgever aan kan tonen dat er sprake is van onvoldoende uitvoering van de werkzaamheden en op grond daarvan geen tredeverhoging wenst toe te kennen, doet hij hiervan schriftelijk mededeling aan het betreffende personeelslid, onder opgave van redenen en uiterlijk 1 maand voor het tijdstip waarop de tredeverhoging zou ingaan.

(...)

3.b. Bij aanstelling van een werknemer die de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, kan worden bepaald dat voor de vaststelling en de verhoging van het functieloon wordt afgeweken van zijn leeftijd, dan wel dat hij wordt aangemerkt als volwassen werknemer.

4. Indien de werkgever toepassing heeft gegeven aan het gestelde in de leden 1 en 3a en 3b, blijft lid 2 onverminderd van toepassing.(...)”

Gelijkluidende bepalingen zijn opgenomen in artikel 19 lid 2a en onder b, in artikel 19 lid 3b en in artikel 19 lid 4 van de CAO, die in de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1990 (hierna: de CAO 1990) heeft gegolden.

2.3 In artikel 19 van de CAO’s 1996 en 1997/1998 is -voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

“Inschaling van functies

(…)

B. Korrektie van verkeerde inschaling

Een verkeerde inschaling zal worden hersteld door herinschaling in de juiste functieloonschaal.

a. Indien de herinschaling een indeling in een hogere functieschaal tot gevolg heeft zal deze ingaan op het tijdstip van schriftelijke melding door de werknemer. (…)”

2.4 In artikel 22 van de CAO’s 1996 en 1997/1998 is -voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

“(...)

3a. Indien de werknemer de leeftijd van 22 jaar bereikt, wordt hij ingeschaald op trede 0 van de geldende functieloonschaal.”(...)

2.5 [appellante] is in de periode van 4 november 1990 tot en met 31 december 1996 lid geweest van de werkgeversvereniging Transport en Logistiek Nederland (hierna: TLN) die in die periode met een of meer werknemersverenigingen een of meer Collectieve Arbeidsovereenkomsten voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO(‘s)) is aangegaan. [appellante] heeft in september 1996 schriftelijk haar lidmaatschap van TLN opgezegd per 1 januari 1997.

2.6 De CAO 1997/1998 is algemeen verbindend verklaard voor de periode van 10 mei 1998 tot en met 31 december 1998.

2.7 [appellante] heeft in de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 de CAO 1996 binnen haar bedrijf toegepast.

3 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1 Het hof volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenarrest van 22 november 2005.

Vordering van [geïntimeerde] wegens het niet toekennen door [appellante] van een salarisverhoging van 2,5% per periode 4-1997 en van 3% per periode 1-1998.

3.2 Het hof stelt voorop dat de in artikel 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst gebezigde bewoordingen “de van kracht zijnde Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer” geen tijdsbepaling bevat, zodat onduidelijk is naar welk tijdstip de terminologie “de van kracht zijnde CAO” verwijst. De in artikel 4 gebezigde bewoordingen kunnen dus zowel duiden op de door [geïntimeerde] als op de door [appellante] bepleite uitleg van dit artikel. Dit betekent dat de omstandigheid, dat in artikel 4 niet uitdrukkelijk is opgenomen dat toekomstige CAO’s op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn, niet uitsluit dat een “nieuw” afgesloten CAO, waaraan de werkgever niet krachtens lidmaatschap van een werkgeversvereniging is gebonden en die (nog) niet algemeen verbindend is verklaard, wel op de arbeidsverhouding van toepassing zou kunnen zijn. Het feit dat in artikel 4 wordt verwezen naar “de CAO” betekent evenmin dat deze verwijzing slaat op één specifieke voor bepaalde tijd afgesloten CAO, nu daarmee tevens kan zijn bedoeld een CAO in haar opvolgende versies.

3.3 [appellante] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] geen invloed heeft gehad op (de formulering van) de door haar met [geïntimeerde] gesloten arbeidsovereenkomst. Zij heeft evenmin bestreden dat de verwijzing in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst naar “de van kracht zijnde CAO” op haar initiatief in de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten arbeidsovereenkomst is opgenomen. [appellante] heeft aangevoerd dat deze verwijzing is ontleend aan de modelarbeidsovereenkomst die als bijlage bij de CAO’s is gevoegd. Het zijn de bij de totstandkoming van de CAO’s betrokken partijen -de werkgevers- en de werknemersverenigingen- geweest, die verantwoordelijk zijn geweest voor de tekst van deze modelovereenkomst. Het hof begrijpt uit deze stellingen dat [appellante] van mening is dat zij hierdoor slechts zijdelings, als lid van haar werkgeversvereniging (TLN), (mede) verantwoordelijk kan worden geacht voor de inhoud van deze modelovereenkomst. Dit laat echter naar het oordeel van het hof onverlet de verantwoordelijkheid van [appellante] om als individuele werkgever een in duidelijke bewoordingen opgestelde arbeidsovereenkomst te sluiten met haar aspirant-werknemer(s), zoals in dit geval [geïntimeerde]. [appellante] was op grond van de CAO slechts verplicht bepaalde punten in de individuele arbeidsovereenkomst op te nemen. De CAO verplichtte [appellante] niet om de tekst van de modelovereenkomst letterlijk over te nemen. Het hof acht in dit verband voorts van belang dat [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld dat hij lid is van het FNV, maar geen kaderlid. Gelet hierop mag bij hem dan ook geen bijzondere (arbeidsrechtelijke) kennis worden verwacht. Dit betekent dat de eventuele nadelige gevolgen van onduidelijkheden in de arbeidsovereenkomst voor rekening en risico van [appellante] komen. [appellante] heeft geen (andere) feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel van het hof zouden kunnen leiden.

3.4 Met betrekking tot dit onderdeel van de vordering zijn voorts de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- in de periode van 4 november 1990 tot en met 31 december 1996 was [appellante] uit hoofde van haar lidmaatschap van TLN gebonden aan de in die periode gesloten CAO’s, laatstelijk aan de CAO 1996;

- in de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 was [appellante] geen lid van een werkgeversvereniging die de CAO 1997/1998 heeft gesloten:

- in de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 was de CAO 1997/1998 niet algemeen verbindend verklaard;

- in de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 heeft [appellante] de CAO 1996 binnen haar bedrijf toegepast;

- in de periode van 10 mei 1998 tot en met 31 december 1998 was [appellante] krachtens algemeen verbindend verklaring gebonden aan de CAO 1997/1998.

3.5 Het hof is met [appellante] van oordeel, dat een werknemer er in het algemeen niet tot in lengte van jaren op mag vertrouwen dat hij ieder jaar een salarisverhoging krijgt toegekend. Vast staat dat [geïntimeerde] in de periode van 4 november 1990 tot en met 31 december 1996 steeds salarisverhogingen heeft gekregen. Een verklaring hiervoor is enerzijds gelegen in het feit dat [appellante] in die periode lid was van TLN, op grond waarvan zij gehouden was de in die periode geldende CAO’s (inclusief salarisverhogingen) na te leven. Anderzijds heeft [appellante] tijdens de comparitie van partijen ook verklaard dat de toekenning van een salarisverhoging in die periode een automatisme was. Zonder nadere toelichting door [appellante], die ontbreekt, behoefde [geïntimeerde] er dan ook in de periode vanaf 1 januari 1997 niet op bedacht te zijn dat hij na dat tijdstip niet meer zijn tot dan toe automatische salarisverhogingen kreeg. Het hof acht hierbij van belang dat [appellante] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat zij niet naar [geïntimeerde] heeft “gecommuniceerd” dat hij -in feite van de ene dag op de andere- geen salarisverhogingen meer kreeg. Gesteld noch gebleken is voorts dat [appellante] in die periode ook aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat de CAO 1996 vanaf 1 januari 1997 zou blijven gelden en dat zij de “nieuwe” CAO 1997/1998 niet zou toepassen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] redelijkerwijze mocht verwachten dat hij zijn automatische salarisverhogingen ook na 31 december 1996 zou behouden.

3.6 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen heeft de kantonrechter terecht de door [geïntimeerde] gevorderde salarisverhoging van 2,5% per periode 4-1997 en van 3% per periode 1-1998 toegewezen tot een bedrag van in totaal

€ 1.262,35 bruto. Grief III slaagt niet.

Vordering van [geïntimeerde] wegens het niet toekennen door [appellante] van een tredeverhoging per 1 januari 1997.

3.7 Op grond van artikel 18 lid 2a van de CAO’s 1996 en 1997/1998 heeft een werknemer, bij een normale uitvoering van zijn werkzaamheden, na verloop van elk vol functiejaar, recht op een salarisverhoging, die gelijk is aan één loontrede van de functieloonschaal waarin hij is ingedeeld, tot hij het maximum van die loonschaal heeft bereikt.

3.8 Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] [geïntimeerde] in functieloonschaal E heeft ingedeeld. Gesteld noch gebleken is dat deze indeling niet juist zou zijn. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, gaat het in dit geval om het niet toekennen van de salarisverhoging, die gelijk is aan één loontrede van de functieloonschaal, zoals vermeld in artikel 18 lid 2a van de CAO’s 1996 en 1997/1998. Het geschil betreft niet de inschaling in een functieloonschaal, waaronder begrepen de toepassing van een onjuiste trede. De in de arresten van de Hoge Raad van 20 september 2002, JAR 2002, 249 en van 8 april 2005, JAR 2005, 116 genoemde leer, waarop [appellante] een beroep heeft gedaan, en artikel 19 B onder a van de CAO’s 1996 en 1997/1998 zijn in dit geval derhalve niet van toepassing. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van [appellante] dat [geïntimeerde] niet tijdig de in artikel 19 B onder a van de CAO’s 1996 en 1997/1998 vermelde schriftelijke mededeling heeft gedaan van de zijns inziens onjuiste tredetoepassing. Een dergelijke termijn is niet in artikel 18 van de CAO’s 1996 en 1997/1998 opgenomen. Grief I slaagt niet.

3.9 Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] zijn werkzaamheden onvoldoende heeft uitgevoerd en evenmin dat [appellante] hiervan mededeling aan [geïntimeerde] heeft gedaan binnen de in artikel 18 lid 2 onder b van de CAO’s 1996 en 1997/1998 vermelde termijn.

3.10 Op grond van artikel 19 lid 3b van de CAO 1990 kan bij aanstelling van een werknemer die de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, onder andere worden bepaald dat voor de vaststelling van het functieloon wordt afgeweken van zijn leeftijd. Vast staat dat [geïntimeerde], die is geboren op 5 december 1969, bij zijn indiensttreding bij [appellante] op 4 november 1990 nog geen 22 jaar was. [appellante] heeft [geïntimeerde] bij zijn aanstelling een functieloon toegekend van f. 2.402,28 bruto per 4 weken, dat overeenkomt met loonschaal E, trede 0. Daarmee heeft [appellante] toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 19 lid 3b van de CAO 1990, zoals hiervoor omschreven. Op grond van dit artikel is niet vereist dat in de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk wordt vermeld dat wordt afgeweken van de leeftijd van de betrokken werknemer. Voldoende is, dat blijkt welk functieloon aan de werknemer is toegekend.

3.11 De omstandigheid dat [appellante] niet verplicht was om [geïntimeerde] direct bij zijn aanstelling in te delen in functieloonschaal E, trede 0, betekent niet, dat zij vervolgens niet gehouden was de in artikel 19 lid 2a van de CAO 1990 en de in artikel 18 lid 2a van de CAO’s 1996 en 1997/1998 vermelde salarisverhogingen/tredeverhogingen aan [geïntimeerde] toe te kennen. Het hof verwijst naar artikel 19 lid 4 van de CAO 1990 en naar artikel 18 lid 4 van de CAO’s 1996 en 1997/1998, waarin is bepaald dat artikel 19 lid 2 van de CAO 1990 en artikel 18 lid 2 van de CAO’s 1996 en 1997/1997 in die situatie onverminderd van toepassing blijft. Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 3.9 overwogen dat de uitzondering, zoals vermeld in artikel 19 lid 2 onder b van de CAO 1990 en in artikel 18 lid 2 onder b van de CAO’s 1996 en 1997/1998, zich in dit geval niet heeft voorgedaan.

3.12 Het hof verwerpt eveneens het verweer van [appellante] dat deze vordering van [geïntimeerde] afstuit op het feit dat vanaf 1 januari 1997 geen CAO meer gold. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor met betrekking tot grief III is overwogen. Grief II faalt.

3.13 Aangezien de grieven I tot en met III falen, slaagt grief IV evenmin.

3.14 Het hof heeft in rechtsoverweging 5.2 van het tussenarrest overwogen dat [geïntimeerde] a. geen incidenteel beroep heeft ingesteld tegen het bestreden vonnis en

b. met name geen grief heeft gericht tegen de beslissing van de kantonrechter in het bestreden vonnis dat in de brief van 15 januari 2002 van [appellante] aan de gemachtigde van [geïntimeerde] geen erkenning door [appellante] van het door [geïntimeerde] gevorderde met betrekking tot de tredeverhoging kan worden gelezen, waardoor het hof aan deze beslissing is gebonden. Hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.2 van het tussenarrest heeft overwogen is in zoverre niet juist, en het hof komt dan ook terug op deze beslissing, dat dit verweer van [geïntimeerde] bij gegrondbevinding van een van de grieven van [appellante] wel zou moeten worden besproken. Dit is echter niet aan de orde, aangezien de met betrekking tot dit punt door [appellante] aangevoerde grieven falen.

3.15 [appellante] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] zich pas schriftelijk op 11 januari 2002, geruime tijd na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, tot [appellante] heeft gewend en aanspraak heeft gemaakt op de in deze procedure gevorderde bedragen. [appellante] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] geen recht had op deze bedragen. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat [appellante], indien [geïntimeerde] zich eerder tot [appellante] zou hebben gewend, wel tot betaling van deze salarisverhogingen zou zijn overgegaan. Het hof acht evenmin van belang dat, zoals [appellante] heeft aangevoerd, [appellante] een verdedigbaar standpunt in deze procedure heeft ingenomen. Dit neemt namelijk niet weg dat [appellante] niet tijdig aan haar verplichtingen heeft voldaan. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om de wettelijke verhoging over de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen te matigen tot het door [appellante] voorgestelde percentage van 10. Grief VI faalt.

3.16 [geïntimeerde] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellante] dat door hem buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en dat deze betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten, geen deugdelijke specificatie verstrekt die op deze kosten betrekking hebben. Voorts heeft hij op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Dit betekent dat het hof deze vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen. Grief V slaagt.

3.17 De slotsom is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd, met uitzondering van de beslissing, waarbij de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 408,40 zijn toegewezen. Deze vordering dient te worden afgewezen. [appellante] zal als de in het overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden verooordeeld. Grief VII faalt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 8 maart 2004, behoudens voor zover daarbij de door [geïntimeerde] gevorderde incassokosten tot een bedrag van € 408,40 zijn toegewezen, dit vonnis in zoverre vernietigend en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst deze vordering af;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 241,- voor verschotten en € 1.264,- voor salaris van de procureur;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs Van Loo, Knottnerus en Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2006.

-----------------------------------------------------------

22 november 2005

vijfde civiele kamer

rolnummer 2004/799

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

procureur: mr T.J. van Veen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr P.A.C. de Vries,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 8 maart 2004, gewezen tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser. Een fotokopie van dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 21 april 2004 [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van genoemd vonnis van 8 maart 2004, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden, en heeft zij geconcludeerd dat het hof, recht doende in hoger beroep, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis van 8 maart 2004 zal vernietigen en [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen respectievelijk die vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde], onder overlegging van het procesdossier in eerste aanleg, de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 8 maart 2004 zal bevestigen zonodig onder verbetering en aanvulling van de gronden en [appellante] zal veroordelen in de kosten van de procedure (het hof begrijpt) in hoger beroep.

2.4 Ten slotte hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

[appellante] heeft tegen het bestreden vonnis de volgende grieven aangevoerd:

Grief I

Ten onrechte overweegt de Rechtbank, Sector Kanton, in het vonnis:

“Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het geschil in deze zaak niet over een indeling in een functieloonschaal maar over de vraag of [geïntimeerde] nog recht heeft op achterstallig loon wegens het niet toekennen van een salarisverhoging op basis van de CAO. Daarop ziet het genoemde arrest niet. [geïntimeerde] kan dus in zijn vordering worden ontvangen.”

Grief II

Ten onrechte overweegt de Rechtbank, Sector Kanton, in het vonnis:

“Tussen partijen staat vast, dat zij bij schriftelijke arbeidsovereenkomst voor [geïntimeerde] die toen 20 jaar was, een indeling in loonschaal E trede 0 zijn overeengekomen. [appellante] is van mening dat nu niet uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat ten aanzien van [geïntimeerde] wordt afgeweken van de gangbare loonschalen en voorts uit de feitelijke functiehonorering niet volgt dat [appellante] en [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] in een hogere dan de voor hem toepasselijke functieloonschaal werd geplaatst, de vordering met betrekking tot de niet toegekende tredeverhoging dient te worden gepasseerd. Dat standpunt acht de kantonrechter onjuist. [geïntimeerde] is bij aanvang van de arbeidsovereenkomst geplaatst in functieloonschaal E trede 0. Als [appellante] daaromtrent een andere voorstelling van zaken had, had het op haar weg gelegen dat bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst aan [geïntimeerde] duidelijk te maken. Partijen zijn bij arbeidsovereenkomst afgeweken van het bepaalde in artikel 22 lid 3 van de CAO, en dus had [geïntimeerde] recht op tredeverhoging.”

Grief III

Ten onrechte overweegt de Rechtbank, Sector Kanton, in het vonnis:

“Naar het oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg van punt 4 mee dat zolang de arbeidsovereenkomst duurt de op dat moment laatst van kracht geworden CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg van toepassing is, ongeacht of [appellante] daaraan krachtens lidmaatschap of algemeen verbindend verklaring al dan niet is gebonden. [geïntimeerde] hoefde er bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst immers niet op bedacht te zijn dat er in de positie van [appellante] in de loop der jaren met betrekking tot de CAO een wijziging optreedt. Daar komt bij dat, nu er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van punt 4 van de arbeidsovereenkomst, dit voor risico behoort te zijn van [appellante], als opsteller van het contract.”

Grief IV

Ten onrechte overweegt de Rechtbank, Sector Kanton, in het vonnis:

“Het voorgaande betekent dat de loonvordering kan worden toegewezen.”

Grief V

Ten onrechte overweegt de Rechtbank, Sector Kanton, in het vonnis:

“De buitengerechtelijke incassokosten zullen als gevorderd worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft gesteld waaruit de desbetreffende incassowerkzaamheden hebben bestaan. Naar het oordeel van de kantonrechter blijken deze werkzaamheden ook uit de stukken. Het gaat dus niet om een enkele aanmaning of uitsluitend om werkzaamheden ter instructie van de zaak.”

Grief VI

Ten onrechte heeft de Rechtbank, Sector Kanton, nagelaten ambtshalve gebruik te maken van de in artikel 7:625 BW neergelegde bevoegdheid de gevorderde wettelijke verhoging te beperken.

Grief VII

Ten onrechte heeft de Rechtbank, Sector Kanton, [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 8 maart 2004 onder het kopje “De vaststaande feiten” feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn door geen van de partijen grieven gericht of anderszins bezwaren geuit, zodat ook het hof in hoger beroep van deze feiten zal uitgaan.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, na wijziging van zijn eis bij conclusie van repliek, de veroordeling van [appellante] gevorderd tot betaling aan hem van:

A. een bedrag van € 1.719,34 bruto in verband met het niet toekennen door [appellante] aan hem per 1 januari 1997 van een zogenaamde tredeverhoging op grond van de per die datum geldende CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg;

B. een bedrag van € 1.262,35 bruto in verband met het niet toekennen door [appellante] aan hem van een salarisverhoging van 2,5% per periode 4-1997 en van een salarisverhoging van 3% per periode 1-1998 op grond van de in die periode geldende CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg;

C. de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over de bedragen onder A en B;

D. een bedrag terzake van vakantietoeslag van € 92,93;

E. de wettelijke verhoging op grond van artikel 18c van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over het bedrag onder D;

F. de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 408,40;

G. de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen vanaf 25 januari 2002:

H. de kosten van het geding, het salaris van zijn gemachtigde en het griffierecht daaronder begrepen.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van die welke hiervoor onder D en E zijn vermeld.

5.2 [geïntimeerde] heeft geen incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. Met name heeft hij geen grief gericht tegen de beslissing van de kantonrechter in het bestreden vonnis dat in de brief van 15 januari 2002 van [appellante] aan de gemachtigde van [geïntimeerde] geen erkenning door [appellante] van het door [geïntimeerde] gevorderde met betrekking tot de tredeverhoging kan worden gelezen. Het hof is in hoger beroep aan deze beslissing gebonden.

5.3 De zeven grieven van [appellante] leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

5.4 Met betrekking tot de in rechtsoverweging 5.1 onder A vermelde vordering gaat het allereerst om de vraag of, zoals [appellante] heeft gesteld en [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist, deze vordering betrekking heeft op de functie-indeling van [geïntimeerde] en de daaraan gekoppelde honorering in een van de functieschalen van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg, waartegen [geïntimeerde] niet tijdig, te weten pas na de beëindiging van het dienstverband, bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter heeft deze vraag in het bestreden vonnis ontkennend beantwoord en [geïntimeerde] ontvankelijk verklaard in deze vordering (en deze vordering toegewezen zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.1 is overwogen).

5.5 Met betrekking tot de in rechtsoverweging 5.1 onder B vermelde vordering gaat het om de uitleg van artikel 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, artikel 4 van de arbeidsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat [appellante] in de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 was gehouden om de, weliswaar afgesloten, maar nog niet algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg te volgen, ook al was zij daaraan niet uit hoofde van het lidmaatschap van een werkgeversvereniging (artikel 9 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: Wet CAO)) of krachtens algemeen verbindendverklaring (artikel 2 van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: Wet AVV)) gebonden. Volgens [appellante] moet artikel 4 van de arbeidsovereenkomst zo worden uitgelegd dat de laatst van kracht geworden CAO -hetzij op grond van artikel 9 Wet CAO hetzij op grond van artikel Wet AVV- van toepassing blijft totdat een nieuwe CAO hetzij op grond van artikel 9 Wet CAO hetzij op grond van artikel 2 Wet AVV voor [appellante] verbindend wordt. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de door [geïntimeerde] bepleite uitleg gevolgd.

5.6 Het hof stelt voorop -en daarover zijn partijen het in hoger beroep ook eens- dat artikel 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst niet mag worden uitgelegd overeenkomstig de CAO-norm, maar moet worden uitgelegd conform de Haviltex-maatstaf, nu het gaat om een beding in een individuele arbeidsovereenkomst -hoezeer ook ontleend aan een bij een CAO behorend model-contract- dat naar zijn aard niet bestemd is om anderen dan contractanten te binden. Daarbij gaat het om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel 4 van de arbeidsovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts is van belang dat het partijen bij een individuele arbeidsovereenkomst vrijstaat te bepalen welk arbeidsvoorwaardenregime op die arbeidsovereenkomst van toepassing zal zijn nadat zij niet langer aan de in de desbetreffende bedrijfstak afgesloten CAO zijn gebonden.

5.7 Alvorens de grieven te beoordelen heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. In verband hiermee zal het hof een comparitie van partijen bepalen waarbij tevens kan worden onderzocht of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

Tijdens deze comparitie van partijen zullen in ieder geval de volgende punten aan de orde worden gesteld:

a. door beide partijen wordt verwezen naar bepalingen van een CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg die in deze procedure van belang zijn. Geen van de partijen heeft echter de CAO overgelegd waar het om gaat. Het hof wenst een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen met betrekking tot de relevante bepalingen die destijds hebben gegolden. Gelet hierop dient [geïntimeerde] als de partij die daarvoor het meest in aanmerking komt, de complete tekst van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg die tot en met 31 december 1996 algemeen verbindend is geweest over te leggen en tevens de complete tekst van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg met betrekking tot de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998. [geïntimeerde] dient deze stukken uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie van partijen aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden;

b. de vraag of [appellante] in de periode van 1 januari 1997 tot 1 april 1997 lid is geweest van een van de werkgeversverenigingen die met de werknemersverenigingen een CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg heeft afgesloten. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis als vaststaand feit vermeld dat [appellante] slechts in de periode van april 1997 tot en met januari 1998 geen lid is geweest van een van de werkgeversverenigingen die met de werknemersverenigingen de desbetreffende CAO heeft afgesloten. Het hof leidt uit de stukken af dat [appellante] ook in de periode van 1 januari 1997 tot 1 april 1997 geen lid is geweest van een bij de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg betrokken werkgeversvereniging en wil weten of dit juist is;

c. de vraag op welke wijze [appellante] in de periode vanaf de datum van indiensttreding van [geïntimeerde] bij haar tot en met 31 december 1996 CAO(’s) voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg op de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] heeft toegepast, hetzij als lid van een werkgeversvereniging die partij was bij een of meer CAO’s voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg, hetzij krachtens algemeen verbindendverklaring, hetzij anderszins. [appellante] dient op dit punt een overzicht op te stellen dat zij uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie van partijen aan het hof en aan de wederpartij dient toe te zenden;

d. [appellante] heeft aangekondigd bij haar memorie van grieven als bijlage 1 een artikel uit het “Nieuwsblad Transport” te zullen overleggen, maar dat heeft zij nagelaten. Zij dient dit artikel alsnog aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden, uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie van partijen;

e. nadat het bestreden vonnis door de kantonrechter is gewezen heeft de Hoge Raad op 9 juli 2004 uitspraak gedaan in de zaak [appellante] Distributiecentrum Emmen B.V. tegen [...] (JAR 2004,189). De Hoge Raad heeft de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Aangezien het ook in die procedure ging om de uitleg van (hetzelfde) artikel 4 van de arbeidsovereenkomst, wenst het hof geïnformeerd te worden met betrekking tot de stand van zaken in die procedure;

f. nadat het bestreden vonnis door de kantonrechter is gewezen en nadat [appellante] haar memorie van grieven heeft genomen, heeft de Hoge Raad op 8 april 2005 uitspraak gedaan over de uitleg van het (onder andere in de periode van 1 april 2000 tot 1 januari 2001) algemeen verbindend verklaarde artikel 19 onderdeel B van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg (A tegen Van Gansewinkel Nederland B.V., JAR 2005, 116). [geïntimeerde] heeft als verweer tegen grief I van [appellante] aangevoerd dat noch het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002, JAR 2002, 249, noch het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 april 2005 aan zijn vorderingsrecht dat betrekking heeft op de tredeverhoging in de weg staat. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen haar standpunt kenbaar te maken. Aan [appellante] wordt verzocht een schriftelijke notitie op dit punt twee weken voor de comparitie van partijen aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden. Desgewenst kan [geïntimeerde] schriftelijk op deze notitie reageren. In dat geval dient [geïntimeerde] zijn schriftelijke reactie uiterlijk één week voor de comparitie van partijen aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden.

g. [geïntimeerde] heeft zich in eerste aanleg beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 2 april 1993, NJ 1993,612. Het hof wenst een -schriftelijke- nadere toelichting van [geïntimeerde] op welke wijze dit arrest, gelet op de aard van de door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen, ook in deze procedure zou moeten worden toegepast. [geïntimeerde] dient deze schriftelijke toelichting twee weken voor de comparitie van partijen aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden. Ook hier geldt dat [appellante] desgewenst schriftelijk kan reageren en dat zij deze schriftelijke reactie uiterlijk één week voor de comparitie van partijen aan het hof en aan de wederpartij dient toe te zenden;

5.8 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen ([appellante] vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die bevoegd of schriftelijk gevolmachtigd is een schikking aan te gaan, en [geïntimeerde] in persoon), vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en voor het onderzoek of zij het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr E.B. Knottnerus, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader te bepalen datum en tijdstip;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 december 2005 voor het opgeven van verhinderdata van de partijen en hun advocaten in de maanden november en december 2005 en januari 2006 ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer der partijen ontbreekt) zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat de partijen, indien zij zich willen beroepen op nog niet eerder in het geding gebrachte bescheiden, deze zullen overleggen door toezending in fotokopie aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie;

bepaalt dat beide partijen de in rechtsoverweging 5.7 genoemde stukken binnen de daar vermelde termijnen (in fotokopie) aan de raadsheer-commissaris en aan de wederpartij zullen doen toekomen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Knottnerus en Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2005.