Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5832

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2005/1185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de [..] beschreven redengeving is het hof van oordeel dat arbiters wel degelijk zijn ingegaan op het verweer van Bruna met betrekking tot het merkbaarheidsvereiste, dat zij hun oordeel over dat verweer hebben gegeven en dat zij ook de gronden voor dat oordeel hebben vermeld. Daaraan doet niet af dat zij de term “de minimis-regeling” niet gebruikt hebben en evenmin dat zij deze regeling niet in haar beschouwingen betrokken hebben, nu zij wel verantwoord hebben waarom zij zulks niet deden. Ook wordt aan de beslissing van arbiters niet afgedaan door, noch is die beslissing onverenigbaar met het feit dat arbiters Bruna in de gelegenheid hebben gesteld deskundigenrapportage omtrent haar marktaandelen in te winnen en over te leggen. Die marktaandelen immers hebben, ook al is de de minimis-regeling niet toepasselijk, toch relevantie in verband met de Groepsvrijstellingsverordening waarvan de toepasselijkheid eveneens van het marktaandeel van de leverancier afhankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juli 2006

eerste civiele kamer

rolnummer 2005-01185

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bruna B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

procureur: mr F.J. Boom,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr H. van Ravenhorst.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 11 mei 2005 en 22 juni 2005 die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna aan te duiden als Bruna) als eiseres en geïntimeerde (hierna aan te duiden als [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bruna heeft bij exploot van 22 september 2005 aan [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 22 juni 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Bij memorie van grieven heeft Bruna vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad voorzover de wet zulks toelaat, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het op 30 november 2004 tussen partijen gewezen arbitraal vonnis zal vernietigen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van Bruna in de kosten van het geding.

2.3 Ter zitting van 20 juli 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Bruna door mr F.J.H. Mulder, advocaat te Amstelveen, en [geïntimeerde] door mr J.L.M. van Gastel, advocaat te Geldrop; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank voorop gesteld dat een motiveringsgebrek in een arbitraal vonnis slechts tot vernietiging kan leiden indien de motivering geheel ontbreekt dan wel indien in de motivering enige steekhoudende verklaring voor de beslissing ontbreekt. Uit het verband met de volgende rechtsoverweging blijkt dat de rechtbank hier slechts doelt op de in artikel 1065 eerste lid onder d Rv genoemde vernietigingsgrond (dat het arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed) en vooralsnog niet op de onder c genoemde vernietigingsgrond (dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht gehouden heeft).

4.2 Aldus begrepen is de overweging van de rechtbank juist en moet de daartegen gerichte grief I worden verworpen. Het arbitraal vonnis bevat immers zowel in zijn totaliteit als ten aanzien van elk van de zelfstandige onderdelen van zijn dictum een motivering, in welker deugdelijkheid het de burgerlijke rechter niet geoorloofd is te treden. Waar Bruna zich over beklaagt, is dat arbiters niet op een door haar gevoerd verweer zouden zijn ingegaan, maar daarbij miskent zij dat, indien dat juist is, zulks niet de onder d genoemde vernietigingsgrond, maar mogelijk de onder c genoemde vernietigingsgrond zou opleveren, zoals Bruna zelf ook - met juistheid – bij pleidooi heeft betoogd.

4.3 Haar oordeel over die onder c genoemde vernietigingsgrond heeft de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.7 gegeven. Daartegen richten zich de grieven II en III, onderscheidenlijk bestrijdende de onder 4.6 voorkomende overwegingen:

? dat arbiters inhoudelijk zijn ingegaan op het essentiële verweer van Bruna met betrekking tot het merkbaarheidsvereiste;

? dat de “de minimis-regeling” ziet op merkbaarheid van overeenkomsten op de intracommunautaire handel als bedoeld in artikel 81 van het EG-verdrag.

4.4 Het verweer waarop arbiters volgens Bruna niet zouden zijn ingegaan, wordt door haar in de inleidende dagvaarding onder 12 als volgt weergegeven:

Niet iedere beperking van de mededinging is laakbaar: het moet wel een zekere betekenis hebben. Ook word wel gezegd dat de beperking van de mededinging “merkbaar” moet zijn.

Bruna is van oordeel dat de beperking van de mededinging als gevolg van het gewraakte concurrentiebeding te verwaarlozen is. Voor alle productgroepen kan de consument naast de generieke boekhandel ook terecht bij andere “outlets”, bijvoorbeeld bij supermarkten en/of warenhuizen. Daarenboven is het marktaandeel dat Bruna in alle productgroepen heeft dermate gering dat het niet tot een merkbare beperking van de mededinging kan leiden.

Met betrekking tot dit “merkbaarheidsvereiste” heeft de commissie een bekendmaking opgesteld over overeenkomsten die dermate geringe betekenis hebben dat zij de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 81 lid 1 van het verdrag (de zogenaamde “de minimis-regeling” Bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis (2001/C 368/07);

Daarbij heeft de commissie vastgesteld dat overeenkomsten tussen ondernemingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 81 lid 1 indien het marktaandeel van elk van de partijen bij de overeenkomst op geen van de relevante markten waarop de overeenkomst van invloed is groter is dan 15%. Bruna is van mening dat deze “de minimis-regeling” ook op deze casus van toepassing is.

4.5 Arbiters hebben (onder 9.1 van hun vonnis) vooropgesteld dat artikel 13 Mededingingswet het verbod van mededingingsafspraken doet wijken voor vrijstellingen krachtens een Verordening van de Commissie voor de Europese Gemeenschappen. Daarmee hebben zij, impliciet weliswaar, maar met volstrekte duidelijkheid, tot uitdrukking gebracht dat een beroep op de, immers niet in een verordening neergelegde, “de minimis-regeling” moet falen. Vervolgens zijn arbiters nagegaan of de Verordening (EG) nr 2790/1999 van 22 december 1999 (Groeps-vrijstellingsverordening) een vrijstelling voor het onderhavige non-concurrentiebeding opleverde welke vraag arbiters (onder 9.6) gemotiveerd ontkennend hebben beantwoord. Tenslotte hebben arbiters (onder 9.7) onder ogen gezien dat (al is de “de minimis-regeling” niet van toepassing) toch het merkbaarheidsvereiste gesteld moet worden en zij zijn, met redenen omkleed, tot het oordeel gekomen dat en waarom het beding daaraan voldeed.

4.6 Gelet op de in de vorige rechtsoverweging beschreven redengeving is het hof van oordeel dat arbiters wel degelijk zijn ingegaan op het verweer van Bruna met betrekking tot het merkbaarheidsvereiste, dat zij hun oordeel over dat verweer hebben gegeven en dat zij ook de gronden voor dat oordeel hebben vermeld. Daaraan doet niet af dat zij de term “de minimis-regeling” niet gebruikt hebben en evenmin dat zij deze regeling niet in haar beschouwingen betrokken hebben, nu zij wel verantwoord hebben waarom zij zulks niet deden. Ook wordt aan de beslissing van arbiters niet afgedaan door, noch is die beslissing onverenigbaar met het feit dat arbiters Bruna in de gelegenheid hebben gesteld deskundigenrapportage omtrent haar marktaandelen in te winnen en over te leggen. Die marktaandelen immers hebben, ook al is de de minimis-regeling niet toepasselijk, toch relevantie in verband met de Groepsvrijstellingsverordening waarvan de toepasselijkheid eveneens van het marktaandeel van de leverancier afhankelijk is. De grieven II en III falen daarom eveneens.

4.7 Grief IV klaagt er over dat de rechtbank heeft beslist zoals zij heeft beslist en verwijst in haar toelichting slechts naar de toelichting op de andere grieven. Deze grief mist derhalve zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking.

4.8 Nu alle grieven falen moet het bestreden vonnis worden bekrachtigd met verwijzing van Bruna als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 22 juni 2005;

veroordeelt Bruna in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682 voor salaris van de procureur en op € 291 voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Mannoury, Tjittes en Quint en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2006.