Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5575

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
03-08-2006
Zaaknummer
030/2006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap van man die kind reeds heeft erkend: kan wel. Artikel 6 Rijkswet op Nederlanderschap is discriminatoir.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2006, 106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2006

Familiekamer

Rekestnummer 30/2006

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr M.R. Roethof,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 12 oktober 2005, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 124863 / FA RK 05-10690.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 11 januari 2006, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het inleidend verzoek van [de vrouw] (verder te noemen “de vrouw”), alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

2.2 Mr M.L.E. Storm van ’s Gravensande, bijzonder curator, heeft binnen de gestelde verweertermijn geen verweerschrift ingediend.

2.3 De vrouw heeft binnen de gestelde termijn evenmin een verweerschrift ingediend.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 11 mei 2006 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door mr F.W. Verweij, advocaat te Utrecht. Voorts is de bijzonder curator verschenen.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de bijzonder curator van 17 februari 2006, een faxbericht van mr Jap-A-Joe namens de vrouw van 3 april 2006 en 19 april 2006, alsmede van de conclusie van de Advocaat-Generaal van het ressortsparket te Arnhem van 27 april 2006.

3 De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de man en de vrouw is op 12 oktober 2004 [de dochter] geboren. De man en de vrouw hebben in ieder geval vanaf de geboorte van [de dochter] tot drie à vier maanden daarna met elkaar samengewoond. De man heeft [de dochter] op 14 oktober 2004 erkend. De vrouw heeft van rechtswege het gezag over [de dochter].

3.2 Blijkens informatie uit de gemeentelijke basisadministratie heeft de man de Nederlandse en de Joegoslavische nationaliteit en de vrouw de Kroatische nationaliteit. [de dochter] heeft de Kroatische nationaliteit en heeft thans geen geldige verblijfstitel in Nederland.

3.3 De vrouw heeft in het voorjaar van 2005 de relatie met de man verbroken. Sindsdien zorgen de man en zijn moeder voor [de dochter].

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 21 maart 2005, heeft de vrouw verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man van [de dochter].

3.5 Bij beschikking van 4 juli 2005 heeft de rechtbank te Arnhem mr Storm van ’s Gravesande, voornoemd, benoemd tot bijzonder curator over [de dochter].

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge het tweede lid van artikel 358 Rv kunnen de verzoeker en belanghebbenden hoger beroep instellen. De man is belanghebbende nu de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen. Hieruit volgt dat de man hoger beroep kan instellen tegen de bestreden beschikking.

Uit het bepaalde in artikel 1:207 BW blijkt weliswaar dat de man geen verzoek kan doen om het vaderschap gerechtelijk vast te stellen. Deze bepaling staat echter niet in de weg aan een behandeling van het verzoek in hoger beroep, nu de vrouw in eerste aanleg heeft verzocht het vaderschap vast te stellen en zij dit verzoek handhaaft in het kader van het door de man ingestelde hoger beroep. Het voorgaande blijkt uit de verklaring van de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Deze advocaat heeft voorts verklaard ook namens de vrouw op te treden.

4.2 In dit geding staat de vraag centraal of erkenning door een man van een kind aan een later verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van diezelfde man van dat kind in de weg staat. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord.

4.3 De man stelt dat de wet de mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling na erkenning wel biedt en dat [de dochter] daar ook belang bij heeft, omdat daarmee zekerheid komt te bestaan over het biologische en juridische vaderschap. [de dochter] zal voorts, anders dan in geval van erkenning, als gevolg van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap met ingang van haar geboorte van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkrijgen.

4.4 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 1:207 lid 2 sub a BW in dit geval niet in de weg staat aan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Weliswaar leidt artikel 1:207 lid 2 sub a BW er op het eerste gezicht toe dat gerechtelijke vaststelling is uitgesloten wanneer een kind reeds is erkend, maar de strekking van die bepaling is daarin gelegen dat moet worden voorkomen dat een kind tot meer dan twee personen in familierechtelijke betrekking komt te staan. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat een gerechtelijke vaststelling in situaties als de onderhavige niet mogelijk zou zijn. De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis (memorie van toelichting TK 1995-1996, 24649, nr. 3) volgens welke een gerechtelijke vaststelling moet worden gezien “als een laatste mogelijkheid om tussen ouder en kind een afstammingsband te doen ontstaan”. Uit het verband waarin die passage voorkomt, volgt echter dat de wetgever daarmee slechts het oog heeft gehad op vestiging van een andere mogelijkheid tot het doen ontstaan van een familierechtelijke rechtsbetrekking tussen het kind en een ouder “...indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning”. Daaruit valt af te leiden dat de wetgever juist heeft beoogd om met het instituut van de gerechtelijke vaststelling een extra mogelijkheid in het leven te roepen voor het doen ontstaan van een afstammingsband en niet om de gevallen waarin dat instituut toepassing zou kunnen vinden in te perken.

4.5 De rechtbank heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat het kind door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap het Nederlanderschap zou verkrijgen daaraan niet af doet, omdat de wetgever bij de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap welbewust artikel 6 lid 1 sub c jo lid 2 heeft geïntroduceerd en daarnaast onderscheid heeft gemaakt met betrekking tot de rechtsgevolgen tussen een erkenning vóór en na de geboorte.

Het hof acht het maken van dit onderscheid echter ongeoorloofd nu dit in strijd komt met het bepaalde in de artikelen 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden en 2 en 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat een beroep op deze artikelen in het kader van een procedure tot het verkrijgen van het Nederlanderschap van [de dochter] kan worden gedaan. Bedoelde verdragen verbieden echter de Nederlandse staat en daarmee iedere Nederlandse rechter, om een dergelijk onderscheid te maken.

4.6 [de dochter] heeft belang bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, omdat de man haar eerst na haar geboorte heeft erkend waardoor zij de Nederlandse nationaliteit pas na drie jaar verzorging door de man kan verkrijgen. Hierdoor bestaat het risico dat zij Nederland zal worden uitgezet. Dit risico bestaat niet ingeval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, nu zij daarmee vanaf haar geboorte van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.

4.7 Het hof acht de erkenning door de man van [de dochter] onvoldoende om het vaderschap vast te stellen. Het hof acht het in strijd met het openbaar belang om uit te gaan van het vaderschap zonder dat grondig onderzoek is verricht naar de vraag of de man de biologische vader is van [de dochter]. Om die reden zal het hof een deskundigenonderzoek gelasten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man verklaard zich te refereren aan het oordeel van het hof met betrekking tot de benoeming van de deskundige. Het hof zal mevrouw dr G.G. de Lange (werkzaam bij Sanquin Diagnostiek, Afdeling Vaderschapsonderzoek, te Amsterdam) tot deskundige benoemen en bepalen dat het onderzoek zal worden ingesteld onder leiding van een raadsheer-commissaris en zal als zodanig het lid van dit hof mr B.M. Mens benoemen en zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

beveelt een nader onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de vraag of [verzoeker], geboren op 2 maart 1982 te [plaatsnaam], de biologische vader is van [de dochter], geboren op 12 oktober 2004 te [plaatsnaam];

benoemt ter zake tot deskundige:

mevrouw dr G.G. de Lange,

p/a Sanquin Diagnostiek

Afdeling Vaderschapsonderzoek

Postbus 9190

1006 AD Amsterdam

telefoon 020 – 5123178;

bepaalt dat het onderzoek zal worden ingesteld onder leiding van een raadsheer-commissaris en benoemt als zodanig het lid van dit hof mr B.M. Mens;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek, begroot op € 1.150,- voorlopig ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht;

bepaalt dat de griffier voormeld bedrag zal overmaken op postbanknummer 388910 t.n.v. Stichting Sanquin divisie CLB o.v.v. het rekestnummer en de namen van partijen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat de deskundige het in drievoud uit te brengen rapport in beginsel vóór 1 september 2006 ter griffie van het hof zal indienen, behoudens verlenging van deze termijn door de raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de griffier van dit hof vervolgens een afschrift van het deskundigenrapport aan de man en de bijzonder curator zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs Mens, Knottnerus en Ter Veer en is op 13 juni 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.