Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5551

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2006
Datum publicatie
03-08-2006
Zaaknummer
196/2006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betwisting van afstamming, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2006, 107
JPF 2006/132
JIN 2006/382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juli 2006

Familiekamer

Rekestnummer 196/2006

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “[A.]”,

procureur mr J.M. Bosnak,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “[B.]”,

procureur mr W.D. Huizinga.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 14 december 2005, uitgesproken onder zaaknummer 73893 / FA RK 684/2005.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 maart 2006, is [A.] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [A.] verzoekt het hof die beschikking -voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- te vernietigen en:

a. de betwisting van (het hof leest:) de afstamming van [B.] gegrond te verklaren,

b. te bepalen dat [B.] geen juridisch of biologisch kind is van [A. sr.] (verder te noemen “[A.] sr.”), en

c. de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de uitspraak, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand,

kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 april 2006, heeft [B.] het verzoek in hoger beroep van [A.] bestreden. [B.] verzoekt de verzoeken van [A.] ongegrond te verklaren althans af te wijzen en [A.] te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 11 juli 2006 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, [A.] bijgestaan door mr A.W. van Rutten, advocaat te Almelo, en [B.] bijgestaan door mr M.F. Groen, advocaat te Almelo.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de conclusie van het openbaar ministerie van 7 juni 2006 waarin advocaat-generaal E.J. Julsing-Nijenhuis concludeert tot afwijzing van het verzoek van [A.].

3 De vaststaande feiten

3.1 Op 13 januari 1950 zijn [A.] sr. en [C.], verder te noemen: [C.], gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren: [A.], op 8 juni 1950 en [D.], verder te noemen: [D.], op 4 juli 1951.

3.2 [C.] heeft [A.] sr. omstreeks november 1955 verlaten. Bij vonnis van 7 november 1956 van de rechtbank te Almelo is echtscheiding uitgesproken tussen [A.] sr. en [C.]. De inschrijving in de registers van de burgerlijke stand heeft kort daarna plaatsgevonden.

3.3 Nadat het huwelijk tussen [A.] sr. en [C.] was ontbonden, is uit [C.] op 25 februari 1957 [B.] geboren. Aangezien [B.] binnen 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk is geboren, is [A.] sr. op de voet van artikel 310 (oud) BW als de vader van [B.] in het geboorteregister vermeld.

3.4 Op 9 november 1957 is [C.] gehuwd met [B. sr.], verder te noemen: [B.] sr., die de biologische vader is van [B.].

3.5 Op 15 december 2003 is [A.] sr. overleden zonder bij testament over zijn vermogen te hebben beschikt.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Almelo op 4 oktober 2005, heeft [A.] verzocht de betwisting van afstamming gegrond te verklaren en te bepalen dat [B.] geen kind is van [A.] sr., doch van [B.] sr. en de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de uitspraak, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, in de registers in te schrijven. [B.] heeft verweer gevoerd.

3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, met compensatie van de proceskosten.

4 e motivering van de beslissing

4.1 Voor zover [B.] mocht bepleiten dat [A.] in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij belang daarbij mist, kan [B.] daarin niet worden gevolgd. Het mag zijn dat in eerdere procedures in eerste aanleg en hoger beroep tussen [D.] als verzoeker en [B.] als verweerder (deels) nagenoeg eensluidend verzoeken van [D.] als die van [A.] ter beoordeling voorlagen, waarop door zowel de rechtbank te Almelo bij beschikking van 27 oktober 2004 (zaaknummer 65138/FA RK 04-467) als dit hof bij beschikking van 14 juni 2005 (rekestnumer 1161/2004) afwijzend is beschikt, maar dat neemt niet weg dat [A.], die in die procedures geen partij was, haar verzoeken ter beoordeling kan voorleggen. Daarenboven heeft [A.] in verband met de door haar bepleite overeenstemming tussen de maatschappelijk sociale werkelijkheid en juridische afstamming, waarvan de afwikkeling van de nalatenschap van [A.] sr., waarin [B.] bij toewijzing van het verzoek niet langer als wettelijk erfgenaam zal delen, een aspect vormt, voldoende gerechtvaardigd belang bij haar verzoeken. Aldus kan [A.] in zoverre in haar verzoeken worden ontvangen.

4.2 De grieven van [A.] lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en strekken ten betoge dat zij op de voet van artikel 1:209 BW de afstamming van [B.] volgens zijn geboorteakte kan betwisten, omdat [B.] niet een staat overeenkomstig die akte heeft.

4.3 Het hof verwijst allereerst naar de kamerstukken (TK, vergaderjaar 1995-1996, 24 649, nr.3, pag 22), die voor zover hier relevant het volgende behelzen: “… bewijs van afstamming. Dit bewijs wordt in het algemeen geleverd door de geboorteakte …. Bij ontbreken hiervan wordt de afstamming bewezen door het bezit van staat. Er is naar mijn oordeel geen goede reden om aan het bewijs van het bezit van staat beperkingen te stellen en om niet het gewone bewijsrecht hierop van toepassing te doen zijn. De bepaling dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet betwist kan worden, indien hij een staat overeenkomstig die akte bezit, blijft gehandhaafd (artikel 209 BW). Het is gerechtvaardigd dat in deze gevallen anderen iemand zijn staat niet kunnen ontnemen….”.

4.4 Hiermee strookt hetgeen algemeen in de literatuur ten aanzien van dat artikel wordt aangenomen, namelijk dat een geboorteakte en daarmee overeenkomstig bezit van staat samen jegens anderen dan het kind de afstamming onomstotelijk vast stellen, echter dat indien afstamming volgens de geboorteakte en het bezit van staat niet overeenstemmen, de werkelijke, met de geboorteakte strijdige staat door anderen wel kan worden ingeroepen (zie onder andere: Asser/De Boer (2002), nr. 751 e.v., Doek/Vlaardingerbroek, 2001, p. 74-75, Wortmann/van Duivendijk-Brand (2005), nr. 120).

4.5 Partijen debatteren in de kern over de betekenis van een staat overeenkomstig de geboorteakte. In de uitspraak van de Hoge Raad van 7 november 2003, NJ 2004, 98, is bezit van staat aldus omschreven: “Ingevolge” (het hof leest: artikel 1:209 BW) “geldt immers dat indien de (…) wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander en deze uiterlijke vorm strookt met de vermelding dienaangaande in de geboorteakte van de betrokkene, de rechtszekerheid meebrengt dat de juistheid van de desbetreffende vermelding in de geboorteakte niet met succes door een derde kan worden betwist.”. Het gaat hier aldus, zoals ook Doek in zijn hiervoor vermeld publicatie omschrijft, niet om biologische maar maatschappelijk sociale feiten.

4.6 [A.] heeft een verscheidenheid aan feiten en omstandigheden gesteld die erop neerkomen dat [B.] steeds aan het maatschappelijk verkeer heeft deelgenomen en deelneemt die naar hun uiterlijke vorm erop duiden dat hij de zoon is van [B.] sr.. [A.] heeft aldus onder meer gesteld dat [B.] zich steeds als haar halfbroer en als zoon van [B.] sr. heeft gepresenteerd, dat hij nooit contact heeft onderhouden met [A.] sr., die nimmer heeft bijgedragen in de kosten van zijn verzorging en opvoeding, dat bij Koninklijk Besluit van 11 november 1963 de geslachtsnaam van [B.] is gewijzigd van ‘[A.]’ in ‘[B.]’, welke laatste geslachtsnaam hij ook daadwerkelijk voert, dat hij de verklaring van erfrecht naar aanleiding van de testamentaire afwikkeling van de nalatenschap van [B.] sr., die op 19 mei 2003 is overleden, waarin hij als zoon van [B.] sr. staat vermeld, niet heeft doen corrigeren en tevens dat hij zich op zijn website als “een [B.]” afficheert.

4.7 [B.] heeft al deze feiten en omstandigheden niet bestreden. Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat de staat van [B.], namelijk dat hij de zoon is van [B.] sr., niet in overeenstemming is met de geboorteakte, waarin [A.] sr. als zijn vader is geregistreerd. Daarmee is het verzoek van [A.] tot gegrondverklaring van haar betwisting van de afstamming van [B.] volgens diens geboorteakte toewijsbaar. Anders dan [B.] kennelijk betoogt, staat de vermelding van de afstammingsrelatie in de geboorteakte overeenkomstig artikel 310 (oud) BW daaraan niet in de weg.

4.8 Dit betekent dat het verzoek onder 2.1.a zal worden toegewezen. Het verzoek onder 2.1.b, dat [A.] expliciet ook op artikel 1:209 BW heeft gegrond, kan niet worden toegewezen omdat dat artikel daarvoor ontoereikende grondslag biedt. Het verzoek onder 2.1.c zal in verband met artikel 1:20 en volgende BW eveneens worden toegewezen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking (deels) te vernietigen. In zoverre slagen de grieven.

5.2 Ten aanzien van de proceskostenbeslissing ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van hetgeen bij familierelaties tussen partijen gebruikelijk is, namelijk compensatie van proceskosten. Daarom zal het hof de proceskosten van het hoger beroep compenseren. De uitsproken compensatie van proceskosten in eerste aanleg kan niet aan het oordeel van het hof onderworpen zijn omdat [B.] geen gemotiveerde bezwaren tegen die uitspraak heeft kenbaar gemaakt. [B.] dient derhalve in zijn verzoek tot veroordeling van [A.] in de kosten van de eerste aanleg niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Almelo van 14 december 2005, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover daarbij de verzoeken van [A.] tot gegrondverklaring van de betwisting van de afstamming van [B.] en tot inschrijving in de registers zijn afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart de betwisting door [A.] van de afstamming van [B.] volgens diens geboorteakte gegrond;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand deze beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand;

bekrachtigt de voormelde beschikking van de rechtbank te Almelo, voor zover daarbij het verzoek van [A.] te bepalen dat [B.] geen kind is van [A.] sr. doch van [B.] sr., is afgewezen;

verklaart [B.] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot veroordeling van [A.] in de kosten van de procedure in eerste aanleg;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Wesseling-Lubberink, Katz-Soeterboek en Mens, is op 25 juli 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.