Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5543

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
1071/2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden: beroep op dwaling bij tot standkoming is verjaard. Inhoud verrekenbeding vastgesteld met behulp van Haviltex

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 99
JPF 2006/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2006

Familiekamer

Rekestnummer 1071/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr J.M. Bosnak,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank te Arnhem van 16 september 2004 en 28 juli 2005, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 104233 / ES RK 03-755.

2 Het geding in het principaal en het voorwaardelijk incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 27 oktober 2005, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 28 juli 2005. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende partijen te veroordelen met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, althans tot verrekening van de huwelijksvoorwaarden, de inboedelbestanddelen en de woning, zoals verzocht door de vrouw, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 december 2005, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft de man tevens voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof in het principaal beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de kosten van haar beroep en in het voorwaardelijk incidenteel beroep bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover de rechtbank in rechtsoverweging 9 heeft overwogen dat het aannemelijk is dat geen van partijen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden heeft nagedacht over de gevolgen van het verrekenbeding en de toevoeging daarbij voor het geval hun huwelijk zou eindigen,

2. alsmede die beschikking te vernietigen voor zover deze niet strookt met hetgeen de man in de voorwaardelijke grieven 2 en 3 heeft opgemerkt en te bepalen, dat de vrouw binnen 14 dagen na de dag waarop het hof beschikking wijst bij de man thuis dient te (doen) bezorgen de aan ieder der partijen genoegzaam bekend zijnde Engelse antieke kast en de hen genoegzaam bekend zijnde zilveren cassette, zulks voor het overige onder instandhouding van de door de rechtbank uitgesproken verdeling,

3. de man te veroordelen om aan de vrouw ter zake overbedeling een bedrag te betalen van € 119.045,80 te vermeerderen met de privé-inbreng van de vrouw ter grootte van € 12.621,44 derhalve totaal € 131.667,24 en

4. de vrouw te veroordelen om ter zake van verdeling van roerende goederen aan de man te betalen € 12.063,50,

5. met veroordeling van de vrouw in de kosten van het principaal en het incidenteel appèl.

2.3 De vrouw heeft binnen de daartoe gestelde termijn geen verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel beroep ingediend.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 4 mei 2006 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr H.J.M. van Arkel, advocaat te Arnhem, en de man bijgestaan door mr L.H.M. Zonnenberg, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van de advocaat van de vrouw van 26 april 2006, met als bijlage een “akte houdende producties alsmede akte vermeerdering (het hof leest:) verzoek”.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 16 oktober 1976 met elkaar gehuwd. Zij hebben vóór het sluiten van hun huwelijk de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk geregeld bij notariële akte van 15 oktober 1976. In de huwelijksvoorwaarden is voor zover thans van belang bepaald:

Artikel 1 lid 1: Tussen de echtgenoten zal geen enkel gemeenschap van goederen of schulden, welke ook bestaan.

Artikel 5.

1. Zolang de echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding voeren, zullen zij na afloop van elk jaar berekenen hetgeen van hun inkomsten in dat jaar, zo uit arbeid als uit vermogen na betaling der in het vorige artikel genoemde kosten der huishouding en belastingschulden, onverteerd is gebleven. Vervolgens zal de echtgenoot die blijkens de berekening het grootste restant heeft, zodanige uitkering aan de andere echtgenoot verplicht zijn te doen, dat beide echtgenoten ieder de helft bezitten van het in dat jaar onverteerd geblevene. Deze uitkering zal echter niet plaatsvinden aan een echtgenoot die het vrije beheer over zijn vermogen door welke oorzaak heeft verloren.

Aan deze bepaling is vóór de laatste zin de zinsnede toegevoegd:

Deze verrekening zal alleen plaatsvinden zodra beide echtgenoten daarover eens zijn. Bijvoeging goedgekeurd.

2. De echtgenoten kunnen op kortere termijnen, zoals per maand reeds voorlopige afrekeningen doen plaats vinden, vooruitlopende op de jaarlijkse afrekening als vorenbedoeld.

3. Indien niet is afgerekend in het jaar, volgend op dat waarin alle aanslagen van belastingen welke over het inkomen en het vermogen worden berekend, definitief zijn komen vast te staan zal geen aanspraak op verrekening meer kunnen worden gemaakt.

3.2 Bij de onder 1 genoemde beschikking van 16 september 2004 heeft de rechtbank echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal betalen € 3.900,- per maand en wel vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidingsbeschikking is op 10 januari 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3 Bij laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank voorts -voor zover thans van belang- iedere verdere beslissing omtrent het verzoek van de man om over te gaan tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap en omtrent het verzoek betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

3.4 De man heeft tegen voornoemde beschikking van 16 september 2004 hoger beroep ingesteld voor zover het de alimentatie betreft en de vrouw heeft incidenteel beroep ingesteld. Bij beschikking van 24 mei 2005 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- vernietigd en in zoverre opnieuw beschikkende bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 10 januari 2005 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 4.150,- per maand en met ingang van 1 september 2005 € 3.630,- per maand zal betalen.

3.5 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank partijen veroordeeld over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap met inachtneming van het geen in de beschikking onder 14 tot en met 26 is overwogen, de man veroordeeld om aan de vrouw € 110.002,44 te betalen, de vrouw veroordeeld om aan de man € 7.313,24 te betalen, de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 In haar eerste grief stelt de vrouw dat zij met betrekking tot de betekenis van de zin: “Deze verrekening zal alleen plaatsvinden zodra beide echtgenoten daarover eens zijn” heeft gedwaald. Zij verzoekt het hof de akte huwelijkse voorwaarden van 15 oktober 1976 in zoverre te vernietigen. De man werpt tegen dat deze actie van de vrouw is verjaard.

4.2 Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3:52 lid 1 onder c BW verjaart een rechtsvordering tot vernietiging op grond van dwaling drie jaar nadat de dwaling is ontdekt. De vrouw stelt wel dat zij eerst naar aanleiding van de uitleg van de rechtbank van voornoemde bepaling heeft ontdekt dat zij heeft gedwaald, zodat deze termijn nog niet is verstreken, maar hieraan staat de na te noemen bevrijdende verjaring in de weg. Een rechtsvordering verjaart ingevolge de algemene verjaringsbepaling van artikel 3:306 BW door verloop van twintig jaar, tenzij sprake is van een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:321 BW. Een beroep op vernietiging van de huwelijkse voorwaarden zou door verloop van twintig jaar dus op 15 oktober 1996 zijn verjaard. Op dat moment waren partijen echter niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten (artikel 3:321 lid 1 sub a BW), zodat destijds een grond voor verlenging bestond. De verjaringstermijn loopt op grond van artikel 3:320 BW in dat geval door totdat zes maanden na het verdwijnen van de verlengingsgrond zijn verstreken. In het onderhavige geschil is de verjaring in ieder geval voltooid zes maanden nadat de echtscheidingsbeschikking van 16 september 2004 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (10 januari 2005), dus 10 juli 2005. De vrouw heeft voor het eerst bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 oktober 2005, een beroep gedaan op vernietiging van de huwelijkse voorwaarden en niet is gesteld of gebleken dat zij vóór 10 juli 2005 buitengerechtelijk een beroep op vernietiging heeft gedaan. Het beroep van de man op verjaring slaagt. De eerste grief van de vrouw faalt reeds op het

voorgaande.

4.3 Ten aanzien van de tweede grief van de vrouw overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is in geschil of er alsnog aanleiding is voor verrekening van de onverteerd gebleven inkomsten uit arbeid en uit vermogen na betaling van de kosten van de huishouding en belastingschulden.

Voor de beantwoording van deze vraag komt het erop aan welke betekenis partijen redelijkerwijs aan de zinsnede “Deze verrekening zal alleen plaatsvinden zodra beide echtgenoten daarover eens zijn” mochten toekennen. Daarbij is van belang welke betekenis partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4 Daarbij is naar het oordeel van het hof het volgende van belang. Tussen partijen staat vast dat zij op advies van de ouders van de vrouw huwelijkse voorwaarden zouden aangaan en dat een notaris die bekend was met de familie van de vrouw een concept akte huwelijksvoorwaarden heeft opgesteld die partijen onder ogen kwam toen zij op 15 oktober 1976 bij de notaris waren voor het laten passeren van de akte huwelijkse voorwaarden. De man stelt dat hij toen heeft aangegeven dat hij bezwaar had tegen het voorgestelde verrekenbeding omdat ten gevolge daarvan het vermogen dat de vrouw van haar ouders zou ontvangen van haar privé zou blijven en niet in de verrekening zou worden betrokken terwijl de vrouw wel zou delen in het op te bouwen vermogen door de man. Hij was wel bereid in gemeenschap van goederen te trouwen. Teneinde uit de toen ontstane impasse te geraken heeft de notaris partijen voorgesteld de in 4.2 geciteerde zinsnede aan de tekst van artikel 5 van de akte huwelijksvoorwaarden toe te voegen. Daarmee was volgens de man duidelijk dat alleen tot verrekening zou worden overgegaan als beide partijen het daarover eens waren. De vrouw, die niet heeft betwist dat de man bezwaar heeft gemaakt tegen het verrekenbeding en dat de notaris toen heeft voorgesteld de genoemde zinsnede toe te voegen, stelt dat als naar de tekst van litigieuze zinsnede wordt gekeken en de context waarin deze in de akte is opgenomen niet anders kan worden geconcludeerd dan dat partijen hebben bedoeld tot verrekening te zullen overgaan op een door hen gekozen tijdstip. Het woord “zodra” duidt daarop. Als de lezing van de man wordt gevolgd, zou gekozen zijn voor het woord “indien”, aldus de vrouw. De vrouw stelt voorts dat haar ouders haar hebben geadviseerd op huwelijkse voorwaarden te trouwen om gevrijwaard te blijven van crediteuren als zich tijdens het huwelijk financiële problemen zouden voordoen. Dit betreft dus een externe werking en geen interne werking in de relatie tussen partijen.

4.5 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de verklaringen van partijen omtrent de totstandkoming, de betekenis van de zinsnede moet worden gezien in het licht van de bezwaren die de man had tegen het voorgestelde verrekenbeding. De vrouw heeft niet betwist dat partijen voorafgaand aan de ondertekening van de akte op 15 oktober 1976 geen concept-akte van de notaris hebben ontvangen en dat de betreffende zinsnede bij het voorlezen van de akte naar aanleiding van de door de man geuite bezwaren op voorstel van de notaris is toegevoegd. De verklaring van de man wordt bevestigd doordat uit de akte duidelijk blijkt dat deze zinsnede in de marge is toegevoegd. Dit maakt de uitleg van de man aannemelijk dat partijen bedoeld hebben dat zij alleen tot verrekening zouden overgaan als beide partijen dat zouden willen. Zou de zinsnede niet zijn toegevoegd, dan zou verrekening juist wel moeten plaatsvinden. Daar komt bij dat uit de gedragingen van partijen ten tijde van het huwelijk niet kan worden opgemaakt dat zij de intentie hebben gehad op enig moment tot verrekening over te gaan.

Indien de uitleg van de vrouw gevolgd zou worden dan zou het voor de hand hebben gelegen dat de vrouw op enig moment tijdens het huwelijk een verrekeningsvoorstel aan de man had gedaan. Zodanig voorstel heeft zij tijdens het huwelijk echter niet gedaan. Dat, zoals de vrouw stelt en de man betwist, partijen tijdens het huwelijk in afwijking van artikel 4 van de huwelijksvoorwaarden niet naar evenredigheid van hun inkomen hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding, maakt dit oordeel niet anders. Daar komt bij dat de vrouw ook geen terugbetaling van het gestelde teveel betaalde heeft gevorderd. Hierop stuit de tweede grief van de vrouw af.

4.6 Met de derde grief beroept de vrouw zich op artikel 6:23 BW. Dit artikel bepaalt dat wanneer de partij die bij de niet-vervulling belang had, de vervulling heeft belet, de voorwaarde als vervuld geldt, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen. De vrouw stelt dat gelet op de verhouding van partijen, waarbij de man tijdens het huwelijk in staat is gesteld carrière te maken als medisch specialist en de vrouw zich heeft bekommerd om de verzorging en opvoeding van de kinderen, de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat de man niet mag afzien van het instemmen met verrekening. Nu de tweede grief van de vrouw faalt, gaat de stelling van de vrouw dat de man de vervulling van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden heeft belet niet op. De vrouw legt de zinsnede aldus uit dat het een opschortende voorwaarde betreft. De zinsnede dient evenwel kennelijk zo te worden begrepen dat tot verrekening zal worden overgegaan als beide partijen daarmee instemmen. Uitgaande van deze lezing kan de man de vervulling van de zinsnede niet beletten in de zin van artikel 6:23 BW. Ook de derde grief faalt daarom.

4.7 In haar vierde grief stelt de vrouw dat gelet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid partijen tot verrekening dienen over te gaan, mede in aanmerking genomen de verhouding tussen partijen gedurende hun huwelijk van 28 jaar. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in de eerste plaats niet gesteld dat de tussen partijen geldende regel gegeven de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat van zodanige onaanvaardbaarheid sprake is. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 augustus 2005 baat de vrouw niet, omdat partijen in die zaak waren overeengekomen dat zij tot verrekening “kunnen” overgaan. Dat betreft daarom een ander geval dan het onderhavige. Dat er sprake is van een “machtsverschil”, zoals de vrouw stelt, is het hof niet gebleken. De man betaalt immers ingevolge de onder 3.4 genoemde beschikking van dit hof van 24 mei 2005 met ingang van 1 september 2005 partneralimentatie aan de vrouw van € 3.630,- per maand. Daarnaast heeft de vrouw in het begin van het huwelijk de basis kunnen leggen voor haar werk, zodat zij thans in staat is de opleiding tot verpleeghuisarts te volgen. In laatstgenoemde beschikking van het hof en de echtscheidingsbeschikking van 16 september 2004 is te lezen dat de man in 2002 over een vermogen beschikte van € 8.000,-. Hieruit blijkt dat partijen tijdens het huwelijk kennelijk het grootste deel van hun inkomen hebben opgesoupeerd, zodat aangenomen moet worden dat er niet veel onverteerd inkomen te verrekenen is overgebleven. De vierde grief faalt.

4.8 Voorts is de overwaarde van de echtelijke woning tussen partijen in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van die woning € 600.000,- bedraagt en de hypothecaire schuld € 295.000,- . Voorts hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 4 mei 2005 er overeenstemming over bereikt dat de inbreng van de vrouw ƒ 45.000,- (€ 20.420,11) bedraagt en die van de man € 62.575,-. In hoger beroep stelt de vrouw dat zij ten aanzien van de inbreng van de man heeft gedwaald en dat deze € 52.450,96 bedroeg. Bedoelde overeenstemming betreft echter een vaststellingsovereenkomst waarop de bepalingen van titel 15 van boek 7 BW betrekking hebben. Volgens vaste rechtspraak dient een beroep op dwaling in geval van een vaststellingsovereenkomst door de rechter met terughoudendheid te worden toegepast. Partijen kunnen in beginsel geen beroep doen op dwaling terzake van hetgeen waarover werd getwist of onzekerheid bestond (zie onder meer HR 15 november 1985, NJ 1986, 228). Uit de overgelegde stukken blijkt dat de inbreng van beide partijen in de aankoopsom van de woning partijen lang verdeeld heeft gehouden. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 mei 2005 zijn partijen het uiteindelijk eens geworden. Een beroep op dwaling gaat dan ook niet op. De vijfde grief van de vrouw faalt in zoverre.

De vijfde grief van de vrouw slaagt echter voor zover deze ertegen opkomt, dat de rechtbank de door de man te betalen bijdrage van € 20.420,11 niet in het dictum heeft opgenomen. Het gaat hier om een kennelijke omissie. Het hof zal dit bedrag alsnog in het dictum opnemen. Voorts slaagt de opmerking van de man dat de rechtbank een telfout heeft gemaakt en dat de helft van het restant van de overwaarde van de voormalig echtelijke woning € 111.002,44 bedraagt in plaats van € 110.002,44. In totaal dient de man de vrouw dus € 131.422,55 te betalen. Nu de vijfde grief van de vrouw, behoudens op een tweetal punten die niet de waardering van de echtelijke woning op zichzelf betreffen, niet opgaat, komt het hof aan de beoordeling van de tweede voorwaardelijke grief van de man niet toe.

4.9 Ten slotte twisten partijen over de verdeling van een aantal (inboedel)zaken waarvan niet is gebleken dat ze aan één van de echtgenoten toebehoren, zodat deze ingevolge artikel 3 lid 3 van de akte huwelijkse voorwaarden “geacht worden aan beiden tezamen toe te behoren in vrije mede-eigendom”, en over de waarde van een aantal van die zaken (grief zes van de vrouw en de derde grief van de man). Het hof stelt voorop dat indien een geheel gelijke verdeling in goederen niet mogelijk is, dit moet leiden tot vergoeding aan de andere partij van de helft van de waarde van de goederen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de (meer)waarde van de surfplank van € 300,-, van het schildersgerei van € 2.000,-, van de kastenwand van € 1.588,- , van de Engelse kast van € 5.899,14 (waarover hieronder meer) en van de pers € 3.215,94 niet gedeeld. In het hiernavolgende neemt het hof de gecorrigeerde bedragen in aanmerking. Voor zover de man in productie 3 en 4 in hoger beroep een andere waarde aan goederen toekent dan de rechtbank heeft gedaan welke afwijking hij niet nader heeft toegelicht in zijn memorie en/of die bijlagen passeert het hof deze waardering als onvoldoende feitelijk onderbouwd, tenzij in het onderstaande anders wordt geoordeeld.

4.10 Omtrent de volgende goederen, die in het bezit van de vrouw zijn en aan haar moeten worden toegedeeld, is de waarde en het te vergoeden bedrag, 50% hiervan, in hoger beroep niet in geschil:

- Miele wasmachine en droogtrommel (€ 2.200,-) € 1.100,-

- opklapbed (€ 480,-) € 240,-

- Henny de Jong meubel (€ 2.949,57) € 1.474,78

- keukenmessenset (€ 104,-) € 52,-

- waterkoker Porsche (€ 99,-) € 49,50

- Brabantia prullenbak (€ 127,-) € 63,50

- surfplank (meerwaarde € 300,-) € 150,-

- kastenwand (€ 1.588,-) € 794,-

4.11 Partijen twisten over de verdeling en de waarde van de zilveren cassette met 12-delig bestek. De vrouw heeft een taxatie laten maken die als productie 30 aan het beroepschrift is gehecht. De taxateur heeft de waarde vastgesteld op € 4.000,-. De man stelt primair dat hij de cassette tegen de vastgestelde waarde van € 4.000,- toegescheiden wenst te krijgen. Subsidiair stelt hij voor de inhoud van de cassette te delen. Nu onbetwist is dat partijen de cassette geschonken hebben gekregen en beiden deze toegescheiden wensen te krijgen, zal het hof bepalen dat de cassette bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden. Uit voornoemd taxatierapport blijkt dat de inhoud bij helfte is te delen, in aanmerking nemend dat het slacouvert uit twee delen bestaat. Het hof acht deze verdeling redelijk. Deze verdeling bij helfte kan dus met gesloten beurzen plaatsvinden.

4.12 Ten aanzien van de antieke Engelse kast stelt de vrouw dat deze buiten de verdeling gelaten dient te worden, nu zij deze heeft betaald met geld uit een schenking van haar ouders van ƒ 25.000,-, en haar in eigendom toebehoort. De vrouw biedt bewijs aan door haar broer als getuige te laten horen. In de door de vrouw overgelegde verklaring van haar broer (productie 7 bij brief van 22 april 2005 aan de rechtbank) is te lezen dat de vrouw ƒ 25.000,- heeft ontvangen van haar ouders en dat zij hiervoor onder andere de Engelse kast heeft gekocht. Het bewijsaanbod acht het hof onvoldoende specifiek, nu de schenking van ƒ 25.000,-, waarover de broer van de vrouw schrijft, niet in geschil is. Uit de verklaring blijkt niet op welke wijze de Engelse kast is gefinancierd. Hierover kunnen enkel partijen verklaren. Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw als onvoldoende feitelijk onderbouwd. De stelling van de man dat deze kast aan hem toegescheiden dient te worden, omdat hij hiervoor een groter bedrag heeft betaald dan de vrouw gaat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet op. Het hof stelt de waarde van de kast, die aan de vrouw zal worden toegescheiden, daarom evenals de rechtbank vast op € 5.899,14. Hiervan dient de vrouw 50%, dus € 2.949,57 aan de man te betalen.

4.13 Het hof stelt de waarde van de schilderijen van de kinderen die aan de vrouw zullen worden toegescheiden op nihil omdat de vrouw in hoger beroep onbestreden heeft gesteld dat de man één schilderij van de kinderen tezamen heeft, zodat het redelijk is de waarde van deze zaken tegen elkaar te laten wegvallen.

4.14 Ten aanzien van de aan de vrouw toe te scheiden eettafel met stoelen stelt de man dat deze nieuw waren, meteen na aankoop bij de vrouw zijn afgeleverd en € 5.500,- gekost hebben zodat deze zaken voor dat bedrag aan de vrouw moeten worden toegescheiden. De vrouw heeft een en ander noch bij haar brief van 26 april 2006 noch ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep betwist, zodat het hof het door de vrouw aan de man terzake deze zaken te betalen bedrag vaststelt op € 2.750,-.

4.15 De vrouw heeft haar stelling dat zij het aan haar toe te scheiden schildersgerei heeft betaald uit de opbrengst van schilderijen en uit schenkingen, gelet op de betwisting door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt. Nu de vrouw te dien aanzien geen specifiek bewijs heeft aangeboden, gaat het hof evenals de rechtbank uit van een waarde van € 2.000,-, zodat de vrouw terzake deze zaken € 1.000,- aan de man dient te betalen.

4.16 De stelling van de vrouw dat het kip en haan-servies buiten de verdeling dient te blijven, omdat dit een schenking aan haar betreft, gaat niet op. Aan de hierop betrekking hebbende verklaring van haar broer ontbreekt overtuigingskracht. De beslissing van de rechtbank in rov. 25 is dan ook juist en dient in stand te blijven. Voor alle duidelijkheid zal het hof die beslissing hieronder in 4.19 verwerken.

4.17 De navolgende zaken zijn in bezit van de man en dienen aan hem te worden toegescheiden, met vermelding van de waarde en het te vergoeden bedrag aan de vrouw:

- pers (€ 3.215,94) € 1.607,97

- keukentafel en stoeltjes (€ 726,-) € 363,-

- lampen (totaal € 1.497,-) € 748,50

- bank, tafel, groen stoeltje (totaal € 2.631,92) € 1.315,96

- tafel en stoelen serre (€ 6.352,92) € 3.176,46

- bankje riet (€ 181,52) € 90,76

- hometrainer (€ 272,27) € 136,13

- Sony serre (€ 408,40) € 204,20

4.18 Hieraan dienen te worden toegevoegd de waarde van het Porsche tosti-apparaat, diverse kristallen Riedelglazen en een analoge fotocamera van het merk Nikon met toebehoren. Het hof acht redelijk aan deze goederen een gezamenlijke waarde van € 300,- toe te kennen, zodat de man terzake de vrouw € 150,- moet betalen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de waarde van de analoge fotocamera wellicht niet meer groot is maar dat betekent nog niet dat alle toebehoren, waaronder lenzen, geen of weinig waarde meer zouden hebben.

4.19 Samengevat betekent dit dat de zesde grief van de vrouw en de derde grief van de man ten dele slagen en dat dit leidt tot de volgende berekening:

Toegedeeld zal worden aan de vrouw

- Miele wasmachine en droogtrommel (€ 2.200,-) € 1.100,-

- opklapbed (€ 480,-) € 240,-

- Henny de Jong meubel (€ 2.949,57) € 1.474,78

- keukenmessenset (€ 104,-) € 52,-

- waterkoker Porsche (€ 99,-) € 49,50

- Brabantia prullenbak (€ 127,-) € 63,50

- surfplank (meerwaarde € 300,-) € 150,-

- wandkast (€ 1.588,-) € 794,-

- antieke Engelse kast (€ 5.899,14) € 2.949,57

- eettafel en stoelen (€ 5.500,-) € 2.750,-

- schildersgerei (€ 2.000,-) € 1.000,-

en zonder verdere verrekening:

- helft van de 12-delige cassette

- schilderijen van de kinderen

- servies kip en haan

- pannenset vrouw

- groene kleed

- naaimachine

- lampen eet- en zitkamer vrouw

totaal € 10.623,35

Toegedeeld zal worden aan de man

- pers (€ 3.215,94) € 1.607,97

- keukentafel en stoeltjes (€ 726,-) € 363,-

- lampen (totaal € 1.497,-) € 748,50

- bank, tafel, groen stoeltje (totaal € 2.631,92) € 1.315,96

- tafel en stoelen serre (€ 6.352,92) € 3.176,46

- bankje riet (€ 181,52) € 90,76

- hometrainer (€ 272,27) € 136,13

- Sony serre (€ 408,40) € 204,20

- camera etc. (€ 300,-) € 150,-

en zonder verdere verrekening:

- de helft van de 12-delige cassette

- schilderij van de kinderen

- servies Edmee

- zitkamerkleed man

- pannenset man

- gereedschap

- lampen eet- en zitkamer man

Totaal € 7.792,98

De vrouw moet aan de man betalen € 10.623,35.

De man moet aan de vrouw betalen € 7.792,98,

zodat per saldo een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 2.830,37 resteert.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen voorzover dit betreft de verdeling van de gemeenschappelijke zaken onder 1 en de veroordelingen onder 2 en 3 van het dictum.

5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 28 juli 2005, voor zover voorzover dit betreft de beslissingen onder 1, 2 en 3 van het dictum, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de verdeling de gemeenschappelijke zaken van partijen vast zoals hiervoor in 4.19 omschreven;

veroordeelt de vrouw de helft van de zilveren 12-delige cassette aan de man af te geven en aan de man te betalen € 2.830,37;

veroordeelt de man om aan de vrouw € 131.422,55 te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Mens, Van Ginkel en Van den Dungen en is op 13 juni 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.