Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5403

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
01-08-2006
Zaaknummer
2005/692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat de met ingang van 1 januari 1999 gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waarvan de duur verstreek per 1 april 2000, met ingang van 1 april 2000 zonder tegenspraak is voortgezet, waardoor op grond van artikel 7:668 BW in de periode van 1 april 2000 tot 1 april 2001 en in de periode van 1 april 2001 tot 1 april 2002 een arbeidsovereenkomst voor ten hoogste een jaar heeft gegolden. [appellant]s eigen stellingen houden immers in, dat hij heeft ingestemd met het voorstel van Solidium met ingang van 1 april 2000 werkzaamheden bij een andere opdrachtgever van Solidium te gaan verrichten, te weten bij VVK te Woerden. Reeds om die reden is geen sprake van voortzetting van “de” arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die partijen met ingang van 1 januari 1999 voor de duur van het automatiseringsproject bij PwC zijn aangegaan. Dit betekent voorts dat tussen partijen niet met ingang van 1 januari 2002 op grond van artikel 7:668a lid 1 sub a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gaan gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2006

vijfde civiele kamer

rolnummer 2005/692

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr P.A.C. de Vries,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Solidium Software Development B.V.,

gevestigd te Culemborg,

geïntimeerde,

procureur: mr A.F. van Dam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel) van 6 november 2002, 3 september 2003 en 17 november 2004, gewezen tussen appellant (hierna te noemen: [appellant] ) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: Solidium) als gedaagde. Fotokopieën van deze vonnissen zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 16 februari 2005 Solidium aangezegd in hoger beroep te komen van de hiervoor genoemde vonnissen van 3 september 2003 (hierna: het tussenvonnis) en 17 november 2004 (hierna: het eindvonnis), met gelijktijdige dagvaarding van Solidium voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant], onder overlegging van producties, twee grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, zijn eis verminderd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Solidium in de proceskosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Solidium de grieven bestreden, bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep, althans de vonnissen waarvan beroep, al dan niet onder aanvulling van gronden, zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep.

2.4 Ten slotte hebben beide partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. In beide procesdossiers ontbreekt productie 6 bij de inleidende dagvaarding van [appellant].

3 De grieven

[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd:

Grief I

Ten onrechte overweegt de kantonrechter in zijn vonnis van 3 september 2003 in rechtsoverweging 2.6 dat hij als vaststaande feiten bij de beoordeling er vanuit gaat dat [appellant] aansluitend (vanaf 1 april 2000) door Solidium tewerk is gesteld bij NV Databank totdat ook dit project eindigde op 30 juni 2001.

Grief II

Ten onrechte heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen bij vonnis van 17 november 2004 op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.7 tot en met 2.12.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis in rechtsoverweging 2.2 tot en met 2.10 feiten vastgesteld. Met uitzondering van hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 2.6 van het tussenvonnis heeft vastgesteld, dat hierna bij de behandeling van de grieven aan de orde zal komen, zijn tegen deze vaststelling geen grieven gericht, zodat ook het hof in hoger beroep van deze feiten zal uitgaan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Het hof stelt voorop dat het hoger beroep mede kan dienen om eerder gemaakte fouten en vergissingen te herstellen. Van een appellant die bij memorie van grieven nieuwe stellingen aanvoert, daarbij gebruik makend van de gelegenheid tot verbetering en aanvulling van hetgeen hij in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten, kan niet worden gevergd dat hij een rechtvaardiging voor zijn (eerdere) verzuim geeft, zulks op straffe van terzijdestelling van zijn nieuwe stelling wegens strijd met een goede procesorde. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit wellicht anders zijn. Dit betekent dat het [appellant] in hoger beroep vrij staat nieuwe feiten, zoals vermeld in grief I, aan zijn vordering ten grondslag te leggen, ook al zijn deze inhoudelijk onverenigbaar met de feiten die hij ter onderbouwing van zijn vordering in eerste aanleg heeft gesteld. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. Dit wil niet zeggen dat het het hof niet vrijstaat bij zijn beoordeling met die eerder ingenomen standpunten en aangevoerde feiten rekening te houden.

5.2 [appellant] heeft in grief II uitdrukkelijk vermeld dat de kantonrechter ten onrechte zijn vorderingen heeft afgewezen op grond van hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 2.7 tot en met 2.12 van het eindvonnis heeft overwogen. Mede gelet op de door [appellant] onder 4 van zijn memorie van grieven gegeven toelichting op deze grief, is het hof van oordeel dat [appellant] met grief II voldoende duidelijk heeft gemaakt op welke gronden hij vernietiging van het eindvonnis wenst. Het hof verwerpt dan ook het verweer van Solidium dat [appellant], voor zover het grief II betreft, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

5.3 Gelet op de in de grieven I en II gebezigde bewoordingen en de toelichting op deze grieven leidt het hof af, dat in hoger beroep niet meer tussen partijen in geschil is dat de met ingang van 1 januari 1999 gesloten arbeidsovereenkomst voor de duur van het automatiseringsproject bij PwC te Amsterdam van rechtswege is geëindigd met ingang van 1 april 2000, vanwege het eindigen van dit project per die datum.

5.4 Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de volgende vragen:

- hebben partijen de in rechtsoverweging 5.3 vermelde, met ingang van 1 januari 1999 aangegane arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waarvan de duur verstreek per 1 april 2000, met ingang van die datum zonder tegenspraak voorgezet, waardoor a. op grond van artikel 7:668 BW in de periode van 1 april 2000 tot 1 april 2001 en in de periode van 1 april 2001 tot 1 april 2002 een arbeidsovereenkomst voor ten hoogste een jaar heeft gegolden en b. tussen partijen met ingang van 1 januari 2002 op grond van artikel 7:668a lid 1 sub a BW, vanwege de overschrijding van de in dat lid vermelde termijn van 36 maanden, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gaan gelden?

- is tussen partijen met ingang van 1 april 2000 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gaan gelden, op grond dat vanaf die datum geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege is geëindigd per 1 juli 2001?

5.5 Solidium heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vorderingen van [appellant] zijn verjaard. Volgens Solidium heeft [appellant] niet tijdig, binnen de in artikel 7:683 BW vermelde termijn, de in artikel 7:677 lid 4 jo artikel 7:680 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek vermelde gefixeerde schadevergoeding als gevolg van onregelmatige opzegging gevorderd. Ook heeft [appellant] volgens Solidium nagelaten tijdig, binnen de in artikel 9 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (hierna: BBA) vermelde termijn, een beroep te doen op de vernietigbaarheid van de opzegging op 4 april 2002. Op deze datum heeft Solidium [appellant], voor zover nodig, op staande voet ontslagen. Het hof overweegt het volgende.

5.6 Anders dan Solidium heeft aangevoerd, heeft zij het dienstverband met [appellant] niet opgezegd. Solidium heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat partijen met ingang van 1 april 2000 een arbeidsovereenkomst voor de duur van een project bij de Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland te Woerden (hierna: VVK), rechtsopvolger van N.V. Databank Kamers van Koophandel en Fabrieken te Woerden, zijn aangegaan, en dat die arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2001, omdat het project op die datum is geëindigd. De mededeling van Solidium aan [appellant] in april 2001, dat het project bij VVK zou aflopen, dient slechts te worden aangemerkt als een waarschuwing, dat het dienstverband op 30 juni 2001 zou eindigen. Van een eventuele verjaring op grond van artikel 7:683 BW kan dan ook geen sprake zijn.

5.7 Tegen rechtsoverweging 2.10 van het tussenvonnis, inhoudend dat [appellant], nadat hij op 4 april 2002 door Solidium, voor zover nodig, op staande voet is ontslagen, diezelfde dag de vernietigbaarheid van dit ontslag heeft ingeroepen, is geen grief gericht. Gelet hierop heeft [appellant] tijdig, binnen de in artikel 9 BBA vermelde termijn, een beroep gedaan op deze vernietigingsgrond. Niet is vereist dat [appellant] een zelfstandige rechtsvordering, die betrekking heeft op dit aan hem gegeven ontslag, heeft ingesteld. Overigens heeft [appellant] in zijn inleidende dagvaarding onder C het door Solidium aan hem verschuldigde loon gevorderd vanaf 1 maart 2002 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd. Van enige verjaring op dit punt is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

5.8 Solidium heeft voorts als verweer aangevoerd dat [appellant] zijn rechten heeft verwerkt de onderhavige vorderingen geldend te maken, aangezien [appellant] vanaf 1 juli 2001 niet meer heeft gewerkt voor Solidium en hij zich pas in januari 2002 op het standpunt heeft gesteld dat hij nog (voor onbepaalde tijd) in dienst was van Solidium.

5.9 Wil een beroep op rechtsverwerking kunnen slagen, is enkel tijdsverloop niet voldoende. Vereist is daartoe de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

5.10 Solidium heeft zich slechts er op beroepen dat [appellant] te lang heeft gewacht alvorens zijn aanspraken kenbaar te maken. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.10 is overwogen is deze omstandigheid onvoldoende om het beroep van Solidium op rechtsverwerking te honoreren. Solidium heeft geen (andere) feiten en omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat het beroep op rechtsverwerking wel zou moeten worden gehonoreerd. Het hof verwerpt dit verweer dan ook.

5.11 De kantonrechter heeft in het eindvonnis -kortweg gezegd- beslist dat partijen op 23 november 1998 niet een zogenaamde freelance-overeenkomst zijn aangegaan, waarbij het risico van leegloop bij [appellant] zou liggen. Het hof verenigt zich met dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende motivering, zoals vermeld in rechtsoverweging 2.3 tot en met 2.6 van dat vonnis. Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat, gelet op de afgelegde getuigenverklaringen, niet is komen vast te staan dat [appellant] bewust was van de gevolgen van een dergelijke freelance-overeenkomst en evenmin dat Solidium zich daarvan heeft vergewist.

5.12 Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat de met ingang van 1 januari 1999 gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waarvan de duur verstreek per 1 april 2000, met ingang van 1 april 2000 zonder tegenspraak is voortgezet, waardoor op grond van artikel 7:668 BW in de periode van 1 april 2000 tot 1 april 2001 en in de periode van 1 april 2001 tot 1 april 2002 een arbeidsovereenkomst voor ten hoogste een jaar heeft gegolden. [appellant]s eigen stellingen houden immers in, dat hij heeft ingestemd met het voorstel van Solidium met ingang van 1 april 2000 werkzaamheden bij een andere opdrachtgever van Solidium te gaan verrichten, te weten bij VVK te Woerden. Reeds om die reden is geen sprake van voortzetting van “de” arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die partijen met ingang van 1 januari 1999 voor de duur van het automatiseringsproject bij PwC zijn aangegaan. Dit betekent voorts dat tussen partijen niet met ingang van 1 januari 2002 op grond van artikel 7:668a lid 1 sub a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gaan gelden.

5.13 [appellant] heeft in de laatste alinea van 4.2 van zijn memorie van grieven aangevoerd dat, voor zover het hof zou oordelen dat artikel 7:668 BW niet van toepassing is, tussen partijen met ingang van 1 april 2000 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gaan gelden, aangezien partijen niet hebben beoogd de voorzetting van de arbeidsovereenkomst na 1 april 2000 in tijd te beperken en niet is gebleken dat zij met ingang van die datum een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan, die van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2001. Solidium heeft dit uitgangspunt in haar memorie van antwoord niet, althans onvoldoende bestreden. Wel heeft zij haar standpunt herhaald dat partijen met ingang van 1 april 2000 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor de duur van een project bij VVK te Woerden, zijn aangegaan, die van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2001, omdat het project bij VVK op die datum is geëindigd.

5.14 De kantonrechter heeft Solidium in het tussenvonnis toegelaten te bewijzen dat partijen met ingang van 1 april 2000 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor de duur van een project bij VVK te Woerden, zijn aangegaan, die van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2001, omdat op die datum het project is geëindigd. Nadat getuigen aan de zijde van beide partijen zijn gehoord, heeft de kantonrechter in het eindvonnis geoordeeld dat Solidium het aan haar opgedragen bewijs heeft geleverd. Met de tweede grief klaagt [appellant] niet alleen over de bewijswaardering door de kantonrechter in het eindvonnis, maar ook over het feit dat de kantonrechter bij zijn oordeel ten onrechte heeft aangenomen dat het project bij VVK op 30 juni 2001 is geëindigd. Ook grief I heeft op dit laatste punt betrekking. In dat verband heeft [appellant] voorts aangevoerd dat in de periode van 1 april 2000 tot 1 juli 2001 bij VVK geen sprake is geweest van een bepaald project.

5.15 De inhoud van de getuigenverklaringen is van dien aard dat het hof de in eerste aanleg gehoorde getuigen wenst te horen. Dit betekent dat Solidium, gelet op het door haar gedane bewijsaanbod, zal worden toegelaten (nader) bewijs te leveren, zoals hierna in het dictum te vermelden. Bij deze bewijsopdracht zullen tevens de in rechtsoverweging 5.15 vermelde “nieuwe” stellingen van [appellant] worden betrokken.

5.16 Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat Solidium toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] met ingang van 1 april 2000 bij VVK zou worden tewerkgesteld voor de duur van een specifiek project aldaar en dat dit project, onafhankelijk van de subjectieve wil van een van de partijen, op 30 juni 2001 is geëindigd;

bepaalt dat, indien Solidium dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr E.B. Knottnerus, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem en wel op dinsdag 15 augustus 2006 te 9.00 uur;

bepaalt dat voor deze zitting in beginsel twee dagdelen (van maximaal 2,5 uur per dagdeel) beschikbaar zijn en dat partijen zich erop moeten voorbereiden dat aan het einde van deze zitting een datum voor een nieuwe zitting zal worden bepaald voor voortzetting (of tegen)getuigenverhoor en/of aansluitende comparitie;

bepaalt dat de procureur alleen in geval van dringende verhindering tot twee weken na heden uitsluitend schriftelijk aanhouding kan verzoeken met vermelding van die dringende reden van verhindering en onder opgave van verhinderdata van beide partijen (en/of getuigen) en dat aanhoudingsverzoeken na die datum in beginsel niet worden toegestaan;

bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat Solidium het aantal, de namen en de woonplaats van de voor te brengen getuigen uiterlijk een week voor de zitting dient op te geven, ambtshalve peremptoir, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de wederpartij;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Knottnerus, Korthals Altes en Groefsema, in afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr Korthals Altes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2006.