Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5397

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
01-08-2006
Zaaknummer
2006/376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van de door [appellant] gegeven lezing van het gebeurde en stelt voorop dat [appellant] tot tweemaal toe, op tijdstippen die geruime tijd uit elkaar zijn gelegen, onverplicht een aanzienlijke en voor hem zeer nadelige schuld is aangegaan. Bij zijn oordeel acht het hof van belang dat [appellant], hoewel hij stelt dat deze schuld onder invloed van dwaling is ontstaan, heeft nagelaten daartegen rechtsmaatregelen te treffen. Nu blijkens de stukken en de verklaringen van [appellant] ter terechtzitting de overige schulden met name door het aangaan van deze schuld en het daarop volgende loonbeslag zijn ontstaan, is het hof van oordeel dat [appellant] ook niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan, althans het onbetaald laten van die andere schulden. [appellant] had maatregelen kunnen en moeten treffen teneinde het gelegde loonbeslag ongedaan te maken, zodat hij voort had kunnen gaan met het betalen van zijn overige schulden en het ontstaan van nieuwe schulden had kunnen voorkomen. Nu de desbetreffende schulden een substantieel deel uitmaken van de totale schuldenlast en recent zijn ontstaan, kan [appellant] niet worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juni 2006

eerste civiele kamer

rekestnummer 2006/376

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 De rechtbank te Almelo heeft appellant (hierna te noemen: [appellant]) bij vonnis van 14 maart 2006 in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden.

1.2 Bij vonnis van 11 april 2006 heeft de rechtbank te Almelo het verzoek van [appellant] te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling vervolgens afgewezen.

1.3 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 19 april 2006 per gewone post ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 17 en 18 mei 2006 van de procureur.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2006, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. P.W.E. Hoezen, advocaat te Hengelo.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 [appellant] stelt dat met name de schuld aan [A.] van thans nog ongeveer € 17.000,- hem in financiële moeilijkheden heeft gebracht en dat het ontstaan van deze schuld niet aan hem kan worden verweten. [appellant] heeft lange tijd een relatie gehad met [B.], ten behoeve van wie hij op 6 juni 2003 in een opwelling een schuldbekentenis heeft getekend tot een bedrag van € 35.000,-, aan haar te voldoen bij het eindigen van hun relatie. Dat bedrag is volgens [appellant] zomaar gekozen. Vanwege relatieproblemen, persoonlijke (psychische) problemen van [appellant] en ernstige ziekte van [B.], zijn zij eind 2004 overgegaan tot verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen. Daarbij is [A.] opgetreden als zaakwaarnemer van [B.]. [appellant] stelt dat hij onder druk en onder invloed van zijn psychische problemen heeft ingestemd met de in een notariële akte van 20 december 2004 voorgestelde verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, waarin voornoemde schuldbekentenis is omgezet in een rentedragende geldlening van € 40.000,-. Na het overlijden van [B.] is [appellant] dat geld verschuldigd geworden aan haar enig erfgenaam [A.]. [appellant] stelt dat hij zowel ten tijde van het opstellen van de schuldbekentenis als ten tijde van de verdeling van het vermogen, ernstig depressief was, waardoor gevolgen van zijn handelen voor hem niet waren te voorzien. De overige schulden, behalve de schuld aan de Postbank, zijn met name ontstaan doordat [A.] in februari 2005 loonbeslag heeft gelegd op zijn inkomen.

3.3 Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van de door [appellant] gegeven lezing van het gebeurde en stelt voorop dat [appellant] tot tweemaal toe, op tijdstippen die geruime tijd uit elkaar zijn gelegen, onverplicht een aanzienlijke en voor hem zeer nadelige schuld is aangegaan. Bij zijn oordeel acht het hof van belang dat [appellant], hoewel hij stelt dat deze schuld onder invloed van dwaling is ontstaan, heeft nagelaten daartegen rechtsmaatregelen te treffen. Nu blijkens de stukken en de verklaringen van [appellant] ter terechtzitting de overige schulden met name door het aangaan van deze schuld en het daarop volgende loonbeslag zijn ontstaan, is het hof van oordeel dat [appellant] ook niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan, althans het onbetaald laten van die andere schulden. [appellant] had maatregelen kunnen en moeten treffen teneinde het gelegde loonbeslag ongedaan te maken, zodat hij voort had kunnen gaan met het betalen van zijn overige schulden en het ontstaan van nieuwe schulden had kunnen voorkomen. Nu de desbetreffende schulden een substantieel deel uitmaken van de totale schuldenlast en recent zijn ontstaan, kan [appellant] niet worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.4 Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het hoger beroep van [appellant] faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is onvoldoende gebleken.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 11 april 2006.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Pol, Van der Kwaak en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2006.