Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY5102

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-05-2006
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
2005/746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het onderhavige hoger beroep betreft, hoofdzakelijk en kort weergegeven, de volgende kwestie. [appellante] heeft in eerste aanleg in conventie vastlegging gevorderd van diverse mondelinge pachtovereenkomsten die met haar -inmiddels overleden- vader zouden zijn gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 mei 2006

pachtkamer

rolnummer 2005/746 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

principaal appellante, incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. W.D. Huizinga,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

principaal geïntimeerde,

procureur: mr. J.H. van Vliet,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats],

principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten,

procureur: mr. A.F. van Dam.

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden heeft op 15 maart 2005 en 31 mei 2005 vonnissen gewezen tussen principaal appellante (verder te noemen: [appellante]) als eiseres in conventie, verweerster in (deels voorwaardelijke) reconventie enerzijds en principaal geïntimeerden (verder ook gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden], geïntimeerden nrs. 2 t/m 4 ook wel te noemen [geïntimeerden sub 2 t/m 4] en geïntimeerde nr. 1 ook wel te noemen [geïntimeerde sub 1]) als gedaagden in conventie, eisers in (deels voorwaardelijke) reconventie anderzijds. Van het vonnis van 31 mei 2005 is een afschrift aan dit arrest gehecht. Naar dat vonnis wordt voor zover nodig verwezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploten van 30 juni 2005 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het onder 1 bedoelde vonnis van 31 mei 2005 met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen voor zover de vorderingen van [appellante] niet volledig zijn toegewezen en opnieuw recht doende de vorderingen van [appellante] alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

2.3 [geïntimeerde sub 1] heeft bij memorie van antwoord de grieven van [appellante] bestreden en heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis eventueel met verbetering van gronden zal bekrachtigen, één en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in appèl.

2.4 [geïntimeerden sub 2 t/m 4] hebben eveneens bij memorie van antwoord verweer gevoerd onder aanbieding van bewijs. Daarnaast hebben zij onder aanvoering van één grief tegen het vonnis voorwaardelijk incidenteel appèl ingesteld. Zij hebben in het principaal appèl geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zo nodig met verbetering van de gronden waarop het rust zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties. In het voorwaardelijk incidenteel appèl hebben zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt:) het vonnis zal vernietigen voor zover daarbij hun (voorwaardelijke) vordering terzake de ontbinding van de pachtovereenkomst betreffende de percelen waarvan door [appellante] de schriftelijke vastlegging is gevorderd, is afgewezen en deze (voorwaardelijke) vordering met uitzondering van het perceel kadastraal bekend gemeente [...], nr. 197, alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

2.5 [appellante] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl verweer gevoerd, heeft bewijs aangeboden en heeft één nieuwe productie overgelegd, een en ander met conclusie dat het hof [geïntimeerden sub 2 t/m 4] in het incidenteel appèl niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel dit als ongegrond zal afwijzen met bevestiging van het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en met veroordeling van [geïntimeerden sub 2 t/m 4] in de kosten van beide instanties.

2.6 Hierna hebben partijen hun procesdossiers aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tegen de in eerste aanleg gegeven vaststelling van feiten zijn geen grieven gericht of bezwaren geuit. Derhalve gaat ook het hof uit van de volgende feiten.

3.2 Partijen zijn de erfgenamen van [A.], overleden op 13 april 2001, en [B.], overleden op 10 oktober 1999. Tot de nalatenschap behoren percelen grasland, kadastraal bekend gemeente [...], nummers 197, 550, 551, 924, 927, 1095, 1097, 1217, 1218, 1409, 185, 198, 199, 203, 1219, 1222, 1456, 1457, 1458, 1459 en 1461.

3.3 Bij door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst van 9 augustus 1984 heeft [A.] aan [appellante] verpacht de melkstal alsmede enige percelen weiland, kadastraal bekend gemeente [...], nummers 1217, 550, 1218, 198 en 199 met een gezamenlijke grootte van 16.24.40 ha.

3.4 In april 1999 heeft [A.] met [C.] een overeenkomst gesloten waarbij laatstgenoemde de percelen 1219 en 1458 tegen betaling in gebruik kreeg.

3.5 Op 9 maart 2002 zijn de hiervoor vermelde onroerende zaken getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt onder meer: “(..) Waarbij ten overvloede nogmaals gewezen wordt op het onverlet aanwezig zijn van overige (mondelinge) pachtrechten van de pachtster [appellante]. Zulks met betrekking tot onder meer de eerder genoemde opstallen [adres] met erf en ondergronden alsmede enige weilanden aldaar. (..)”.

3.6 [appellante] beschikt over een melkquotum van 146.630 kilogram met een vetpercentage van 4,21%.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het onderhavige hoger beroep betreft, hoofdzakelijk en kort weergegeven, de volgende kwestie. [appellante] heeft in eerste aanleg in conventie vastlegging gevorderd van diverse mondelinge pachtovereenkomsten die met haar vader zouden zijn gesloten. De pachtkamer in eerste aanleg heeft alleen een pachtovereenkomst vastgelegd ter zake van perceel 197 ter grootte van 3.71.00 ha voor de duur van zes jaren, ingaande op 5 maart 1985 tegen een pachtprijs van f 1.078,18 per ha per jaar tot 5 maart 1992 en vanaf die datum voor een pachtprijs van f 750,-- per ha per jaar en heeft het meer of anders in conventie gevorderde afgewezen. [appellante] beoogt in hoger beroep tevens vastlegging te verkrijgen van pachtovereenkomsten ter zake van:

a) een boerderij, bestaande uit woongedeelte, stal, schuurtje en erf (groot 00.52.00 ha) met enige percelen weiland (groot 00.73.00 ha), kadastraal bekend gemeente [...], nr. 1456 (ged.) alsmede het perceel weiland kadastraal bekend gemeente [...], nr. 1599, groot 1.58.10 ha, ingaande 5 maart 1995 voor een gezamenlijke pachtprijs van f 1.100,-- per jaar;

b) de percelen weiland kadastraal bekend gemeente [...], nrs. 1219 en 1458, samen groot 10.48.40 ha, ingaande 5 maart 1999 voor een pachtprijs van f 750,-- per ha per jaar;

c) de percelen weiland kadastraal bekend gemeente [...], nrs. 203 en 1222, samen groot 10.78.60 ha, ingaande 1 juli 2001 voor een gezamenlijke pachtprijs van f 250,-- per ha jaar;

een en ander inclusief

d) de percelen weiland kadastraal bekend gemeente [...], nr. 1459 groot 1.44.80 ha en 1456 (ged.) groot 00.50.00 ha, ingaande 5 maart 2002

en vanaf die datum voor een gezamenlijke pachtprijs van € 7.046,30 voor het geheel (inclusief de percelen waarvan de pachtkamer in eerste aanleg de vordering heeft toegewezen).

In voorwaardelijk incidenteel appèl vorderen [geïntimeerden sub 2 t/m 4] ontbinding van de eventueel in hoger beroep nader vast te leggen pachtovereenkomsten.

4.2 De pachtkamer in eerste aanleg heeft het bestaan van pachtovereenkomsten ten aanzien van de hierboven onder a) t/m d) bedoelde percelen onvoldoende aannemelijk geacht. In de motivering van dat oordeel is onder meer gewezen op de verklaringen van partijen ter comparitie, waaruit kan worden afgeleid dat [A.] nimmer met verpachting heeft ingestemd, op het voornemen van [A.] om zijn bedrijf aan derden te verkopen, op het feit dat de percelen 1219 en 1458 in april 1999 aan een derde zijn verpacht en op de houding van [appellante] zelf. In haar bestrijding van dit oordeel voert [appellante] aan dat [A.] weliswaar wilde overgaan tot verkoop van de percelen, maar ze aan haar tegen betaling in gebruik heeft gegeven toen hij geen koper kon vinden. Het door haar gebruikte areaal nam toe naarmate derden niet meer van [A.] wilden pachten. Voor zover [appellante] in het overzicht gewaspercelen deze percelen niet als gepacht heeft opgegeven, vindt dit zijn oorzaak in haar veronderstelling dat alleen door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomsten dienden te worden opgegeven.

4.3 [appellante] betoogt op zichzelf terecht, dat het voor de vraag of van pachtovereenkomsten sprake is niet ter zake doet of [A.] de gevolgen van verpachting niet heeft gewenst, maar dat het erop aankomt of wilsovereenstemming ten aanzien van de essentialia van de pachtovereenkomst(en) heeft bestaan. Het hof leest in de overwegingen van het vonnis in eerste aanleg echter niet dat de pachtrechter in eerste aanleg een ander criterium heeft willen aanleggen. Die rechter heeft kennelijk uit de wens van [A.] om zijn bedrijf te verkopen afgeleid dat wilsovereenstemming over (de essentialia van) pacht niet voor de hand ligt. Voor het overige begrijpt het hof het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg aldus, dat [appellante] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal dit oordeel opnieuw bezien. Daarbij dient tot uitgangspunt dat niet alleen overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast, maar ook de stelplicht ten aanzien van het bestaan van een pachtovereenkomst rust op diegene die zich op de rechtsgevolgen van die pachtovereenkomst beroept, zijnde in dit geval [appellante].

4.4 [appellante] heeft haar standpunt over pacht vooral onderbouwd met het overleggen van betalingsbewijzen (bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie) zonder toelichting. Het hof zal hieronder op die betalingsbewijzen ingaan. Vooraf wordt daarbij gewezen op het volgende:

i) Voor het onderhavige hoger beroep is slechts de periode vanaf 1995 van belang.

ii) Nu [appellante] zich beroept op overeenkomsten gesloten met haar vader, zijn vooral de betalingen betreffende de periode vóór diens overlijden van belang.

iii) Op grond van de onder 3.3 bedoelde pachtovereenkomst betaalde [appellante] een (sinds 1984 kennelijk niet verhoogde) jaarlijkse pachtprijs van f 9.562,--. Kennelijk is ook na de invoering van het stelsel van verhogingen van rechtswege in 1995 steeds die prijs betaald.

iv) In verband met de in hoger beroep vaststaande beslissing van de pachtkamer in eerste aanleg dient tot uitgangspunt dat [appellante] in verband met pacht van perceel 197 vanaf 5 maart 1995 een jaarlijkse pachtprijs van (3.71 x f 750,-- =) f 2.782,50 verschuldigd was. Uit de betalingsbewijzen, waarop hieronder in rechtsoverweging 4.5 nader wordt ingegaan, lijkt echter te volgen dat aanvankelijk f 4.000,-- en vanaf 1993 f 2.770,-- voor dat perceel is betaald.

v) Waar in de volgende rechtsoverweging wordt verwezen naar producties betreft het de producties overgelegd bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie tenzij anders is aangegeven.

4.5 Over de jaren 1995 en 1996 is alleen gebleken van betaling in augustus 1997 van een bedrag van f 14.966 met omschrijving “huur 1996 1995” 14.966,-- (productie 12). Het hof kan dit niet gespecificeerde bedrag niet in verband brengen met de door [appellante] gepretendeerde pachtovereenkomsten. De verplichtingen uit de schriftelijke pachtovereenkomst over deze twee jaren waren hoger dan het betaalde bedrag. Indien die schriftelijke pachtovereenkomst buiten beschouwing zou worden gelaten zou – uitgaande van een betaling van f 2.782,50 per jaar voor perceel 197 – een bedrag van f 4.700,50 per jaar resteren. Indien wordt uitgegaan van de verschuldigdheid van het in het volgende tekstblok bedoelde bedrag van f 2.770.—voor dat perceel is dat bedrag f 4.713,--. Zonder toelichting, die ontbreekt, blijkt niet van enig verband met de door [appellante] gepretendeerde verdere betalingsverplichting van f 1.100,-- per jaar.

Over het jaar 1997 is gebleken van betalingen van f 2.000,-- wegens “grasgewas juli 1997” (productie 12) en f 12.332,-- wegens “huur en grasgewas” (de bij productie 13 gevoegde nota). Het bedrag van f 12.332,-- stemt geheel overeen met het over 1991 (“pacht”), 1992 (“pacht-huur 92”), 1993 (“huur”) en 1994 (“huur”) betaalde bedrag. Uit productie 9 lijkt te volgen dat het surplus boven de pachtprijs voor de schriftelijke overeenkomst, zijnde f 2.770,--, was bedoeld voor “10 pdm”. Het bedrag stemt redelijk overeen met de betalingsverplichting voor perceel 197 ad f 2.782,50. Het oppervlak van perceel 197 is ook ongeveer 10 pondemaat. Van enig verband met een andere pachtovereenkomst blijkt niet. Zo’n verband blijkt evenmin bij het bedrag van f 2.000,-- wegens “grasgewas juli 1997”, dat niet voorkomt op overgelegde specificaties van 1995 of 1996. De aanduiding “grasgewas juli 1997” wijst bovendien eerder op een éénmalige grasverkoop dan op een pachtbetaling.

Over het jaar 1998 is gebleken van een betaling van f 15.432,-- wegens “huur en rente 1998” (productie 14). Uit een bijgevoegde nota volgt dat een bedrag van f 12.332,-- wegens huur en een bedrag van f 1.100,-- voor “Achter het gemaal” is bestemd. Voor het bedrag van f 12.332,-- verwijst het hof naar hetgeen ten aanzien van het jaar 1997 is overwogen. Wat betreft het bedrag van f 1.100,-- constateert het hof, dat dit overeenstemt met het bedrag dat volgens [appellante] is overeengekomen als pachtprijs voor de percelen 1456 (ged.) en 1599. Een bewijs van betaling van dat bedrag in eerdere jaren ontbreekt echter.

Over het jaar 1999 is in december van dat jaar een bedrag van f 12.344,-- betaald wegens “pacht 1999” (productie 15). Een specificatie van het bedrag ontbreekt. Het bedrag stemt nagenoeg overeen met de betalingsverplichting ter zake van de schriftelijke pachtovereenkomst en het perceel 197.

Over het jaar 2000 is in januari 2001 een bedrag van f 15.012,-- overgemaakt met de aanduiding “pacht + rente 2000” (productie 16). Uit de bijgevoegde nota volgt dat de betaling voor een bedrag van f 9.562,-- betrekking had op de schriftelijke pachtovereenkomst. De nota vermeldt voorts (voor zover het hof die juist leest) dat het restantbedrag van f 5.450,-- was bestemd “Voor de negene achter het gemaal en rente”. Een bestemming van f 1.100,-- voor pacht “achter het gemaal” (naast de betaling voor perceel 197) is hiermee verenigbaar.

Over het jaar 2001 is in september 2002 een bedrag van € 11.316,46 betaald aan de erven wegens “pacht + huur + rente 2001” (productie 17). Bij productie 17 is een specificatie gevoegd waaruit volgt dat de betaling betrekking heeft op het gebruik van alle percelen ten aanzien waarvan in deze procedure vastlegging van pachtovereenkomsten wordt gevorderd. De betaling is echter verricht geruime tijd na het overlijden van [A.], zodat daaruit geen aanwijzing kan worden geput voor wilsovereenstemming over een gezamenlijke pachtprijs van die hoogte vóór diens overlijden. Het hof wijst er daarbij op, dat in eerdere jaren aanzienlijk minder is betaald. Hierbij komt nog, dat de specificatie – anders dan de specificatie bij eerdere jaren – niet het uiterlijk van een kwitantie of nota heeft. Ook heeft [appellante] niet gesteld dat deze specificatie aan de overige erfgenamen is toegezonden. Voor zover [appellante] mocht willen betogen dat de overige erfgenamen de betaling in ontvangst hebben genomen volgt daaruit niet dat zij hebben beseft dat [appellante] de betaling van pacht beoogde. Het hof wijst daarbij op de als productie 20 bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie in het geding gebrachte aanmaning, waaruit volgt dat de gezamenlijke erfgenamen een vordering van (in hoofdsom) € 10.886,19 op [appellante] pretendeerden. Van dat bedrag had € 6.547,14 betrekking op gebruik van “grond met grondgebruikersverklaring” en niet is duidelijk dat hiermee werd gedoeld op voortzetting van een rechtsverhouding met [A.] in plaats van op – zoals [geïntimeerde sub 1] aangeeft in haar conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie aan het slot van nr. 1 en [appellante] ten aanzien van de percelen 1219, 1458, 203, 1222, 1459 en 1456 ook zelf heeft gesuggereerd ter comparitie in eerste aanleg – beheersregelingen tussen de deelgenoten in de zin van art. 168 lid 2 jo. 169 BW. Dergelijke beheersregelingen kunnen in beginsel niet als pachtovereenkomsten worden beschouwd (HR 3 april 1968, NJ 1968, 294 en 26 januari 1996, NJ 1996, 366 alsmede het arrest van dit hof van 8 januari 1990, Agrarisch Recht 1991, 4428). Bovendien wijkt dat bedrag af van het bedrag dat [appellante] als verschuldigde pachtprijs voor de desbetreffende percelen noemt.

Wat betreft de jaren na 2001 geldt hetgeen hierboven is overwogen omtrent beheersregelingen eveneens.

4.6 Alle betalingen overziende is het hof van oordeel, dat daarin onvoldoende steun voor het bestaan van de door [appellante] gestelde pachtovereenkomsten kan worden gevonden. Hoogstens is steun te vinden voor pachtbetalingen ten aanzien van een perceel of meerdere percelen “achter het gemaal” voor een bedrag van f 1.100,-- in de jaren 1998 en 2000. Dat sprake is geweest van meer dan twee (beëindigde) overeenkomsten voor de duur van één jaar volgt daaruit echter niet. Dat geldt ook voor het jaar 2000, nu [A.] is overleden in het voorjaar van 2001 en het gebruik nadien evenzeer grondslag kan vinden in een beheersregeling tussen de deelgenoten. Een aanwijzing tegen de (gestelde) bereidheid van [A.] tot ingebruikgeving voor langere duur is te vinden in diverse overgelegde nota’s voor – kennelijk kortdurende – ingebruikgeving van een “pinkenweide” (al dan niet met een genoemd aantal pinken) die niet in de vastleggingsvordering zijn begrepen.

4.7 [appellante] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl nog een door [A.] ondertekende grondgebruikersverklaring ter zake van gebruik door [appellante] van de percelen 1219 en 1458 in 1999 overgelegd. Nu onvoldoende is onderbouwd dat voor het gebruik van die percelen een tegenprestatie is overeengekomen, kan deze productie niet meebrengen dat ten aanzien van deze percelen pacht wordt aangenomen.

4.8 Voor het overige overweegt het hof dat [appellante] ook niets concreets heeft aangegeven over het moment waarop en de omstandigheden waaronder wilsovereenstemming is bereikt over de kenmerkende elementen van de diverse pachtovereenkomsten. Dit klemt vooral bij de overeenkomsten waarvan vastlegging met ingang van 2001 en 2002 is gevorderd, nu deze zijn ingegaan na het overlijden van haar vader en dan niet zonder meer tot uitgangspunt kan dienen dat deze met hem zouden zijn gesloten. Ook voor de beweerdelijk eerder gesloten overeenkomsten geldt echter, dat deze – zeker gelet op het feit dat [A.] zijn grond niet voor langere tijd uit handen wilde geven – beter onderbouwd hadden moeten worden gesteld dan is geschied. Het hof wijst er daarbij op dat pas na het overlijden van [A.] een beroep is gedaan op met hem gesloten overeenkomsten, dat de overige erfgenamen niet meer de mogelijkheid hebben om een en ander bij hem te verifiëren en dat ook daarom van [appellante] kon worden gevergd dat zij haar standpunt met concrete feiten en omstandigheden zou toelichten.

4.9 Het kennelijke belang van [appellante] bij haar vordering is, dat zij zich voor de toekomst van het gebruik van de diverse percelen verzekerd wil zien. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om in te gaan op de vraag of mogelijk sprake is geweest van (inmiddels beëindigde) pachtovereenkomsten voor de duur van één jaar en of daartoe voldoende is gesteld.

4.10 Een en ander betekent dat de grieven in principaal appèl falen. Hetgeen [geïntimeerden] overigens als verweer hebben aangevoerd kan onbesproken blijven. Nu [appellante] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, is de aangeboden bewijslevering niet aan de orde.

4.11 Het voorwaardelijk incidenteel appèl kan onbesproken blijven, nu de voorwaarde waaronder het is ingesteld niet is vervuld.

4.12 De slotsom luidt dat het aangevallen vonnis in conventie, voor zover in hoger beroep ter discussie gesteld, zal worden bekrachtigd. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden, van 31 mei 2005 in conventie, voor zover in hoger beroep betrokken;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerden sub 2 t/m 4] ieder begroot op € 244,-- wegens griffierecht en € 894,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Olthof en Van Osch en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 23 mei 2006.