Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY3562

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
11-07-2006
Zaaknummer
03-02067
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting

Aan belanghebbende, een voormalige controleur van de Belastingdienst, is terecht een vergrijpboete opgelegd wegens het onjuist verantwoorden van diens stakingswinst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/50.2 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 03/02067

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : X

Te : Z

Verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

Aangevallen beslissing : uitspraken op bezwaar

Betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000

Nummer : 0233.33.133.H.06

Mondelinge behandeling : op 24 mei 2006 te Arnhem

Waarbij verschenen : de Inspecteur

Waarbij niet verschenen : belanghebbende, met kennisgeving aan het Hof

Gronden:

1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 81.376. Hierbij is door de Inspecteur afgeweken van de aangifte van belanghebbende, waarin een belastbaar inkomen van ƒ 40.976 werd aangegeven. Tegelijk met de aanslag werd een vergrijpboete opgelegd van ƒ 8.191 te weten 50 procent van de over de naar het bijzondere tarief belaste stakingswinst verschuldigde belasting.

2. Belanghebbende heeft zowel tegen de aanslag als tegen de boete bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak verlaagd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 74.571. De vergrijpboete heeft hij bij de in hetzelfde geschrift vervatte uitspraak verlaagd tot ƒ 3.463, overeenkomend met 26 procent van de over de na vermindering resterende correctie verschuldigde belasting.

3. In beroep is in geschil of de aangebrachte correctie en de opgelegde boete terecht en, na de vermindering bij de bestreden uitspraken, tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. Daarnaast is in geschil of belanghebbende met toepassing van artikel 45b, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in samenhang met het Besluit van 4 december 2000, nr. CPP/1942M, (alsnog) recht heeft op toepassing van de stamrechtvrijstelling.

4. De door de Inspecteur aangebrachte correctie, welke is gebaseerd op een in 2002 bij belanghebbende verricht boekenonderzoek, betreft met name de berekening van de stakingswinst. Belanghebbendes onderneming, die werd gedreven in de vorm van een eenmanszaak en die bestond uit de verhuur van een drietal vakantiewoningen gelegen in respectievelijk A, B en C, is in 2000 gestaakt.

5. Belanghebbende verzorgde zelf de administratie van de onderneming. Ook alle fiscale aangiften werden door belanghebbende zelf verzorgd.

6. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende als bijlage 2 een kladberekening gevoegd, waarin hij de stakingswinst als volgt berekent:

Eindbalans liquidatiewaarde boekwaarde

A ƒ 201.000 ƒ 180.000

B ƒ 220.000 ƒ 188.000

C ƒ 203.000 ƒ 174.000

________ ________

ƒ 624.000 ƒ 542.000

af: boekwaarde ƒ 542.000

________

ƒ 82.000

af: ƒ 45.000

________

stakingswinst ƒ 37.000.

De kladberekening bevat voorts nog een correctie. Na de telling in de kolom

boekwaarde is een bedrag van ƒ 5.000 vermeld, dat bij het totaal van de

boekwaarde is geteld. In overeenstemming daarmee is het bedrag van de

stakingswinst gecorrigeerd tot ƒ 32.000.

7. De aldus berekende stakingswinst heeft belanghebbende blijkens het gestelde in de door hem ingediende stukken niet in zijn aangifte opgenomen met als motivering dat het bedrag van ƒ 32.000 onder het voor hem blijkens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet geldende bedrag van de stakingsvrijstelling ad ƒ 45.000 blijft. Dat hij in deze benadering tweemaal de stakingsvrijstelling toepast, te weten eenmaal boven en eenmaal onder de streep, noemt belanghebbende een vergissing.

8. In het rapport van het boekenonderzoek (hierna: het Rapport) is de stakingswinst, uitgaande van de ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) naar de waardepeildatum 1 januari 1999 vastgestelde waarden van de drie vakantiewoningen, als volgt berekend:

A ƒ 201.000

B ƒ 228.000

C ƒ 214.000

________

Totaal ƒ 643.000

Af: boekwaarde ƒ 547.000

________

Liquidatiewinst ƒ 96.000

Af: vrijstelling ƒ 45.000

________

Belaste liquidatiewinst ƒ 51.000.

Omdat ten tijde van het boekenonderzoek nog een bezwaarprocedure tegen de voor de vakantiewoning te B vastgestelde waarde liep, is de belaste stakingswinst door partijen bij compromis vastgesteld op ƒ 40.000 (paragrafen 3.3 en 7 van het Rapport).

9. In de uitspraken op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk aan belanghebbendes bezwaren tegemoet gekomen. De aangegeven jaarwinst is met ƒ 805 verlaagd in verband met een bedrag aan kosten dat per abuis niet in het resultaat van 2000 was meegenomen. De bij compromis overeengekomen stakingswinst is met ƒ 6.000 verlaagd op basis van de veronderstelling dat de waarde in het economische verkeer van de vakantiebungalow te C ƒ 208.000 zou bedragen, derhalve ƒ 6.000 minder dan de waarde ingevolge de WOZ. De boete heeft de Inspecteur verlaagd tot 26 procent van de over de na verlaging resterende correctie verschuldigde belasting.

10. Bij het verweerschrift heeft de Inspecteur een drietal taxatierapporten overgelegd. Hierin wordt geconcludeerd tot waarden in het economische verkeer ten tijde van de staking van respectievelijk ƒ 218.500 (A), ƒ 258.000 (B) en ƒ 209.350 (C). De totaalwaarde van de vakantiebungalows ten tijde van de staking bedraagt blijkens deze rapporten ƒ 685.850. Met deze taxatierapporten maakt de Inspecteur naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk dat de voor de drie onroerende zaken in aanmerking genomen waarde en daarmee de belaste stakingswinst na bezwaar niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.

11. Belanghebbende, die ter onderbouwing van zijn stellingen geen taxatierapporten of gegevens van vergelijkbaar gewicht heeft overgelegd maakt met hetgeen hij heeft aangevoerd geenszins aannemelijk dat de belaste stakingswinst op een (nog) lager bedrag dient te worden vastgesteld.

12. De Inspecteur stelt zich met betrekking tot de opgelegde vergrijpboete op het standpunt dat sprake is van opzet, althans voorwaardelijk opzet. In de van hem afkomstige stukken en ter zitting is als motivering voor dit standpunt onder meer aangevoerd dat belanghebbende jarenlang werkzaam is geweest bij de Belastingdienst in de functie van controleur en specialist inkomstenbelasting. Belanghebbende had derhalve de kennis in huis om tot een correcte berekening van de belaste stakingswinst te komen. Hij had bij de aangifte een stakingsbalans moeten overleggen waarin van reële waarden in het economische verkeer wordt uitgegaan. Belanghebbende had kunnen weten dat de waarden in het economische verkeer beduidend hoger waren dan de boekwaarden. Dat kon reeds worden afgeleid uit de ingevolge de WOZ vastgestelde waarden naar de waardepeildatum 1 januari 1999. Voorts is van belang dat de vakantiebungalow in B in december 1999 is aangekocht en dat bij de vaststelling van de boekwaarde van deze vakantiebungalow een vervangingsreserve van ƒ 51.160 in mindering is gebracht. Dat door belanghebbende het bedrag van de stakingsvrijstelling tweemaal is toegepast is een vergissing die van iemand met zijn ervaring niet mag worden verwacht.

13. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, gegeven deze motivering, terecht het standpunt inneemt dat belanghebbende de onderhavige aangifte met opzet onjuist heeft gedaan. De vergrijpboete is derhalve met inachtneming van paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB) terecht op 50 procent vastgesteld. Bij de matiging van de boete tot 26 procent op grond van het oordeel dat sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete is de inspecteur gebleven binnen de ruimte die hem wordt gelaten door de paragrafen 42 en 44 van het BBBB. Ter zitting heeft de Inspecteur in antwoord op vragen van het Hof evenwel aangegeven dat hij akkoord kan gaan met een verdere verlaging van de boete tot 25 procent, mits dit niet ertoe leidt dat hij zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

14. Nu in het onderhavige geval een vergrijpboete is opgelegd wegens het met opzet onjuist doen van aangifte, neemt de Inspecteur terecht het standpunt in dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de stamrechtvrijstelling met inachtneming van het bepaalde in artikel 45b, lid 2, van de Wet in samenhang met het Besluit van 4 december 2000, nr. CPP/1942M. Voorwaarde daarvoor is immers dat bij de aanslagregeling aangebrachte correcties niet het gevolg zijn van grove schuld of opzet als bedoeld in het BBBB.

15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het gelijk met betrekking tot alle geschilpunten aan de Inspecteur is, behoudens voor zover de Inspecteur alsnog instemt met een verdere vermindering van de boete tot 25 procent.

Proceskosten:

In de omstandigheid dat de Inspecteur alsnog instemt met een verdere vermindering van de boete vindt het Hof geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing:

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep inzake de onderhavige aanslag ongegrond;

- verklaart het beroep inzake de boete gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarbij de boete is verminderd tot 26 procent;

- vermindert de boete tot € 3.329;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 31.

Aldus gedaan op 7 juni 2006 door prof. mr. dr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en dr.mr. A.M. van Amsterdam, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.