Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AX9524

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
29-06-2006
Zaaknummer
21-001943-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2005:AT3589
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan moord, aan twee pogingen tot moord en aan het bezit van een verboden wapen en munitie. De ernst van de feiten brengt het hof tot een keuze tussen een maximale tijdelijke gevangenisstraf en een levenslange gevangenisstraf. Bij die keuze neemt het hof in aanmerking dat naar de huidige stand van de regelgeving en het beleid een levenslange gevangenisstraf ook daadwerkelijk volledig tenuitvoergelegd wordt. Voor de keuze tussen levenslange gevangenisstraf en de maximale tijdelijke gevangenisstraf acht het hof mede gelet op recente rechtspraak in soortgelijke zaken een aantal factoren van betekenis welke aan de ene kant zien op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en aan de andere kant op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij afweging van genoemde factoren en alle overige van belang zijnde omstandigheden komt het hof tot de slotsom dat – binnen het gegeven wettelijke kader - volstaan dient te worden met de maximaal mogelijke tijdelijke gevangenisstraf, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001943-05

Uitspraak d.d.: 29 juni 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 12 april 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Verzoek tot het gelasten van een kogelbaanonderzoek

De verdediging heeft ter terechtzitting op 15 juni 2006 overeenkomstig de pleitnota (punten 74 tot en met 76) opnieuw verzocht de zaak aan te houden teneinde een kogelbaanonderzoek op plaats delict 1 te gelasten. Hieruit zou kunnen blijken dat verdachte werd aangevallen door [slachtoffer 1] dan wel dat verdachte meende te worden aangevallen en dat verdachte hierdoor naar achteren viel/moest gaan tengevolge waarvan de trekker van het pistool overging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 24 november 2005 heeft het hof bij tussenarrest het verzoek een kogelbaanonderzoek te laten verrichten afgewezen, omdat dit niet noodzakelijk werd geacht. Het hof achtte niet aannemelijk dat een kogelbaanonderzoek iets zou kunnen toevoegen aan de reeds in gang gezette verhoren en onderzoeken.

Op de terechtzitting van 16 januari 2006 is door de verdediging geen nieuw verzoek tot het laten verrichten van een kogelbaanonderzoek gedaan. De raadsvrouw mr B. Roodveld heeft bij brief van 6 april 2006 nogmaals verzocht een kogelbaanonderzoek op plaats delict 1 te laten verrichten. Op de terechtzitting van 7 april 2006 heeft de voorzitter aangegeven dat vooralsnog geen beslissing op het gedane verzoek werd gegeven. De verdediging werd wel in de gelegenheid gesteld het verzoek op de terechtzitting van 15 juni 2006 desgewenst te herhalen. Op de terechtzitting van 15 juni 2006 heeft de raadsman mr G.P. Hamer verklaard geen afstand van het gedane verzoek te doen en zich voor wat betreft het moment van beslissing te refereren aan de beslissing van het hof bij arrest.

Nu door de verdediging op de terechtzitting van 15 juni 2006 aan het reeds eerder afgewezen verzoek tot het laten verrichten van een kogelbaanonderzoek op plaats delict 1 geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, zal het hof het verzoek afwijzen. Van (nadere) noodzaak tot het verrichten van het onderzoek is niet gebleken. Daarbij is mede in aanmerking genomen al hetgeen op verzoek van de verdediging is onderzocht in de fase van het aanhangige hoger beroep, hetgeen ter terechtzitting op 15 juni 2006 door en namens verdachte naar voren is gebracht en hetgeen overigens uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 november 2005, 16 januari 2006, 7 april 2006 en 15 juni 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof nummert het onder parketnummer 08/004780-04 tenlastegelegde feit als feit 4.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft overeenkomstig de pleitnota (hoofdstuk 2) aangegeven dat het in eerste aanleg gevoerde verweer met betrekking tot de ontoelaatbaarheid van de voorgestelde uitbreiding van de tenlastelegging met feit 4 als herhaald dient te worden beschouwd. Het hof zal het verweer opvatten als een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het tenlastegelegde feit 4. De raadsman in eerste aanleg heeft betoogd dat het in wezen gaat om een wijziging van de tenlastelegging in de vorm van een aparte dagvaarding. Deze wijziging is zijns inziens niet toelaatbaar, nu het openbaar ministerie het vertrouwen zou hebben gewekt dat dit feit niet vervolgd zou worden of dat dit feit niet tenlastegelegd zou worden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De navolgende feitelijke gang van zaken is gebleken:

- Bij dagvaarding, welke op 15 december 2004 aan verdachte in persoon is uitgereikt, heeft de officier van justitie verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de rechtbank Almelo op 7 januari 2005 met betrekking tot de feiten 1 tot en met 3 zoals omschreven in het tegen verdachte uitgevaardigde bevel tot gevangenhouding, gedateerd 13 oktober 2004;

- Op de terechtzitting van 7 januari 2005 heeft de rechtbank het onderzoek tot de terechtzitting van 29 maart 2005 geschorst;

- Op 25 februari 2005 is de oproeping voor de terechtzitting op 29 maart 2005 aan verdachte in persoon uitgereikt;

- Bij dagvaarding, welke op 11 maart 2005 aan verdachte in persoon is uitgereikt, heeft de officier van justitie verdachte voor de terechtzitting op 29 maart 2005 gedagvaard ter zake van feit 4;

- Op de terechtzitting van de rechtbank te Almelo op 29 maart 2005 heeft de officier van justitie met betrekking tot de in het bevel tot gevangenhouding omschreven feiten 1 tot en met 3 gevorderd dat deze feiten dienen te worden gewijzigd in de feiten 1 tot en met 3, zoals omschreven op de aan de vordering nadere omschrijving tenlastelegging gehechte vervolgbladen. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de door hem op schrift gestelde wijziging in het tenlastegelegde feit 4 zal worden toegelaten;

- De rechtbank heeft op de terechtzitting van 29 maart 2005 de gevorderde wijziging in het tenlastegelegde feit 4 toegewezen en de voeging van de bij voormelde vordering nadere omschrijving tenlastelegging en dagvaarding aan verdachte tenlastegelegde feiten bevolen, nu deze voeging in het belang van het onderzoek is.

Het hof stelt voorop dat de wet zich niet verzet tegen het bij afzonderlijke dagvaarding aanbrengen van een zaak waarin een feit ten laste wordt gelegd dat samenhang vertoont met feiten die aan verdachte zijn tenlastegelegd in een op dezelfde dag aanhangige strafzaak tegen dezelfde verdachte. In het onderhavige geval heeft de officier van justitie bij dagvaarding verdachte voor de terechtzitting op 29 maart 2005 gedagvaard ter zake van feit 4. Deze dagvaarding is tijdig betekend. De rechtbank is op de voet van artikel 259 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd tot voeging van de feiten 1 tot en met 4, hetgeen geschied is. De enkele omstandigheid dat aan verdachte de feiten 1 tot en met 3 reeds bij eerdere dagvaarding tenlastegelegd waren, heeft naar het oordeel van het hof bij verdachte niet het vanwege het openbaar ministerie gerechtvaardigde vertrouwen kunnen wekken dat hij ter zake van feit 4 niet vervolgd zou worden of dat dit feit niet tenlastegelegd zou worden. Gesteld noch gebleken is dat er enige andere bron voor vermeend opgewekt vertrouwen is dan de omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk voor de feiten 1 tot en met 3 is gedagvaard. Het (thans) onder 4 tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt als een 'zelfstandig' delict. Het verweer wordt verworpen.

Rechtmatigheid van het optreden van de politie

Aanhouding van verdachte

De verdediging heeft zoals nader verwoord in de punten 37 tot en met 41 van haar pleitnota aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geschied. Er bestond ten tijde van de aanhouding jegens verdachte onvoldoende verdenking van overtreding van de Opiumwet. De verdediging heeft aangevoerd dat de onrechtmatigheid van de aanhouding een matigende invloed behoort te hebben op de hoogte van de strafmaat.

Het hof overweegt het volgende.

Op 30 september 2004 omstreeks 14.00 uur werd door de politie Twente een periodieke actie "Veel Voorkomende Criminaliteit " (VVC) gehouden. Hiertoe werd in de omgeving van het centrum van Enschede gepost op mensen die mogelijk dergelijke strafbare feiten plegen, waaronder drugscriminaliteit. [verbalisant 1], hoofdagente van politie, heeft verklaard (p. 116-117 van het proces-verbaal) dat zij deelnam aan de zogenaamde VVC-actie. Zij zag na 14.00 uur dat twee personen naast het perron voor de Duitse trein stonden en vandaar via het stationsplein in de richting van de Korte Hengelosestraat liepen. Ze zag dat de personen met elkaar spraken en dat één van beide mannen een bankbiljet van -naar zij meende- 50 euro aan de ander overhandigde. De man die het geld overhandigde had het uiterlijk van een junk en droeg een zwarte pet. Het was haar ambtshalve bekend dat er op het stationsplein drugs plegen te worden verhandeld.

[verbalisant 2] heeft ter terechtzitting bij dit hof op 16 januari 2006 verklaard dat zij op 30 september 2004 op een gegeven moment via de portofoon informatie kreeg dat zich op dat moment vlakbij het station twee mannen ophielden en dat ze met elkaar praatten. Onder haar neus had tussen de mannen in de Korte Hengelosestraat een geldtransactie plaatsgevonden. Ze is één van de mannen, de latere verdachte, gaan volgen tot deze de winkel Wibra inging. Ze heeft vervolgens aan verbalisanten [slachtoffer 1] en [verbalisant 3] doorgegeven dat de man diende te worden aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden dat de opsporingsambtenaren op het moment van aanhouding ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet konden hebben, zodat diens aanhouding rechtmatig is geweest. Het verweer wordt verworpen.

Bezoek door politiefunctionarissen in cel

De verdediging heeft betoogd (hoofdstuk 8 pleitnota) dat verdachte niet in vrijheid zijn verklaringen tegenover de politie heeft kunnen afleggen, nu verdachte op zondagavond 3 oktober 2004 bij herhaling bezocht is door [arrestantenbewaker] in gezelschap van enkele politiefunctionarissen, die niet bij het onderzoek betrokken waren. Er is sprake van een ernstig vormverzuim. Verdachte heeft nadeel van dit verzuim ondervonden.

Primair dient volgens de verdediging hieraan het rechtsgevolg bewijsuitsluiting te worden verbonden. Alle verklaringen van verdachte tot aan de zitting in eerste aanleg dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Subsidiair dient strafvermindering plaats te vinden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 4 oktober 2004 heeft verdachte bij het begin van het politieverhoor aangegeven dat hij de nacht daarvóór drie maal in zijn cel in het bureau van politie te Hengelo (O) bezoek heeft gehad van politiefunctionarissen. Er zijn onmiddellijk maatregelen getroffen om verdachte onder te brengen in een politiebureau buiten de regio Twente. Verdachte werd in de avond van 4 oktober 2004 overgebracht naar het hoofdbureau van politie te Zwolle en aldaar ingesloten. Vervolgens is in overleg met het Openbaar Ministerie te Almelo en de leiding van de regiopolitie Twente een nader onderzoek ingesteld. In het door de advocaat-generaal op de terechtzitting van dit hof op 16 januari 2006 overgelegde proces-verbaal van [naam], inspecteur van politie, gesloten en ondertekend op 10 november 2004 te Enschede, wordt aangegeven dat verdachte op zondagavond 3 oktober 2004 door de [arrestantenbewaker] was bezocht, terwijl [arrestantenbewaker] op dat moment in gezelschap was van enkele politiefunctionarissen. Er was geen functionele reden voor de politiefunctionarissen om de verdachte in zijn cel te bezoeken.

In het eveneens door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal van [naam], hoofdinspecteur van politie, gesloten en ondertekend op 22 november 2004 te Zwolle, wordt aangegeven dat de arrestantenbewaker twee keer verdachte heeft bezocht. De eerste keer was hij in gezelschap van twee politiefunctionarissen en de tweede keer in gezelschap van vier politiefunctionarissen. De [arrestantenbewaker] heeft aangegeven dat hij de wondverzorging van verdachte als aanleiding had gebruikt om de andere politiefunctionarissen in de gelegenheid te stellen de verdachte te zien. Hij is de enige geweest die met verdachte heeft gesproken. De politiefunctionarissen hebben verklaard dat de arrestantenbewaker als enige de cel van verdachte binnenging.

Het hof stelt voorop dat de bovenvermelde handelwijze van de politiefunctionarissen, zijnde het zonder functionele reden in de nacht van 3 op 4 oktober 2004 bezoeken van verdachte in zijn cel, volstrekt verkeerd is geweest. Vervolgens dient te worden nagegaan of sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

Ter beoordeling hiervan acht het hof het volgende van belang. Hoewel de verbalisanten onder het mom van wondverzorging aan de cel van verdachte zijn geweest, zijn zij niet daadwerkelijk de cel binnengegaan. Het hof heeft op de videobeelden van het politieverhoor van verdachte op 4 oktober 2004 waargenomen dat verdachte voornamelijk kwaad was over het voorval. Voorafgaande aan 4 oktober 2004 had verdachte al uitvoerig tegenover de politie verklaard over zijn betrokkenheid bij de feiten waarvan hij werd verdacht. Na de nachtelijke bezoeken is verdachte niet andersluidend gaan verklaren. Verdachte heeft tegenover de rechtbank en het hof verklaringen afgelegd, die gelijksoortig zijn aan de tegenover de politie afgelegde verklaringen.

Gelet op het bovenstaande acht het hof niet aannemelijk dat verdachte feitelijk in een zodanige situatie is gebracht dat verklaringen van hem werden verkregen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd. Het hof acht ook de verklaringen die hij vanaf 4 oktober 2004 tegenover de politie heeft afgelegd rechtmatig verkregen.

Het hof stelt op grond hiervan vast dat er geen sprake is geweest van enige schending van het recht, daaronder begrepen een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Op grond daarvan vindt het hof in het door de verdediging gestelde geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering over te gaan. Mitsdien verwerpt het hof dit verweer.

Bewijsverweren

A. Opzet

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft zoals nader verwoord in de pleitnota (punt 67) betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Hiertoe is aangevoerd dat door een onwillekeurige spierbeweging van verdachte de trekker van het wapen van verdachte naar achteren is gehaald, waardoor geschoten is. Nu het opzet van verdachte ontbreekt, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof is van oordeel dat het betoog van de verdediging wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Uit deze bewijsmiddelen volgt onder meer het volgende.

Verdachte heeft tegenover de politie op 30 september 2004 verklaard dat hij, toen hij aangehouden werd, in het bezit was van een wapen, een Walther P38. In het wapen had hij 8 patronen in de houder en 1 in de kamer. Het wapen stond op scherp. Hij hoefde alleen de veiligheidspal naar achteren te doen, zodat de haan naar achteren kon, waarna het wapen schietklaar was (pagina 40 van het proces-verbaal). Op 1 oktober 2004 heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij daadwerkelijk gericht op de politieman (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) heeft geschoten. Hij wilde hierdoor zijn vlucht mogelijk maken (pagina 47 van het proces-verbaal). In zijn verklaring van 3 oktober 2004 geeft verdachte aan dat hij, op het moment dat hij in de gaten kreeg dat hij gefouilleerd zou gaan worden, zijn vuurwapen heeft getrokken en geschoten heeft (pagina 60 van het proces-verbaal).

Het hof acht bewezen dat verdachte bewust op [slachtoffer 1] heeft geschoten en dat verdachte's opzet derhalve willens en wetens gericht was op de levensberoving van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van de feiten 2 en 4

De verdediging heeft overeenkomstig de pleitnota (punt 118) betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot moord op [slachtoffer 2]. Er was geen sprak van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Tevens heeft de verdediging overeenkomstig de punten 122 tot en met 126 van de pleitnota betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot moord op [slachtoffer 3], daar het opzet, ook in voorwaardelijke zin, eveneens ontbreekt.

Het hof overweegt in verband hiermee het volgende.

Het hof is van oordeel dat het betoog van de verdediging wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Uit deze bewijsmiddelen volgt onder meer het volgende.

- Ter terechtzitting bij het hof op 10 november 2005 heeft verdachte verklaard dat hij gericht op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geschoten;

- Tegenover de politie heeft verdachte op 12 oktober 2004 verklaard dat hij met ondersteunende hand op de agent bij de glijbaan heeft geschoten. Nadat hij op de agent bij de glijbaan schoot, draaide hij zich om in de richting van de agent bij het gebouwtje. De agent kwam op hem aflopen en schoot twee keer in zijn richting. Hij heeft toen gericht teruggeschoten (pagina 92 van het proces-verbaal);

- [slachtoffer 2] heeft tegenover de rechter-commissaris op 24 april 2006 uitdrukkelijk verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte op hem schoot. Hij kon zijn mondingsvuur waarnemen. Vervolgens is hij geraakt. Op het moment dat verdachte op hem schoot, ervoer hij een klap tegen zijn hoofd;

- Ter terechtzitting van dit hof op 16 januari 2006 is [slachtoffer 3] als getuige gehoord. Hij heeft gezien dat verdachte op een gegeven moment het wapen op hem richtte. Over de schiethouding van verdachte geeft hij aan dat verdachte op dat moment in de 'weaverhouding' stond, dat wil zeggen dat verdachte met zijn linkerbeen naar voren stond en met zijn rechterbeen achterwaarts en dat hij met beide handen het wapen voor zich gericht hield.

Het hof acht bewezen dat verdachte zijn gedrag heeft gericht op het willens en wetens om het leven brengen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

B. Kogel in het hoofd van [slachtoffer 2]

De verdediging heeft zoals nader verwoord in punt 115 van de pleitnota betoogd dat niet met zekerheid vast staat dat de kogel, die [slachtoffer 2] in het hoofd heeft geraakt, uit het pistool van verdachte afkomstig is. Derhalve kan niet geconcludeerd worden dat verdachte op [slachtoffer 2] heeft geschoten. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het volgende komen vast te staan:

- Ter terechtzitting van dit hof op 10 november 2005 heeft verdachte verklaard dat hij gericht op [slachtoffer 2] heeft geschoten;

- [slachtoffer 2] heeft tegenover de rechter-commissaris op 24 april 2006 uitdrukkelijk verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte op hem schoot. Hij kon zijn mondingsvuur waarnemen. Vervolgens is hij geraakt. Op het moment dat verdachte op hem schoot, ervoer hij een klap tegen zijn hoofd;

- In het deskundigenrapport van Ing. R.C. Roepnarain, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, gedateerd 11 februari 2005, wordt aangegeven dat in het metaalfragmentje, afkomstig uit het hoofd van [slachtoffer 2], bij het onderzoek met SEM/EDX het element lood en een spoor van calcium is gemeten;

- Uit de fax van [naam], hoofdcommissaris van politie, verbonden aan Politie Twente, District Zuid-Twente, gedateerd 10 november 2005, binnengekomen op 3 januari 2006, volgt dat door de politie Twente aan alle gecertificeerde vuurwapendragende politieambtenaren de standaard munitie, het type Action 3, is verstrekt;

- In het aanvullend deskundigenrapport van R.C. Roepnarain, gedateerd 4 mei 2006, wordt aangegeven dat het gehele metaalfragmentje uit het hoofd van [slachtoffer 2] van lood is. In het metaalfragmentje is enkel het element lood met een minimaal spoortje calcium gemeten. Het fragmentje bevatte geen messing, dat wil zeggen geen metaallegering van de elementen koper en zink. Bij de analyse van een action-3 kogel met behulp van de SEM/EDX worden de elementen koper, zink en slechts een spoortje lood gemeten. Het metaalfragmentje afkomstig uit het hoofd van [slachtoffer 2] bevat daarentegen alleen lood en geen messing, waardoor het onmogelijk van een action-3 kogel afkomstig kan zijn.

In het licht van het voorgaande is de namens verdachte geopperde mogelijkheid dat de

Kogel, die [slachtoffer 2] in het hoofd heeft geraakt, afkomstig zou kunnen zijn van een vuurwapen van de politie onaannemelijk en is (derhalve) bewezen dat de kogel in het hoofd van [slachtoffer 2] afkomstig was uit het vuurwapen van verdachte. Het verweer wordt verworpen.

C. Voorbedachte raad

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft zich overeenkomstig punten 77 tot en met 88 van de pleitnota op het standpunt gesteld dat er bij verdachte geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Verdachte heeft niet daadwerkelijk het voornemen gehad om op [slachtoffer 1] te gaan schieten. Derhalve dient hij te worden vrijgesproken van moord op [slachtoffer 1].

Het hof overweegt in verband hiermee het volgende.

Op 1 oktober 2004 heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij in mei 2004 had besloten een wapen, een Walther P38, op te graven. Hij had het wapen opgegraven om koste wat het kost te voorkomen dat hij opnieuw zou worden aangehouden. Indien hij zou worden aangehouden, wilde hij dit voorkomen door op te politie te schieten of zichzelf door het hoofd te schieten (p. 46 van het proces-verbaal). Verderop in deze verklaring (p. 47 van het proces-verbaal) geeft hij aan dat hij het wapen meenam als hij situaties als onveilig inschatte. Hij nam het wapen mee om daadwerkelijk te gebruiken tegen de politie. Vervolgens verklaart verdachte:

"Ik realiseer me dat ik diverse mogelijkheden heb gehad om het wapen weg te doen en mij over te geven. Ik heb dit echter niet gedaan. Ik had dit kunnen doen in de winkel, al voordat ik werd aangesproken. Ook toen ik werd aangehouden had ik mij kunnen overgeven. (..) Verderop deden zich hier nog wel meer mogelijkheden voor. Ik heb dit echter niet gedaan. Ik wilde kost wat kost uit de handen van de politie blijven. Ik heb al gezegd dat ik op de politie zou schieten en anders mijzelf door het hoofd zou schieten" (pagina 47 van het proces-verbaal). Zoals hiervoor omtrent opzet reeds is overwogen, stond het wapen van verdachte op scherp.

[getuige 1] heeft op 30 september 2004 tegenover de politie verklaard dat verdachte hem op 28 september 2004 een zwart pistool had laten zien en dat verdachte daarbij zei dat hij dit pistool zou gebruiken tegen de politie als hij zou worden aangehouden. Verdachte zei tegen hem: "Dan is het hij of ik" (pagina 482-483 van het proces-verbaal). Tegenover de Duitse politie heeft [getuige 1] op 9 mei 2006 de eerder afgelegde verklaring bevestigd. Verdachte had tegen hem gezegd dat, zodra een smeris op hem af zou komen, hij hem kapot zou schieten, hij of ik. [getuige 2] heeft op 7 oktober 2004 verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij in geen geval terug in de gevangenis wilde gaan (pagina 506 van het proces-verbaal).

Voor het aannemen van voorbedachte raad bij verdachte is voldoende dat vaststaat dat hij tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden en dat hij gelegenheid heeft gehad tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605).

Uit hetgeen hierboven is weergegeven, volgt dat verdachte voorafgaande aan de gebeurtenissen op 4 oktober 2004 het besluit had genomen om, indien hij door de politie zou worden aangehouden, op politieagenten te schieten die hem zouden gaan aanhouden. Er heeft zich een aantal bezinningsmomenten voorgedaan, waarbij voor verdachte voldoende gelegenheid was om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

De verdediging heeft overeenkomstig de pleitnota (de punten 113-114 en 121) betoogd dat er bij verdachte geen sprake is geweest van voorbedachte raad met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van poging tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Allereerst wordt verwezen naar hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van voorbedachte raad ten aanzien van feit 1. Uit de verscheidene politieverhoren volgt dat verdachte koste wat het kost een aanhouding wilde voorkomen. Het was de politie of hij. Op 30 september 2004 droeg verdachte een doorgeladen pistool bij zich. Met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Nadat verdachte op [slachtoffer 1] had geschoten, is verdachte met het pistool bij zich gevlucht teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken;

- Verdachte heeft op 3 oktober 2004 tegenover de politie verklaard (pagina 61 van het proces-verbaal): "Ik besloot mijn wapen niet weg te gooien, maar achter mijn broeksband te stoppen. U vertelt mij dat ik ook tijdens die paar honderd meter mijn wapen had kunnen weggooien. Ja, dat had ik kunnen doen, maar dit heb ik niet gedaan. Ik had dan niets meer om mij te verdedigen";

- Verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn samen met de [getuige 3] naar verdachte gaan zoeken. Verdachte is op een gegeven moment voorbij de surveillanceauto gelopen;

- Op 12 oktober 2004 heeft verdachte tegenover de politie hierover verklaard (pagina 91 van het proces-verbaal): "Nu ik erover nadenk, heb ik mijn wapen achter mijn broeksband vandaan gehaald op het moment dat de politieauto stopte midden op de weg. Ik bevond mij toen nog op de straat voor het schoolplein. Toen de auto stopte, ben ik gelijk weggerend. Ik had mijn wapen al in mijn hand genomen voor het geval ik moest schieten als er op mij werd geschoten. Dit was op het moment dat de auto stopte";

- [getuige 3] heeft op 27 april 2006 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat verdachte vervolgens met het wapen in de richting van de surveillanceauto heeft gedreigd;

- Zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] verklaren dat verdachte toen hij voorbij de auto liep het vuurwapen in de hand pakte en op hen richtte;

- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn vervolgens achter de verdachte aangegaan. Verdachte werd aangetroffen bij een school aan de H.B. Blijdensteinlaan te Enschede;

- [slachtoffer 2] heeft tegenover de rechter-commissaris op 25 april 2006 verklaard dat hij verdachte heeft aangeroepen met de woorden: "Politie, laat vallen dat wapen", en dergelijke;

- Ter terechtzitting van dit hof op 16 januari 2006 heeft [slachtoffer 3] verklaard dat hij en [slachtoffer 2] tegen verdachte hebben geschreeuwd: "Politie, laat vallen dat wapen", maar dat verdachte dit niet deed;

- Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof op 16 januari 2006 bevestigd dat hij op het geschreeuw dat hij het wapen moest weggooien niet heeft gereageerd. Toen verdachte gericht op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] had geschoten, is hij vanaf het schoolplein gevlucht naar een leegstaand kantoorgebouw.

Uit de hierboven weergegeven beschrijving van de gebeurtenissen die voorafgingen aan de schietpartij op het schoolplein blijkt dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op de te nemen of genomen besluiten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven en dat hij gelegenheid heeft gehad tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap te geven.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 30 september 2004, in de gemeente Enschede, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer 1] (brigadier van politie Twente), van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een doorgeladen pistool, van achter zijn broeksband gepakt en ter hand genomen en dat pistool - op korte afstand van voornoemde [slachtoffer 1] - op het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer 1] gericht gehouden en vervolgens met dat pistool een kogel afgevuurd op het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer 1], waardoor voornoemde [slachtoffer 1] door die kogel in de borst werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 30 september 2004, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer 2] (hoofdagent van politie Twente), van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een doorgeladen pistool in zijn hand heeft gehouden enf dat pistool op het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gericht gehouden en vervolgens met dat pistool [slachtoffer 2] een kogel in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 30 september 2004, in de gemeente Enschede, een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Walther, model P38, kaliber 9 mm), en voor dat wapen geschikte munitie van categorie III van genoemde wet, te weten 9, kogelpatronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 30 september 2004, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (agent van politie) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een doorgeladen pistool in zijn hand heeft gehouden en dat pistool op het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gericht gehouden en vervolgens met dat pistool kogels heeft afgevuurd op het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Nadere overweging met betrekking tot de kwalificatie van het onder 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde

De verdediging heeft overeenkomstig hoofdstuk 2 van de pleitnota aangegeven dat het in eerste aanleg gevoerde verweer met betrekking tot de voortgezette handeling als herhaald dient te worden beschouwd, inhoudende dat de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten als één voortgezette handeling dienen te worden beschouwd, nu het schieten op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] uit één ongeoorloofd wilsbesluit is voortgekomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft omtrent de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten tegenover de politie op 12 oktober 2004 verklaard dat hij eerst op [slachtoffer 2], die om de hoek van de kleuterschool stond, heeft geschoten. Daarna heeft hij op [slachtoffer 3] geschoten, die zich achter de glijbaan bevond. Verdachte zou bang zijn geweest dat [slachtoffer 3] hem in zijn schootsveld zou krijgen (pagina 92 van het proces-verbaal). Mede gelet op het feit dat het bewezenverklaarde feit 4 betrekking heeft op een andere persoon, die zich op een andere plaats op het schoolplein bevond, is het hof van oordeel dat de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten niet uit één wilsbesluit voortvloeiden en in een zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling. Het verweer wordt verworpen.

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Moord.

ten aanzien van het onder 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde, telkens:

Poging tot moord.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van verdachte: putatief noodweer(exces)

De verdediging heeft overeenkomstig de pleitnota (punten 68 tot en met 74) betoogd dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde sprake is van putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces. Verdachte leefde in de veronderstelling dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen hij zich moest verdedigen, terwijl hij in redelijkheid ook in die veronderstelling kon leven. Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in.

- [verbalisant 3] heeft ter terechtzitting bij het hof op 16 januari 2006 verklaard dat zij en [slachtoffer 1] op het moment dat verdachte vanuit de Wibra naar buiten kwam verdachte hadden aangesproken. [slachtoffer 1] had tegen verdachte gezegd dat hij werd aangehouden. Zij heeft aangegeven dat er geen sprake was van verzet van de zijde van [verdachte]. [verdachte] liep zelf mee naar de surveillanceauto;

- Volgens de verklaring van verbalisant [verbalisant 2], zoals ter terechtzitting bij het hof op 16 januari 2006 afgelegd, maakte [slachtoffer 1] op een gegeven moment aanstalten om verdachte te fouilleren. Pas toen verdachte zijn wapen getrokken had, bracht [slachtoffer 1] zijn hand naar zijn wapen;

- [verbalisant 3] heeft ter terechtzitting bij het hof op 16 januari 2006 verklaard dat [slachtoffer 1] aanstalten had gemaakt om verdachte te fouilleren. Volgens haar werd verdachte vervolgens agressief en maakte verdachte een duwbeweging richting [slachtoffer 1], waarop [slachtoffer 1] achteruit deinsde. Vervolgens zag ze dat verdachte een wapen op hen richtte;

- Volgens de verklaring van getuige [getuige 4] op 25 april 2005 tegenover de rechter-commissaris is de mannelijke politieagent ([slachtoffer 1]) op verdachte afgestapt, waarop verdachte razendsnel een wapen trok en de agent neerschoot;

- [getuige 5] heeft op 26 april 2006 tegenover de rechter-commissaris verklaart dat hij had gezien dat de latere schutter (verdachte) een vuurwapen in zijn hand nam. Als reactie op het trekken van het wapen deinsde [slachtoffer 1] iets achteruit en poogde zijn wapen of pepperspray te pakken, waarbij [slachtoffer 1] een voorwaartse beweging maakte;

- [verbalisant 4] heeft op 25 april 2005 tegenover de rechter-commissaris aangegeven dat hij, toen hij na de schietpartij ter plaatse kwam, heeft gezien dat het wapen van [slachtoffer 1] met de veiligheidsbeugel open was. Het wapen zat nog wel geheel in het holster. De pepperspray zat dicht in de houder met een klem.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de gang van zaken als volgt is geweest. Nadat verdachte is aangehouden, is verdachte zelfstandig zonder enige fysieke begeleiding naar de surveillanceauto gelopen. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer 1] aanstalten gemaakt verdachte te fouilleren en heeft hiertoe een stap in de richting van verdachte gedaan. Vervolgens heeft verdachte zijn wapen getrokken en geschoten. Als reactie hierop heeft [slachtoffer 1] een beweging in de richting van zijn wapen gemaakt.

Gelet op de zojuist geschetste feiten en omstandigheden was naar het oordeel van het hof geen sprake van een noodweersituatie. Niet aannemelijk is geworden dat, voorafgaande aan het moment dat verdachte zijn wapen pakte, sprake was van een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding van lijf of leven van verdachte sprake was, evenmin dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een dreigende aanranding van zijn lijf of leven. Het hof wijst hierbij met name op de omstandigheid dat verdachte, nadat hem was medegedeeld dat hij werd aangehouden, zonder zich te verzetten rustig naar de surveillanceauto is gelopen. Zoals hierboven reeds overwogen, geschiedde de aanhouding van verdachte door [slachtoffer 1] en [verbalisant 2] op rechtmatige wijze. Pas nadat verdachte zijn wapen heeft getrokken en geschoten, heeft [slachtoffer 1] een beweging naar zijn wapen gemaakt.

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan verdachte redelijkerwijs in de mening kon verkeren dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding althans een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding, waartegen hij zich mocht verdedigen. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit de hierboven geschetste bewijsmiddelen valt af te leiden dat op het moment van het schieten van verdachte of onmiddellijk daaraan voorafgaand, [slachtoffer 1] geen pistool heeft getrokken dan wel een beweging in de richting van zijn pistool heeft gemaakt. Feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat verdachte verschoonbaar dwaalde omtrent enige vorm van aanranding als bedoeld in artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht zijn niet aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van het hof is overigens evenmin gebleken van een hevige gemoedsbeweging, laat staan van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt is door een vermeende aanval in de richting van verdachte. Van paniek bij verdachte is niet gebleken. Hij heeft ter zitting van het gerechtshof hierover niets verklaard en het volgt ook geenszins uit de hierboven geschetste omstandigheden dat hij in paniek was. Tegenover het hof op 10 november 2005 heeft verdachte zelf verklaard dat hij, op het moment dat hij werd aangehouden, had bedacht dat hij rustig met de politie mee naar buiten zou gaan.

Gelet op het voorgaande kan niet van putatief noodweer(exces) gesproken worden. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte: algemeen

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd.

Verdachte is door de rechtbank ter zake van de bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte eveneens wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze is begaan en op grond van de persoon van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 30 september 2004 heeft verdachte, nadat hij was aangehouden, een wapen getrokken en een politieagent doodgeschoten. Vervolgens is hij met het wapen gevlucht teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken. Verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben verdachte op het schoolplein aangetroffen, alwaar een schietpartij tussen verbalisanten en verdachte heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft op beide verbalisanten geschoten, waarbij [slachtoffer 2] in het hoofd is getroffen.

Verdachte heeft welbewust aan een man het kostbaarste bezit -het leven- ontnomen. Hij heeft aan de nabestaanden, onder wie de echtgenote en dochter, vrienden en bekenden van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht, dat zij de rest van hun leven met zich meedragen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de door de dochter van [slachtoffer 1] ter zitting van het hof afgelegde verklaring.

Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft vier weken in het ziekenhuis gelegen, eerst in kritieke toestand, waarna een opname in het revalidatiecentrum is gevolgd. In januari 2005 moest hij weer een hersteloperatie aan de schedel ondergaan. Het is op dit moment nog steeds niet duidelijk welke beperkingen hij (blijvend) zal ondervinden, maar vooralsnog is er geen uitzicht op (algeheel) herstel. Dat het slachtoffer [slachtoffer 3] niet door een kogel uit het pistool van verdachte geraakt is, is een gelukkige omstandigheid die evenwel niet op het conto van verdachte geschreven kan worden. Aannemelijk is dat beide slachtoffers nog zeer geruime tijd, zo niet hun hele leven, de nadelige (psychische) gevolgen van de handelwijze van verdachte zullen ondervinden.

De ernstige gevolgen van de bewezenverklaarde feiten en de wijze waarop het bewezenverklaarde is uitgevoerd dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, temeer nu de feiten op klaarlichte dag zijn gepleegd nabij een winkelcentrum en op een schoolplein, in aanwezigheid van vele omstanders, onder wie kleine kinderen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte een levenslange gevangenisstraf zal opleggen. De ernst en het aantal van de bewezenverklaarde feiten, alsmede de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, als ook het belang van beveiliging van de maatschappij, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof op zichzelf een levenslange gevangenisstraf, welke door de rechtbank is opgelegd. Vanwege de ingrijpendheid van deze straf dient nauwgezet te worden beoordeeld of er omstandigheden zijn die een tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden maken. Het hof gaat daarbij uit van een maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaren.

Verandering van wetgeving

De verdediging heeft overeenkomstig de pleitnota (punten 219 tot en met 227) betoogd dat het hof door de invoering van de Wet herrijking strafmaxima thans de keuze heeft tussen een levenslange gevangenisstraf en een tijdelijke gevangenisstraf voor ten hoogste 30 jaren.

Het hof overweegt echter hieromtrent het volgende.

Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wijst uit dat onder verandering van wetgeving in de zin van deze bepaling alleen wordt verstaan een verandering welke blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van een feit.

Door de invoering van de Wet herijking strafmaxima op 1 februari 2006 is het mogelijk ten aanzien van het delict moord een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 30 jaar op te leggen.

Het hof leidt uit de toelichting op de wetswijziging in kwestie af dat de wetgever hiermee kennelijk slechts heeft beoogd het "strafgat" tussen de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaar en een levenslange gevangenisstraf te verkleinen (Kamerstukken II 2003-2004, 28 484, nr. 45). Gelet hierop is niet sprake van een gunstiger bepaling in de zin van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2006, LJN AX1662, omtrent de toepassing van het bij Wet herijking strafmaxima gewijzigde artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht, zoals die bepaling sinds 1 februari 2006 luidt, op voor die datum gepleegde strafbare feiten. Op grond van dit arrest dient volgens de verdediging toepassing te worden gegeven aan de nieuwe, hogere, maximaal op te leggen tijdelijke straf.

In dit arrest heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat, nu geen sprake is van een verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 14a, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, zoals die bepaling sinds 1 februari 2006 luidt. Het standpunt van de verdediging berust derhalve op een onjuiste lezing van het arrest.

Concluderend is het hof gebonden aan artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit luidde ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Dat betekent dat verdachte ofwel een levenslange gevangenisstraf ofwel een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 20 jaren kan worden opgelegd.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis

Omtrent verdachte is een pro justitia rapport door C.J.M. Vredeveld, forensisch psychiater, gedateerd 10 februari 2005, uitgebracht. Vredeveld geeft ten aanzien van de persoonlijkheid van verdachte aan dat verdachte op grond van contactkarakteristieken, biografische - en sociale gegevens als gevolg van pervasieve disfunctie op vrijwel alle levensterreinen gekwalificeerd kan worden als persoonlijkheidsgestoord in algemene zin, met antisociale en in mindere mate narcistische en paranoïde trekken. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesfuncties in de zin van een persoonlijkheidsstoornis, in combinatie met een langdurige en ernstige harddrugsverslaving, welke ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten aanwezig was.

Daarnaast heeft J.A.M. Gresnigt, klinisch psycholoog/ psychotherapeut omtrent verdachte een pro justitia rapport, gedateerd 24 december 2004, opgemaakt. In dit rapport geeft Gresnigt aan dat bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in termen van persoonlijkheidsproblematiek met antisociale, narcistische en paranoïde kenmerken. Er zijn, gezien de scheefgroei in zijn vroege ontwikkeling, verdere ontwikkeling en de huidige persoonlijkheidskenmerken, aanwijzingen dat sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Voornoemd rapport houdt tevens in:

"Het in dit onderzoek opgestelde delictscenario geeft aanwijzingen dat, ten tijde van de feiten die hem ten laste worden gelegd, de onder 1 genoemde antisociaal, narcistisch en paranoïd gekleurde persoonlijkheidsproblematiek een rol speelde: de achterdocht, zijn krenkinggevoeligheid, de gewetenloosheid, het egocentrisme, het berekenende, weloverwogen en doelgerichte handelen ten tijde van het ten laste gelegde, zijn indicatief in deze. Daarnaast heeft zijn cocaïnegebruik naar alle waarschijnlijkheid een belangrijke luxerende rol gespeeld".

Gresnigt heeft aangegeven dat het gedrag van verdachte kan worden gezien als verregaand gewetenloos en egocentrisch. Daarnaast wijzen ook de gevoelens van achterdocht, de ontremming, zijn trots en de door hem gerapporteerde gevoelens van onschendbaarheid, in combinatie met het zich gekrenkt voelen op paranoïde en narcistische persoonlijkheids-tendensen. Naar alle waarschijnlijkheid is verdachte's cocaïnegebruik in de periode en de uren voor het ten laste gelegde een belangrijke luxerende factor geweest.

Door het Pieter Baan Centrum is onderzoek naar de geestvermogens van verdachte verricht. In de multidisciplinaire onderzoeksrapportage, gedateerd 19 april 2006 en opgemaakt door H.A. van Kempen, psycholoog en P.K.J. Ronhaar, beiden verbonden aan de Psychiatrische Observatiekliniek "Pieter Baan Centrum" te Utrecht wordt aangegeven dat verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken heeft. Daarnaast is sprake van een latente, maar ernstige cocaïne-afhankelijkheid. Volgens dit rapport waren voornoemde stoornissen ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig.

In het rapport wordt aangegeven dat verdachte egocentrisch in het leven staat en zich buiten detentie -wanneer zijn verslaving op de voorgrond staat- nauwelijks laat leiden door wetten, regels en normen, zeker niet wanneer zijn vrijheid en autonomie in het geding zijn. Verdachte ziet zichzelf niet als onderdeel van de maatschappij, hij voelt zich er boven staan. In zijn voortdurende kritiek op de maatschappij, de overheid of de politie worden deze narcistische grootheidsgevoelens, zijn neiging zich oppositioneel te gedragen en zijn verheven zelfbeeld zichtbaar.

Het hof acht op grond van de advisering aannemelijk dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis.

Toerekeningsvatbaarheid

Psycholoog Gresnigt overweegt in zijn rapport omtrent de toerekeningsvatbaarheid het volgende:

"Overwegingen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid zijn dat zijn handelen ten tijde van het ten laste gelegde enerzijds gezien kan worden als planmatig en berekenend en dat het in het verlengde hiervan zijn bewuste keuze was om zijn wapen te gebruiken wanneer hij zou worden aangehouden. Vanuit dit oogpunt kan onderzochte volledig toerekeningsvatbaar worden geacht. Anderzijds kan zijn gedrag gezien worden als verregaand gewetenloos en egocentrisch, hetgeen wijst op ernstige antisociale persoonlijkheidsproblematiek, onder meer op een defect in zijn gewetensontwikkeling. Daarnaast wijzen ook de door hem gerapporteerde gevoelens van onschendbaarheid, in combinatie met het zich gekrenkt voelen ten tijde van het ten laste gelegde op paranoïde en narcistische persoonlijkheidstendensen".

Psycholoog Gresnigt neigt ernaar om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren omdat de persoonlijkheidskenmerken van verdachte hebben geleid tot een toegenomen dispositie voor het begaan van het ten laste gelegde.

Psychiater Vredeveld komt tot de conclusie dat betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

Wat betreft beantwoording van de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid verschilt het rapport met voornoemde rapportages van Gresnigt en Vredeveld. De feiten -indien bewezen- kunnen volgens het Pieter Baan Centrum verdachte volledig worden toegerekend. In het rapport van het Pieter Baan Centrum wordt omtrent de toerekeningsvatbaarheid onder meer het volgende overwogen:

"Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis als het ware, affectief gestuwd, gedreven werd tot deze feiten. Betrokkene heeft vooraf keuzes gemaakt en had- gelet op, mogelijk ook door hemzelf overwogen, gedragsalternatieven- ook andere keuzes kunnen maken. Het daadwerkelijk gebruik van het wapen is vooral te beschouwen als een vorm van instrumenteel geweld, een proactieve handeling, die hij inzet als hij zich daartoe genoodzaakt voelt. Aanwijzingen voor handelen op grond van paranoïdie of voor gekrenktheid vanwege de aanhouding of voor een onderliggende woede van waaruit betrokkene handelde, zijn niet gevonden. Hoewel betrokkene bij zijn aanhouding een werkzame concentratie van cocaïne in zijn bloed had, zijn er -vanwege zijn grote tolerantie voor cocaïne- geen aanwijzingen dat betrokkene door dit gebruik daadwerkelijk in zijn handelingsvrijheid beperkt is geweest".

Voor de vraag of de verdachte de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten kan worden toegerekend stelt het hof voorop dat het om een juridisch oordeel gaat op basis van door gedragskundigen aangeleverd materiaal. Op grond van de beschrijving van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte in de drie voornoemde rapportages komt het hof tot de conclusie dat verdachte als gevolg van de stoornissen in mindere mate in staat was zijn gedrag te bepalen dan de gemiddelde mens. De door het Pieter Baan Centrum gehanteerde benadering, zijnde of verdachte vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis gedreven werd tot de tenlastegelegde feiten, is naar het oordeel van het hof een te beperkt criterium, evenals de mogelijkheid van een alternatieve handelwijze in de gegeven situatie.

Op grond van de advisering acht het hof aannemelijk geworden dat met name de persoonlijkheidsstoornis in samenhang met de cocaïneverslaving een belangrijke rol hebben gespeeld tijdens en voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten. Het hof is van oordeel dat de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten verdachte in enige mate verminderd toegerekend kunnen worden.

De strafsoort en strafmaat

Bij de bepaling van strafsoort en strafmaat houdt het hof zowel rekening met de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan als met de persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden.

De aard en ernst van de feiten zijn buitengewoon en nopen het hof tot het opleggen van gevangenisstraf van zeer lange duur. Het hof heeft hierbij primair op het oog dat uit een oogpunt van vergelding een dergelijke straf is aangewezen. Zoals hierboven al uiteengezet heeft het hof daarbij gelet op gevolgen voor direct betrokkenen en de schok die de feiten in de samenleving hebben teweeggebracht.

De ernst van de feiten brengt het hof tot een keuze tussen een maximale tijdelijke gevangenisstraf en een levenslange gevangenisstraf. Bij die keuze neemt het hof in aanmerking dat naar de huidige stand van de regelgeving en het beleid een levenslange gevangenisstraf ook daadwerkelijk volledig tenuitvoergelegd wordt. Dit standpunt is door de minister van justitie onlangs in de Tweede Kamer ingenomen (zie onder meer Kamervragen met antwoord 2003-2004, nr. 1972, Tweede Kamer). Het wijkt af van het in het verleden gevoerde beleid dat erop neerkwam dat een herbeoordeling na ongeveer vijftien jaar plaatsvond, welke tot gevolg kon hebben dat de veroordeelde via gratiëring "op jaren werd gesteld". Afgezien van gratie bestaat er in Nederland - anders dan in een aantal omringende staten - geen mogelijkheid van enige vorm van tussentijdse (rechterlijke) toetsing van de vraag of verdere tenuitvoerlegging na bijvoorbeeld 15 of 20 jaar nog wenselijk of noodzakelijk is. Dit noopt het hof tot scherpe toetsing en tot een zekere terughoudendheid daarbij.

Voor de keuze tussen levenslange gevangenisstraf en de maximale tijdelijke gevangenisstraf acht het hof mede gelet op recente rechtspraak in soortgelijke zaken een aantal factoren van betekenis welke aan de ene kant zien op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en aan de andere kant op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voor wat betreft de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan zijn dit onder meer de volgende factoren:

- het aantal dodelijke slachtoffers;

- de aard van het letsel bij niet dodelijk gewonde slachtoffers en de kans op herstel;

- de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld en in het bijzonder ook het tijdsbestek waarbinnen feiten hebben plaatsgevonden.

Van betekenis acht het hof dat er sprake is van één dodelijk slachtoffer en de korte periode waarbinnen de volledige schietpartij zich heeft afgespeeld.

Voor wat betreft de persoon en de persoonlijke omstandigheden zijn dit onder meer de volgende factoren:

- de geestelijke gezondheidstoestand van de verdachte;

- de mate waarin de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend;

- eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten ;

- de kans dat verdachte wederom soortgelijke feiten pleegt.

Van betekenis acht het hof dat verdachte lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis alsmede de omstandigheid dat de feiten (1,2 en 4) hem in enige mate verminderd kunnen worden toegerekend. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een levensdelict, maar wel in aanmerking genomen dient te worden dat hij ter zake van vermogensdelicten met een agressieve component langdurig van zijn vrijheid is beroofd. Voor wat betreft de kans dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een levensdelict acht het hof van betekenis dat volgens het onderzoek van het Pieter Baan Centrum verdachte vanuit zijn ernstige psychiatrische afwijkingen niet werd gedreven tot de feiten.

Tenslotte heeft het hof er acht op geslagen dat de Duitse justitie het voornemen heeft verdachte alsnog te berechten voor enkele ernstige feiten voorafgaande aan de onderhavige feiten gepleegd in Duitsland, de staat waar verdachte woonachtig is. Na ommekomst van een eventueel op te leggen tijdelijke gevangenisstraf is de kans derhalve verwaarloosbaar dat verdachte zich onmiddellijk in de (Nederlandse) samenleving zal laten zien.

Bij afweging van bovengenoemde factoren en alle overige van belang zijnde omstandigheden komt het hof tot de slotsom dat - binnen het gegeven wettelijke kader - volstaan dient te worden met de maximaal mogelijke tijdelijke gevangenisstraf. Het hof zal daarom volstaan met oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zijnde een zwarte pistool van het merk Walther P38, met betrekking tot hetwelk het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijnde 14 patronen van het merk Luger, 9 mm, die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair begane misdrijven zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen, zijnde 1,30 gram cocaïne, met behulp waarvan het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Met betrekking tot overige onder verdachte inbeslaggenomen en aan hem toebehorende voorwerpen zal het hof de teruggave daarvan gelasten, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet langer verzet.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,- bij wijze van voorschot ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks -materiële- schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte heeft de vordering niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De vordering kan voor het overige aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,- bij wijze van voorschot ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks -materiële- schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte heeft de vordering niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De vordering kan voor het overige aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte heeft de vordering niet betwist.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 4 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte heeft de vordering niet betwist.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, , 36d, 36f, 45 (oud), 57, 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 13 a van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een zwarte pistool van het merk Walther P38;

- 14 patronen van het merk Luger, 9 mm, en

- 1,30 gram cocaine

zijnde de onder de nummers 1, 2 en 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen (zie bijlage III).

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de onder de nummers 4 tot en met 9 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen (zie bijlage III).

de aan [benadeelde 1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 1], te betalen een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) bij wijze van voorschot.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [benadeelde 2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) bij wijze van voorschot.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [slachtoffer 2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [slachtoffer 3] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van

€ 2.000,00 (tweeduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr P.C. Vegter, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr P.R. Wery, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier,

en op 29 juni 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.