Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AX6443

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
01-06-2006
Zaaknummer
1193/2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, behoefte kind, tabel kosten kinderen 2005 toepassen (en niet doortrekken) in 2005 en tabel k.k. 2006 in 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

25 april 2006

Familiekamer

Rekestnummer 1193/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr H. van Lotringen,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr H.J.R.M. Boersma.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 5 september 2005, uitgesproken onder rekestnummer 124071 / FA RK 05-10496.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 2 december 2005, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen, althans de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 4 maart 1999 te wijzigen en de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het hierna te noemen kind van partijen [de dochter] met ingang van 5 september 2005 vast te stellen op € 378,- per maand, dan wel op € 460,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht, te voldoen bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand en voorts de vrouw te veroordelen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] en [de zoon] van € 150,- per kind per maand te voldoen, voor [de dochter] gedurende de periode van december 2001 tot en met december 2002 en voor [de zoon] gedurende de periode augustus 2001 tot en met december 2002, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding in beide instanties, kosten rechtens.

2.2 De vrouw heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 30 maart 2006 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr G.G.J. van Kooten, advocaat te Horst, en de vrouw bijgestaan door haar procureur.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de procureur van de vrouw van 16 maart 2006 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 8 juni 1990 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 4 maart 1999 heeft de rechtbank te Arnhem echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 maart 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is op 12 oktober 1990 [de dochter] geboren, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. Uit een eerder huwelijk van de vrouw is [de zoon] geboren. [de zoon] heeft vanaf augustus 2001 tot december 2002 bij de man gewoond en [de dochter] van december 2001 tot december 2002. In december 2002 zijn zij bij de vrouw gaan wonen. [de zoon] woont vanaf september 2004 in Noorwegen.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking van 4 maart 1999 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] ƒ 300,- / € 136,13 per maand zal voldoen.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 28 februari 2005, heeft de vrouw verzocht (het hof leest:) voormelde echtscheidingsbeschikking van 4 maart 1999 te wijzigen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] met ingang van 1 maart 2005 vast te stellen op € 900,- per maand. Bij verweerschrift heeft de man verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en voorts de vrouw te veroordelen primair een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] en [de zoon] van € 150,- per kind per maand te voldoen, voor [de dochter] gedurende de periode van december 2001 tot en met december 2002 en voor [de zoon] gedurende de periode augustus 2001 tot en met december 2002 en subsidiair een bedrag van € 2.031,- als zijnde onverschuldigd betaald door de man aan de man te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2005, de dag van onverschuldigde betaling door de man, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 4 maart 1999 gewijzigd en de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] met ingang van 1 maart 2005 op € 634,- per maand vastgesteld, de kosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.5 De man is werkzaam bij [...] Blijkens de belastingaangiftes van de man over 2003 en 2004 bedroeg zijn bruto jaarloon in 2003 € 94.266,- en in 2004 € 92.416,-. Het inkomen uit arbeid van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van de periodes 3 / 4 en 5 van 2005 € 6.052,47 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een bijdrage in de ziektekosten van de werkgever van € 68,16 per maand.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 1.422,75 aan hypotheekrente;

- € 50,- aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 228,05 aan premie ziektekostenverzekering en € 4,67 aan eigen risico tot 1 januari 2006, waarop in mindering strekt € 32,- die zijn begrepen in de bijstandsnorm. Vanaf 1 januari 2006 zijn geen andere gegevens bekend.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 2.550,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw heeft van 20 december 1998 tot februari 2002 in Noorwegen gewoond en woont vanaf februari 2002 weer in Nederland. Zij heeft vanaf december 2002 tot september 2004 met [de dochter] en [de zoon] een gezin gevormd. Vanaf september 2004 woont zij alleen met [de dochter].

De vrouw is vanaf 8 maart 2004 werkzaam bij [...] Haar belastbaar inkomen bedroeg volgens de jaaropgave over 2005 € 25.059,-. Blijkens de overgelegde salarisspecificatie van december 2005 bedroeg haar inkomen tot 1 januari 2006 € 2.044,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Vanaf 1 januari 2006 bedraagt haar inkomen blijkens de salarisspecificaties van januari en februari 2006 € 1.858,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De vrouw was tot 1 januari 2006 tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet. Zij ontvangt met ingang van 1 januari 2006 een huurtoeslag van € 134,80 per maand en een zorgtoeslag van € 15,25 per maand. De vrouw heeft recht op extra heffingskortingen, te weten kinderkorting, aanvullende kinderkorting (tot 2006), alleenstaande-ouderkorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

3.8 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 441,20 aan huur vanaf 1 juli 2005;

- € 19,- aan premie aanvullende ziekenfondsverzekering (in 2005);

- € 228,05 aan ziektekosten met ingang van 1 januari 2006:

€ 87,50 nominale premie ZVW

€ 30,60 premie aanvullende verzekering (€ 14,80 + € 15,80)

€ 109,95 inkomensafhankelijke premie ZVW.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Het geschil van partijen betreft de hoogte van de behoefte van [de dochter] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, de verdeling van die behoefte over de ouders en het door de rechtbank afgewezen verzoek van de man de vrouw te veroordelen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] en [de zoon] van € 150,- per kind per maand te voldoen over de periode dat zij bij de man woonden.

4.2 De vrouw heeft wijziging van de kinderalimentatie verzocht op grond van artikel 1:401 lid 1 BW aangezien het inkomen van de man is gewijzigd, en op grond van lid 5 van dit artikel. De man stelt dat partijen destijds de alimentatie hebben vastgesteld op basis van de behoefte van [de dochter] en hij betwist dat die behoefte is gewijzigd. Hij stelt dat de vrouw een deel van de kosten dient te betalen.

4.3 Het hof is van oordeel dat de ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kind. Het hof zal eerst de behoefte van [de dochter] vaststellen en vervolgens ieders draagkracht.

4.4 Voor de vaststelling van de behoefte van [de dochter] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding hanteert het hof de tabel “Eigen aandeel van de kosten van kinderen”, verder “tabel kosten kinderen”, die deel uitmaakt van het rapport alimentatienormen van de werkgroep alimentatienormen. Bepalend voor de behoefte is het gezamenlijke netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de man als dat hoger is.

4.5 De man heeft niet betwist dat zijn huidig inkomen hoger is dan het voormalig gezinsinkomen toen partijen nog samen waren en dat dit hogere inkomen bepalend is voor de huidige behoefte van [de dochter]. Dit betekent dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt en noodzakelijk maakt. De man is het echter niet eens met het doortrekken van de tabel kosten kinderen voor een inkomen dat hoger is dan een inkomen van € 3.500,- besteedbaar per maand. De behoefte van [de dochter] kan dus niet hoger zijn dan € 590,- per maand, aldus de man. Het hof overweegt dat het tot 1 januari 2006 de tabel kosten kinderen niet doortrok als het inkomen hoger was dan het hoogste inkomen van de tabel maar dat dit sinds 1 januari 2006 anders is nu de aanbeveling van de werkgroep op dit onderdeel is gewijzigd, zoals blijkt uit het rapport alimentatienormen 2006 van de werkgroep en de tabel kosten kinderen 2006. Het hoogste inkomen volgens de tabel is nu € 5.000,- besteedbaar per maand. Dit betekent voor de onderhavige zaak dat het hof voor de bijdrage in 2005 de tabel 2005 toepast met als maximum het daarin genoemde bedrag van € 590,- per maand en ingaande 1 januari 2006 de tabel 2006. Het in 3.5 vermelde inkomen van de man in 2005 van € 6.052,47 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en bijdrage van de werkgever in de ziektekosten, levert volgens de berekening van de draagkracht van het hof, zoals hierna wordt beoordeeld, een besteedbaar inkomen op van € 4.095,- per maand. Dit is hoger dan het hoogste inkomen volgens de tabel kosten kinderen 2005. Nu de vrouw een hogere behoefte niet heeft aangetoond en de man evenmin heeft aangetoond dat de behoefte van [de dochter] lager is, stelt het hof de behoefte van [de dochter] in 2005 vast op € 590,- per maand. In 2006 is het hoogste inkomen volgens de tabel kosten kinderen doorgetrokken naar € 5.000,- per maand. Bij voormeld besteedbaar inkomen van de man bedraagt de behoefte volgens de tabel 2006 € 620,- per maand. Het hof stelt de behoefte van [de dochter] in 2006 dan ook vast op dit bedrag.

4.6 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] te betalen. De vrouw betwist dat.

4.7 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.8 De vrouw stelt dat de man samenwoont met een verdienende partner. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn partner een deel van zijn woning heeft gekocht, dat zij daar woont en dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gelet op de verklaring van de man dat hij met zijn partner in één woning woont, het feit dat de partner van de man in eigen levensonderhoud voorziet en omdat de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn partner een hypothecaire geldlening heeft afgesloten voor een deel van zijn woning, houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande met een beschikbare draagkrachtruimte van 60% én met de helft van de woonlasten, zowel in het fiscale traject als bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen.

4.9 De man exploiteert blijkens het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel vanaf 16 december 2004 een eenmanszaak genaamd ‘[...]’. Hij verhuurt in dat kader zijn vliegtuig aan de vorige eigenaar van het vliegtuig. Hij stelt dat de verhuur hobbymatig is en dat hij € 100.000,- heeft geleend om het vliegtuig te financieren. De aflossing van deze lening bedraagt € 833,- per maand en de rente € 400,- per maand, hetgeen neerkomt op een totale last van € 1.233,- per maand. Het hof overweegt dat het uitoefenen van een hobby geen voorrang heeft boven de onderhoudsplicht van de man jegens [de dochter]. Nu niet aannemelijk is geworden dat de man meer inkomsten heeft dan de totale lasten van € 1.233,- per maand, laat het hof de exploitatie van de eenmanszaak in de draagkrachtberekening geheel buiten beschouwing.

4.10 Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties heeft de man draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] van € 1.627,- per maand inclusief het belastingvoordeel wegens betaalde kinderalimentatie.

4.11 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.7 en 3.8 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.12 Voor het maken van een vergelijking van de draagkracht van de ouders ter verdeling van de kosten van hun kind beveelt het rapport alimentatienormen aan bij de rechthebbende op de alimentatie te rekenen met de norm voor een alleenstaande, tenzij er nog andere gezinsleden zijn dan de kinderen van partijen. Nu de vrouw uitsluitend met [de dochter] een gezin vormt, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage.

4.13 Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde schuld aan haar ouders van € 9.500,-, noch met de studieschuld van € 9.729,-, nu de vrouw hieromtrent geen betalingsbewijzen heeft overgelegd en niet is gebleken dat zij daadwerkelijk op deze schulden aflost.

4.14 De vrouw stelt in hoger beroep dat zij arbeidsongeschikt is, dat zij mede als gevolg daarvan tot 31 december 2005 € 12,- per dag en vanaf 1 januari 2006 € 12,80 per dag heeft betaald aan de Regiotaxi en dat zij € 167,34 per vier weken heeft betaald aan huishoudelijke verzorging. Het hof houdt geen rekening met deze door de vrouw gestelde posten, aangezien zij deze lasten niet voldoende gespecificeerd heeft aangetoond.

4.15 Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] van € 372,- per maand in 2005 en € 464,- per maand in 2006.

4.16 Verdeling van de behoefte van [de dochter] naar draagkracht van de beide ouders betekent dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] dient te leveren in 2005 van € 480,- per maand en in 2006 van € 482,- per maand. Het hof zal deze bedragen vaststellen.

4.17 Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Het hof hanteert -evenals de rechtbank- als ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage 1 maart 2005, de eerste dag van de maand na indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, nu de man vanaf dat moment rekening kon en behoorde te houden met een eventuele verhoging van de kinderalimentatie.

4.18 Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw over een periode in 2001 en 2002 een bijdrage aan hem te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] en [de dochter] van € 150,- per kind per maand, dat de man zijn door de vrouw betwiste stelling dat door partijen in 2001 is afgesproken dat hij, aangezien hij in 2001 en 2002 de zorg en de daarmee gepaard gaande kosten voor [de zoon] en [de dochter] geheel voor zijn rekening zou nemen, in 2003 geen alimentatie aan de vrouw voor [de dochter] hoefde te betalen, niet aannemelijk heeft gemaakt, nu hij deze afspraak niet nader heeft aangetoond en hij terzake geen bewijs heeft aangeboden. Dat de vrouw in afwijking van deze tussen partijen niet vaststaande afspraak toch alimentatie heeft verzocht voor [de dochter] vormt dan ook geen goede grond voor het vaststellen van alimentatie voor de kinderen ten laste van de vrouw over een periode in 2001 en 2002. Bovendien is het niet redelijk dat de man pas in 2005 ten laste van de vrouw aanspraak maakt op alimentatie over een periode in 2001 en 2002. De vrouw behoefde daarmee na zo lange tijd geen rekening meer te houden. Het hof zal daarom dit verzoek van de man afwijzen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de beschikking van 4 maart 1999 is gewijzigd.

5.2 Nu uit het verloop van de procedures blijkt dat partijen niet tot overeenstemming konden komen, kan het argument van de man dat hij enkele dagen na de aanmaningsbrief al met het verzoekschrift is geconfronteerd niet tot het oordeel leiden dat de vrouw in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 5 september 2005 voor zover daarbij de beschikking van 4 maart 1999 is gewijzigd, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt, voor zover het de kinderalimentatie betreft, de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 4 maart 1999 en bepaalt dat de man aan de vrouw in de periode van 1 maart 2005 tot 1 januari 2006 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] € 480,- per maand zal betalen en vanaf 1 januari 2006 € 482,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Mens, Katz-Soeterboek en Brands- Bottema en is op 25 april 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.