Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AX4058

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
24-05-2006
Zaaknummer
2005/441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gebrekkige reactie van de gemeente geeft thans aanleiding tot het oordeel dat zij – hoewel daartoe nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld – de met stukken onderbouwde stelling van [geïntimeerde], dat hij met toestemming van de gemeente zijn melkquotum aan de overheid heeft afgestaan in het kader van de Derde regeling opkoop heffingvrije hoeveelheden, onvoldoende onderbouwd heeft betwist. Het hof ziet geen gronden voor het geven van nader uitstel aan de gemeente ter raadpleging van het Ministerie. Dit geldt temeer, nu de gemeente haar akte heeft genomen op 31 januari – ruimschoots na de “drukke maand december” waarvan zij melding maakt – en uit die akte niet blijkt dat zij enig initiatief heeft genomen tot het aanvangen van het in nr. 17 van die akte bedoelde nader onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11 april 2006

pachtkamer

rolnummer 2005/441 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de gemeente Boxmeer,

zetelende te Boxmeer,

appellante,

procureur: mr. A.A. Voets,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Voortzetting van de procedure in hoger beroep

1.1 Ter uitvoering van het tussenarrest van 6 december 2005 is de gemeente akte verleend van enige uitlatingen en het overleggen van producties. [geïntimeerde] is akte verleend van zijn reactie op een en ander.

1.2 Vervolgens hebben partijen wederom de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 Voortzetting van de beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar hetgeen in zijn tussenarrest van 6 december 2005 is overwogen en beslist. Daarbij wordt volhard, met dien verstande dat – zoals de gemeente terecht opmerkt – in overweging 4.4 onder “(c)” het jaartal “1989” dient te worden gelezen als “1987”.

2.2 In het tussenarrest is de gemeente in de gelegenheid gesteld “thans voor zover mogelijk met stukken” te reageren op een aantal door [geïntimeerde] in het geding gebrachte producties. Het hof heeft daarbij gewezen op de bewijskracht die kan worden toegekend aan de door [geïntimeerde] overgelegde stukken. In rechtsoverweging 4.5 van het tussenarrest is gewezen op onduidelijkheid over de vraag wie volgens de gemeente als verpachtster optrad (zij zelf of de gemeente Oeffelt) en is aangegeven dat niet duidelijk is welke stukken precies zijn onderzocht en of de gemeente nog over een volledige administratie beschikt. Daarbij is met zoveel woorden aangegeven dat het de vraag is of nog afschriften van rekeningen aanwezig zijn en of daaruit onmiskenbaar volgt dat in 1987 (op postrekening [...], het nummer dat staat vermeld op het door [geïntimeerde] overgelegde formulier, of op een andere rekening) geen bedrag van f 16.072,10 is ontvangen. Uit een en ander moest voor de gemeente duidelijk zijn dat het hof in ieder geval overlegging de relevante afschriften van postrekening [...] verwachtte.

2.3 De gemeente heeft geen rekeningafschriften overgelegd. Zij heeft evenmin aangegeven dat zij niet meer over dergelijke afschriften beschikt. Wel heeft zij in haar akte onder nr. 18 aangegeven dat “het eerder door haar ingesteld onderzoek in haar boeken heeft opgeleverd, dat er in 1987 wel een betaling door haar is ontvangen wegens vergoeding van de waarde van het melkquotum, doch dat zulks geen betaling was inzake de verkoop door geïntimeerde, doch van een ander persoon”. Zij heeft niet vermeld welk bedrag is overgemaakt (f 16.072,10 of een ander bedrag dat geen verband lijkt te houden met de onderhavige kwestie), heeft evenmin aangegeven op welke datum de betaling is binnengekomen en heeft niets aangevoerd over de wijze waarop een en ander uit haar administratie is gebleken. Daarmee blijkt onvoldoende dat een vergissing in haar administratie onaannemelijk is. Uit hetgeen zij stelt over “het eerder door haar ingesteld boekenonderzoek” volgt dat het tussenarrest haar kennelijk geen aanleiding heeft gegeven om opnieuw haar financiële administratie te raadplegen. Gelet op hetgeen de gemeente aanvoert in haar akte onder nrs. 4 en 14 volhardt zij kennelijk in haar standpunt dat zij de kwestie grondig heeft onderzocht en dat nadere onderbouwing van haar standpunt dat geen betaling is ontvangen niet aan de orde is. Het hof heeft dit standpunt echter reeds verworpen in rechtoverweging 5.5 van het tussenarrest.

2.4 De gebrekkige reactie van de gemeente geeft thans aanleiding tot het oordeel dat zij – hoewel daartoe nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld – de met stukken onderbouwde stelling van [geïntimeerde], dat hij met toestemming van de gemeente zijn melkquotum aan de overheid heeft afgestaan in het kader van de Derde regeling opkoop heffingvrije hoeveelheden, onvoldoende onderbouwd heeft betwist. Het hof ziet geen gronden voor het geven van nader uitstel aan de gemeente ter raadpleging van het Ministerie. Dit geldt temeer, nu de gemeente haar akte heeft genomen op 31 januari – ruimschoots na de “drukke maand december” waarvan zij melding maakt – en uit die akte niet blijkt dat zij enig initiatief heeft genomen tot het aanvangen van het in nr. 17 van die akte bedoelde nader onderzoek.

2.5 Nu de gemeente wordt afgerekend op onvoldoende onderbouwing van haar betwisting en daarmee op haar stel- en substantiëringsplicht, is er geen plaats voor bewijslevering. Het bewijsaanbod van de gemeente (memorie van grieven, nr. 31 e.v.) wordt mitsdien gepasseerd.

2.6 De slotsom luidt dat de grieven de gemeente niet kunnen baten en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Nu de gemeente in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van deze instantie.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, van 8 maart 2005, waarvan beroep;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 244,-- wegens griffierecht en € 1.788,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Valk en Van Osch en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ir. Duenk en is uitgesproken in tegenwoor-digheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 11 april 2006.