Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AX0789

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
10-05-2006
Zaaknummer
2005/042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde], omdat hij aansprakelijk is voor de publicatie van een artikel in het lokaal verschijnende blad De Nijkerker, waarin [geïntimeerde] als ambtenaar van de gemeente Nijkerk is beschuldigd van ontoelaatbaar gedrag, te weten het aannemen van een geschenk - een hardhouten trap ter waarde van f 6.000,- - van een bouwonderneming, alsmede dat [geïntimeerde] door die publicatie schade heeft geleden, doordat zij ten gevolge daarvan in ernstige problemen is gekomen op haar werk en is aangetast in haar eer en goede naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 april 2006

eerste civiele kamer

rolnummer 2005/42 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 15 september 2004 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad in kort geding heeft gewezen tussen principaal appellant/incidenteel geïntimeerde (hierna te noemen: [appellant]) als gedaagde en principaal geïntimeerde/incidenteel appellante (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiseres; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 12 oktober 2004 aangezegd van voormeld vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Daarbij heeft hij aangekondigd te zullen concluderen dat het hof, bij arrest voor zover wettelijk geoorloofd uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met haar veroordeling in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd conform de aankondiging in het exploot van dagvaarding in hoger beroep.

2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en producties in het geding gebracht. Voorts heeft zij hierbij incidenteel appel ingesteld tegen het bestreden vonnis en daartegen twee grieven aangevoerd, die zij heeft toegelicht. Zij heeft bewijs aangeboden en geconcludeerd in het principaal en in het incidenteel appel:

dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep althans dit beroep ongegrond zal verklaren, alsmede het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen voor zover deze in eerste aanleg niet zijn toegewezen alsnog zal toewijzen, behoudens het onder 2 in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties (het hof leest: het principaal appel), respectievelijk in de kosten van het incidenteel appel.

2.4 [appellant] heeft vervolgens een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen, tevens akte houdende uitlating producties. Hij heeft hierbij nieuwe producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden, en geconcludeerd in het incidenteel appel:

dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] niet ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, die althans ongegrond zal verklaren, met haar veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.5 [geïntimeerde] heeft daarop een antwoordakte genomen.

2.6 Vervolgens hebben partijen de procesdossiers overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.10 een aantal feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn aangevoerd, gaat ook het hof uit van die feiten, met de volgende aanvulling bij 1.4.

In een brief van het college van B&W van Nijkerk van 26 augustus 2004 (productie 6 in eerste aanleg van [appellant]) is vermeld dat [geïntimeerde] nimmer formeel op non-actief is gesteld in de zin dat jegens haar een ordemaatregel is getroffen, doch dat wel in overleg met haar is besloten dat zij met behoud van bezoldiging thuis zou blijven.

4 De motivering van de beslissing in het principaal en het incidenteel appel

4.1 De eerste twee grieven in het principaal appel zullen gezamenlijk worden behandeld.

[appellant] bestrijdt door middel van deze grieven het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde], omdat hij aansprakelijk is voor de publicatie van een artikel in het lokaal verschijnende blad De Nijkerker op 12 juli 2004, waarin [geïntimeerde] als ambtenaar van de gemeente Nijkerk is beschuldigd van ontoelaatbaar gedrag, te weten het aannemen van een geschenk - een hardhouten trap ter waarde van f 6.000,- - van een bouwonderneming, alsmede dat [geïntimeerde] door die publicatie schade heeft geleden, doordat zij ten gevolge daarvan in ernstige problemen is gekomen op haar werk en is aangetast in haar eer en goede naam.

4.2 [appellant] voert aan dat bij de belangenafweging die in dit geval dient plaats te vinden, ook in aanmerking genomen moet worden de mate van waarschijnlijkheid dat het in het algemeen belang nagestreefde doel - het aankaarten van een ernstige maatschappelijke misstand - langs andere voor de wederpartij minder schadelijke wegen had kunnen worden bereikt. Hij stelt dat daarvan in dit geval geen sprake was, omdat voor hem daartoe geen alternatief beschikbaar was. Voorts is volgens hem juist de omstandigheid dat het een strafbaar feit ingevolge artikel 362 Sr zou opleveren als de bewuste beschuldiging op waarheid zou berusten, een reden om in dit geval geen onrechtmatigheid aan te nemen. Hij bestrijdt dat hij op grond van zijn voormalige functies van politie-ambtenaar en sociaal rechercheur had moeten beseffen dat een journalist gebruik zou maken van de door hem opgestelde verklaring voor een publicatie, voert aan dat een journalist niet altijd tot publicatie overgaat, en wijst bovendien op het feit dat de betrokken journalist met hem uitdrukkelijk heeft afgesproken dat de door [appellant] ondertekende verklaring met betrekking tot het door [geïntimeerde] aannemen van bovengenoemd geschenk alleen aan het college van B&W van Nijkerk zou worden verstrekt. Aan [appellant] kan dan ook niet worden verweten dat de journalist die afspraak niet is nagekomen, ook al was er sprake van een hoge lokale nieuwswaarde.

Verder voert [appellant] aan dat hij slechts een feitelijke mededeling die [geïntimeerde] hem tijdens het huwelijk van partijen heeft gedaan, in de bewuste verklaring heeft vermeld en dat het niet op zijn weg lag die mededeling met schriftelijke gegevens te onderbouwen. [geïntimeerde] deed de administratie tijdens het huwelijk van partijen. Het ligt volgens [appellant] op de weg van [geïntimeerde], ook als eiseres in deze procedure, om de onjuistheid van de bewuste mededeling aan te tonen. Een voorbehoud ten aanzien van die duidelijke mededeling van [geïntimeerde] aan [appellant] was niet aan de orde. Niet van belang is volgens hem dat het om een acht jaar oud feit ging en [geïntimeerde] zich in 2004 reeds in een kwetsbare positie ten opzichte van haar werkgever bevond in verband met een onderzoek van die zijde naar haar toenmalige partner, ook gemeente-ambtenaar.

[geïntimeerde] is volgens [appellant] niet (ernstig) geschaad door de publicatie naar aanleiding van zijn verklaring, omdat zij in verband met voornoemd onderzoek haar werk reeds niet verrichtte en haar salaris doorbetaald kreeg. Door de publicatie van een artikel over deze kwestie in het blad "Stad Nijkerk" op 14 juli 2004 heeft zij het standpunt van [appellant] kunnen weerleggen.

4.2 Het hof is evenals de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [appellant] door het hierboven in 4.1 bedoelde handelen, dat kort gezegd erop neerkomt dat hij over de trapkwestie heeft gesproken met een journalist en de hem voorgelegde, daarop betrekking hebbende verklaring heeft ondertekend, onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [geïntimeerde], ook als de verklaring van [appellant] op juiste gegevens zou berusten.

Al hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd kan niet afdoen aan deze conclusie, gezien het volgende. Aan zijn bewijsaanbod wordt voorbijgegaan, omdat daarvoor in kort geding geen plaats is.

4.3 Allereerst moet wel degelijk worden aangenomen dat de bewuste publicatie aan [appellant] valt toe te rekenen.

Vast staat dat [appellant], op verzoek van de bewuste journalist, [journalist], de bovengenoemde verklaring, door [journalist] opgesteld, met de hand heeft gecorrigeerd en vervolgens heeft ondertekend. In zijn verklaring, overgelegd als productie 5 in hogere beroep bij akte in principaal appel, genomen bij memorie van antwoord in incidenteel appel, heeft [journalist] onder meer vermeld dat hij indertijd hoofdredacteur was van het blad De Nijkerker, dat hij [appellant] vooraf niet expliciet heeft gemeld dat hij de informatie zou gebruiken voor een artikel in de krant, doch dat deze wist dat [journalist] journalist was en dat [journalist] de verklaring van [appellant] zou overhandigen aan het college van B&W van Nijkerk.

[appellant] heeft aldus willens en wetens het risico genomen dat [journalist] gebruik zou maken van de informatie uit deze verklaring voor een publicatie in het blad De Nijkerker. Zijn stelling dat uitdrukkelijk was afgesproken dat [journalist] de verklaring alleen aan het college van B&W zou verstrekken, doet daaraan niet af, al was het maar omdat zulk een afspraak nog niet betekent dat [journalist] niet zou publiceren over de inhoud van de verklaring.

Overigens valt ook gezien de stelling van [appellant] dat het van belang is dat de maatschappij op de hoogte is van een dergelijke ernstige misstand en dat daarvoor in het onderhavige geval geen minder schadelijke wegen bestonden, niet in te zien dat het niet zijn bedoeling is geweest dat zijn beschuldiging door middel van het bewuste artikel in de publiciteit zou komen. Dat hij gezien zijn (vroegere) functies niet bekend was met hetgeen het gevolg kan zijn van het verschaffen van informatie aan een journalist, is ongeloofwaardig, nog daargelaten dat dit algemeen bekend is.

Indien voor [appellant] voorop stond dat hij een ernstige maatschappelijke misstand wilde aankaarten, had hij dit wel degelijk op een andere manier kunnen doen, bijvoorbeeld door het gemeentebestuur te informeren zonder tussenkomst van een journalist. Bovendien valt niet te begrijpen waarom [appellant] hiermee dan tenminste zes jaar heeft gewacht. [appellant] was bij de plaatsing van de trap nog in gemeenschap van goederen gehuwd met [geïntimeerde], doch hun huwelijk is in 1998 reeds ontbonden. In 2004 verkeerde [geïntimeerde] echter juist wel in een uiterst kwetsbare positie, gezien het onderzoek naar nevenwerkzaamheden van haar toenmalige partner in verband waarmee ook zij haar werkzaamheden als ambtenaar tijdelijk niet kon verrichten (zie pleitnota [geïntimeerde] in eerste aanleg, pagina 2 vierde alinea).

4.4 De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden van de (gepubliceerde) beschuldiging wordt eveneens verworpen, gezien het volgende.

De in onderdeel 3 genoemde brief van B&W van Nijkerk aan [appellant] bevat naast hetgeen in dat onderdeel is vermeld, de volgende passage: "Op grond van uw verklaring is deze situatie, waaraan anders wellicht een einde zou zijn gekomen, gecontinueerd. Daarbij is haar wel medegedeeld dat gelet op de ontstane situatie een ordemaatregel zou worden getroffen als zij hiermee niet zou instemmen."

Voorts staat vast dat [geïntimeerde] pas begin 2005 weer aan het werk kon gaan, nadat zij zich met behulp van een raadsman aan (de raadsman van) de gemeente Nijkerk uitgebreid heeft verantwoord over hetgeen haar door [appellant] verweten wordt (zie productie 1 bij memorie van antwoord/incidentele memorie van grieven).

Zij is derhalve wel degelijk ernstig geschaad met betrekking tot haar functioneren als ambtenaar bij de gemeente Nijkerk.

Tevens moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] in haar eer en goede naam is aangetast door de publicatie, reeds gezien de kop boven het bewuste artikel: "Vriendin topambtenaar accepteerde cadeau [...] TWEEDE AMBTENAAR IN DE FOUT". Dat [geïntimeerde] op 14 juli 2004 haar visie op de verklaring van [appellant] via een artikel in "De stad Nijkerk" heeft gegeven doet daaraan niet (voldoende) af.

4.5 Dit alles betekent dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen zich te onthouden van dergelijke mededelingen toewijsbaar is, in de hierna te noemen zin.

4.6 De derde grief in het principaal en de eerste grief in het incidenteel appel zullen gezamenlijk worden behandeld. Deze betreffen de in eerste aanleg afgewezen vordering van [geïntimeerde] tot het (doen) plaatsen van een rectificatie in De Nijkerker.

[geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de verklaring van [appellant] die de basis heeft gevormd voor het in De Nijkerker verschenen artikel feitelijk onjuist was.

Zij heeft in dit verband in hoger beroep overgelegd een overzicht meerwerkzaamheden d.d. 30 november 1995, met als naam van de koper: [appellant]/[geïntimeerde], bouwnummer 73, waarop als nummer 38 een hardhouten trap is vermeld, en als totaalbedrag van dit meerwerk f 14.984,50. Op dit overzicht is aangetekend dat het bedrag ad f 14.984,50 als "Meerwerk bouwnr.73" betaald moest worden uit het bouwdepot met nummer 48.15.54.750. Tevens is overgelegd een afschrift d.d. 13 december 1995 van de toenmalige bankrekening van partijen waarop de betaling van dit bedrag is vermeld.

Voorts heeft [geïntimeerde] een brief van de advocaat van de bestuurder in 1995 van het bewuste bouwbedrijf, [...], d.d. 15 november 2004 overgelegd. Daarin heeft deze advocaat vermeld dat hij van deze bestuurder, [X.], heeft begrepen dat (voorzover [X.] bekend is) de beschuldiging van de ex-man van [geïntimeerde] onjuist is en dat geen enkele aanleiding bestaat aan te nemen dat de betreffende hardhouten trap in 1995 aan mevrouw [geïntimeerde] cadeau zijn gedaan door [...] B.V., aldus [X.].

Volgens [appellant] zijn de door zijn verklaring geopenbaarde gegevens juist en zou, zelfs als deze onjuist zouden blijken te zijn, de conclusie nog niet automatisch moeten zijn dat moet worden overgegaan tot rectificatie, omdat [geïntimeerde] reeds de gelegenheid heeft waargenomen tot een weerwoord in een ander blad.

4.7 Het hof kan het antwoord op de vraag of de beschuldiging van [appellant] juist is, in het midden laten, in verband met het volgende.

Gelet op het lange tijdsverloop sinds de gewraakte publicatie in De Nijkerker en in aanmerking nemende dat [geïntimeerde] kort na die publicatie de gelegenheid heeft gehad en gebruikt om ook haar standpunt in de plaatselijke pers verwoord te krijgen, is het hof van oordeel dat de gewenste rectificatie, waardoor de zaak weer helemaal opgerakeld zou worden, meer kwaad dan goed zou doen. De in kort geding vereiste belangenafweging brengt mee dat het belang van [geïntimeerde] daarmee niet meer is gediend.

Het hof zal daarom de eerste grief in het incidenteel appel niet honoreren en bevindt de derde grief in het principaal appel gegrond, zij het dat dit niet tot een andere dan de door de eerste rechter gegeven beslissing en dus (in dit opzicht) niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leidt.

4.8 Door middel van de vierde grief in het principaal appel voert [appellant] aan dat het gebod zich te onthouden van het doen van mededelingen met de strekking dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping te ruim is geformuleerd. Hij zou hierdoor worden belemmerd in de mogelijkheid aangifte te doen van bedreiging of chantage, naar het hof begrijpt tegen [geïntimeerde], en te reageren op de aangifte die [geïntimeerde] tegen hem heeft gedaan (welke inmiddels heeft geleid tot een dagvaarding) en aldus worden belemmerd in zijn vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM).

Het hof acht dit verweer en deze grief in zoverre gegrond, dat het gebod om zich te onthouden van mededelingen met bovengenoemde strekking uitsluitend dient te betreffen het (verder) geven van ruchtbaarheid aan de door [geïntimeerde] gewraakte uitlatingen waarop zij haar vordering tegen [appellant] heeft gebaseerd.

Het gebod zal derhalve in die zin worden aangepast, dat [appellant] zich dient te onthouden van het geven van ruchtbaarheid aan verklaringen of mededelingen die inhouden of de strekking hebben dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping.

Dit gebod dient aldus te worden verstaan dat het [appellant] in het kader van de inmiddels tegen hem lopende strafprocedure wel vrijstaat zich over alle op deze kwestie betrekking hebbende omstandigheden uit te laten.

Voor de door [appellant] gewenste verlaging en beperking van de in eerste aanleg opgelegde dwangsommen acht het hof geen termen aanwezig, gezien de ernst van de betrokken beschuldiging.

4.9 Door de tweede grief in het incidenteel appel maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen de beperking van het in eerste aanleg opgelegde gebod tot het doen van beschuldigingen van ambtelijke omkoping en de toegepaste matiging van de gevorderde dwangsommen. Het hof verwerpt deze grief. [geïntimeerde] heeft volstrekt onvoldoende gesteld voor het geven van het door haar gevorderde zeer ver strekkende gebod. Met betrekking tot de dwangsom wordt verwezen naar hetgeen hierboven is overwogen; voor een hogere dwangsom zijn geen termen aanwezig.

4.10 [appellant] stelt zich ten slotte in de toelichting op zijn vierde grief in het principaal appel op het standpunt dat hij in eerste aanleg ten onrechte in de kosten veroordeeld, nu twee van de drie vorderingen niet zijn toegewezen. Het hof verwerpt deze grief, nu het in eerste aanleg (en in het principaal appel) centrale geschilpunt tussen partijen, te weten of [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, ten nadele van [appellant] is beslist. Het hof acht hem daarmee de overwegend in het ongelijk gestelde partij.

4.11 De slotsom is dat het principaal appel gedeeltelijk slaagt en dat het incidenteel appel niet opgaat. Het vonnis waarvan beroep zal deels worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. Op gronden als reeds in de vorige rechtsoverwegingen aangegeven, zal [appellant] worden verwezen in de kosten van het principaal appel. De kosten van het incidenteel appel dienen ten laste van [geïntimeerde] te worden gebracht.

[geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

5 De beslissing in het principaal appel en in het incidenteel appel

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

in het principaal appel:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 september 2004, behoudens de veroordeling onder I van het dictum van dit vonnis,

vernietigt dit vonnis in zoverre en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om zich te onthouden van het geven van ruchtbaarheid aan verklaringen of mededelingen die inhouden of de strekking hebben dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per keer onder bepaling dat uit hoofde van dit arrest geen hoger bedrag aan dwangsommen zal worden verbeurd dan € 100.000,-;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 288,- aan verschotten en op € 894,- voor salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] bepaald op € 447,- voor salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mannoury, Groen en Van den Brink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2006.