Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW7418

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
03-02352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges

Het toepassen van een vast tarief vermeerderd met een vaste toeslag per werkplek voor een gebruiksvergunning voor een seksinrichting leidt niet tot een onredelijke/willekeurige belastingheffing.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 216, geldigheid: 2006-04-06
Gemeentewet 217, geldigheid: 2006-04-06
Gemeentewet 229, geldigheid: 2006-04-06
Grondwet 1, geldigheid: 2006-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 690
FutD 2006-0848
Belastingblad 2006/762

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 03/002352

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van het Hoofd Afdeling Heffingen van de gemeente Arnhem (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het na te melden van hem gevorderde bedrag aan leges.

1. Gevorderd bedrag en bezwaar

1.1. Bij schriftelijke kennisgeving van 30 maart 2001 is van belanghebbende een bedrag gevorderd van ƒ 24 450 voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag van 2 november 2000 om een gebruiksvergunning voor de panden a-straat 1, 2, 3 en 4 te P. Het gevorderde bedrag is opgebouwd als volgt:

Basisbedrag per aanvraag ƒ 6 850,–

Aanvulling per werkplek: 22× ƒ 800 =ƒ 17 600,– +

Totaal: ƒ 24 450,–.

1.2. Het bezwaar van belanghebbende is bij uitspraak van de verweerder van 24 oktober 2003 ongegrond verklaard.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 4 december 2003 en aangevuld op 26 januari 2004.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 1 maart 2006 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van de verweerder. De gemachtigde van belanghebbende is met schriftelijke kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2.4. Van het onderzoek ter zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende exploiteert in de onder 1.1 genoemde panden een seksinrichting.

3.2. Krachtens hoofdstuk 6 van de Bouwverordening van de gemeente Arnhem, zoals gewijzigd bij raadsbesluit van 26 juni 2000, is voor het gebruik van panden als seksinrichting een vergunning nodig.

3.3. Volgens artikel 5, lid 1, van de Legesverordening 2000, vastgesteld bij raadsbesluit van 6 december 1999 en bekendgemaakt in de Arnhemse Koerier van 15 december 1999, worden leges geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

3.4. Bij raadsbesluit van 4 september 2000 is de Legesverordening 2000 gewijzigd. Daarbij is onder meer artikel 7.4.1.6b – naar het Hof verstaat: het aldus genummerde onderdeel van de in artikel 5 bedoelde tarieventabel – ingevoegd, dat luidt:

7.4.1 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van:

7.4.1.6b een vergunning voor het in gebruik hebben of houden van bouwwerken als bedoeld in artikel 6.1.1, lid 1, sub f (seksinrichtingen) van de Bouwverordening ƒ 6 850,–

verhoogd met ƒ 800,– per werkplek zoals nader omschreven in de “Inrichtingseisen en brandveiligheidsvoorschriften seksinrichtingen”.

Deze wijzigingsverordening treedt volgens artikel II in werking op de dag na haar bekendmaking. Deze heeft plaatsgehad in de Arnhemse Koerier van 13 september 2000. Een kopie daarvan behoort tot de stukken.

3.5. Met ingang van 21 september 2000 – de achtste dag na de bekendmaking in dezelfde Arnhemse Koerier – is het collegebesluit ‘Inrichtingseisen en brandveiligheidsvoorschriften seksinrichtingen’ van 5 september 2000 in werking getreden. Het betreft voorschriften met betrekking tot de gezondheid, hygiëne en de (brand)veiligheid voor zowel de prostitué(e) als de bezoeker van het betrokken pand.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld, of het aan leges gevorderde bedrag is geheven uit kracht van een onverbindende tariefbepaling,

in het bijzonder met het oog op de vragen,

4.1.1. of de onderhavige leges mede strekken tot dekking van lasten die geen, althans onvoldoende, verband houden met de onderhavige vergunningverlening, en

4.1.2. of de tarieventabel een met artikel 1 van de Grondwet strijdig onderscheid maakt tussen de onderhavige inrichtingen enerzijds en anderzijds kamerverhuurbedrijven,

4.2. alsmede of deze vergunningverlening een dienst vormt in de zin van artikel 229, lid 1, onderdeel b, van de Gemeentewet.

4.3. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.4. Daaraan is mondeling namens de verweerder toegevoegd wat is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.

4.5. Belanghebbende verzoekt in beroep het gevorderde bedrag te vernietigen.

4.6. De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Met betrekking tot vraag 4.1.1:

5.1.1. Zoals is beslist in de arresten van de Hoge Raad van 4 februari 2005, nrs. 38 860 en 40 072 (BNB 2005/112c* resp. 2005/113c*, Belastingblad 2005, blz. 395 resp. 397), wordt de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet alleen dan overschreden indien het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld uitgaat boven het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. Gesteld noch gebleken is dat de geraamde baten van de totale leges volgens de tarieven van de met ingang van 14 september 2000 gewijzigde Legesverordening 2000 uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

5.1.2. Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999, nr. 34 616 (BNB 1999/448* en Belastingblad 2000, blz. 15), moet bij het bepalen van de kosten van een voorziening of een dienst in beginsel zo nauwkeurig mogelijk worden geraamd en moet vervolgens het tarief van de heffing zodanig te worden vastgesteld dat geen winst wordt gemaakt. Gesteld noch gebleken is de lasten van de hiervoor bedoelde werkzaamheden door de opbrengst hiervan worden overtroffen, of dat die lasten of opbrengst niet voldoende nauwkeurig zouden zijn geraamd.

5.1.3. Volgens artikel 217, lid 1, in verbinding met artikel 216 van de Gemeentewet is uitsluitend de gemeenteraad bevoegd de hoogte van de tarieven van gemeentelijke belastingen te beoordelen en vast te stellen. Voor ingrijpen van de bestuursrechter in belastingzaken is slechts plaats, indien een gekozen tariefstelling duidelijk leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Het toegepaste tarief bestaat uit een vast bedrag per gebruiksvergunning vermeerderd met een vaste toeslag per werkplek. Daardoor is het tarief afhankelijk van geen andere grootheid dan de, in het aantal werkplekken uitgedrukte, omvang van de inrichting. Aldus heeft de gemeentelijke wetgever een verband gelegd tussen de hoogte van het recht dat wordt geheven voor de onderhavige dienst, bestaande uit het behandelen van een aanvraag van een gebruiksvergunning, en de waarde van de dienst. Een dergelijk verband maakt de heffing van leges niet willekeurig of onredelijk, zoals ook volgt uit de zesde rechtsoverweging van het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 1982, nr. 21 332 (BNB 1982/289 en Belastingblad 1983, blz. 11).

5.1.4. Het stond de gemeentelijke wetgever vrij, de hoogte van de onderhavige leges mede te laten bepalen door het streven, de kosten van de onderhavige dienstverlening voor 100% te dekken. Dit wordt niet anders doordat andere met leges belaste diensten een ander dekkingspercentage kennen, nog daargelaten dat bepaalde tarieven gebonden zijn aan een bijzondere wettelijke maxima, zoals dat van artikel 6, lid 2, van het Besluit paspoortgelden.

5.2. Met betrekking tot vraag 4.1.2:

5.2.1. Zoals hiervoor onder 5.1.3 is overwogen, varieert de hoogte van de onderhavige leges slechts naar gelang van het aantal werkplekken in de inrichting. Noch artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, noch enige andere rechtsregel verzet zich ertegen dat voor gebruiksvergunningen als de onderhavige een anders opgebouwd tarief geldt dan voor een gebruiksvergunning voor bouwwerken niet zijnde seksinrichtingen. Beide categorieën vormen geen gelijke gevallen. Tussen deze categorieën bestaan, zoals de verweerder ter zitting heeft toegelicht en het Hof aannemelijk acht, betekenende verschillen wat betreft:

– de controleerbaarheid van de brandvertragingsfactor van de wanden en plafonds van de betrokken panden,

– de werking van de privé-kluisjes,

– de duur van de inspecties,

– de noodzaak tot hercontrole, mede afhankelijk van de bereidheid van de betrokken exploitanten te voldoen aan de gebreken-actielijsten,

– de op gemeentelijk integriteitsbeleid stoelende noodzaak de inspecties van seksinrichtingen door twee controleurs te doen uitvoeren.

5.2.2. Het in de tariefonderdelen 7.4.1.8a en 7.4.1.8b besloten liggende onderscheid in teruggaaf tussen beide soorten leges behoort eveneens tot de autonome keuzevrijheid van de gemeenteraad. Of dat onderscheid leidt tot een willekeurige en/of onredelijke legesheffing, kan niet worden beoordeeld in dit geding, waarin immers geen teruggaaf als bedoeld in tariefonderdeel 7.4.1.8b aan de orde is.

5.2.3. Overigens wordt door de verweerder ter zitting ter verdediging van dat onderscheid aangevoerd en komt op zichzelf aannemelijk voor, dat in de periode oktober-november 2000 de gemeente, nadat het wettelijke bordeelverbod was afgeschaft, de b-wijk prostitutievrij wilde maken, ook aanvragen om gebruiksvergunningen heeft moeten afwijzen doch de kosten daarvan niet wilde laten drukken op degenen wier aanvragen werden toegewezen.

5.3. Met betrekking tot beide hier besproken vragen verdient overigens opmerking, dat het de gemeente vrijstaat het tarief en de eventuele teruggaaf van de onderhavige leges zodanig te regelen dat daarmee niet louter fiscale doeleinden worden nagestreefd en gediend. De artikelen 219, lid 2, en 229, lid 1, voormeld laten de gemeenten immers de vrijheid om, zoals is uiteengezet in de paragrafen 32 tot en met 35 van de bijlage van de conclusie van de advocaat-generaal voor het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, nr. 36 638 (Belastingblad 2002, blz. 1226, en BNB 2003/8), met de heffing van rechten ongewenst gedrag af te remmen en gewenste gedragingen te stimuleren, zolang de gekozen verschillen in tariefstelling en teruggaafregeling niet leiden tot een willekeurige en onredelijke heffing.

5.4. Met betrekking tot vraag 4.2:

5.4.1. De onderhavige gebruiksvergunning dient een individueel, althans individualiseerbaar belang. Met het gebruik van de panden als seksinrichting zonder deze vergunning zou belanghebbende zich immers blootstellen aan strafvervolging en/of de toepassing van bestuursdwang, waarvan de kosten op belanghebbende verhaalbaar zijn krachtens artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), al dan niet in verbinding met artikel 135, lid 2, van de Gemeentewet. In dezen kan niet gezegd worden dat een gebruiksvergunning als de onderhavige in zo overheersende mate het algemene (openbare) belang dient dat ter behartiging aan de gemeente is opgedragen, dat daarmee niet meer rechtstreeks en in overheersende mate het individuele belang van de aanvrager gediend zou zijn.

5.4.2. Belanghebbende veronderstelt kennelijk doch maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat de kosten ten behoeve van het opstellen van algemeen gemeentelijk prostitutiebeleid, van het inwinnen van expertise daarover en van ontwikkeling van regelgeving voor gebruiksvergunningen voor seksinrichtingen zouden worden afgewenteld op de exploitanten van seksinrichtingen. Dit volgt ook niet uit de vergelijking met leges in andere gemeenten die belanghebbende in het aanvullende beroepschrift onder 7 trekt. Integendeel wordt uit hetgeen in het verweerschrift en bijlage 8 daarvan is vermeld alsmede uit de ter zitting verschafte toelichting voldoende aannemelijk, dat zulke kosten niet zijn begrepen in de raming van de lasten als neergelegd in die bijlage.

5.4.3. Overigens zou de zo-even besproken veronderstelling, indien juist, belanghebbende niet kunnen baten, zulks op grond van wat hiervoor onder 5.1.1 is overwogen.

6. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

7. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 6 april 2006 door mr. Monsma, voorzitter, mr. De Kroon en mr. Ettema. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 april 2006

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20 303, 2500 EH Den Haag, (bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.