Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW7415

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
03-01744
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schenkingsrecht

Nu de notaris onmiskenbaar beroep heeft ingesteld namens de schenkers en niet namens de verkrijgers, is het beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 74
V-N 2006/40.1.1
KWEP 2006/28 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0854
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 03/01744

U i t s p r a a k

op het beroep van X en X-Y te Z tegen de uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van hun meerderjarige kinderen, te weten AX, BX en CX (de begiftigden) betreffende na te melden aan hen opgelegde aanslagen in het recht van schenking.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan ieder van genoemde kinderen is ter zake van zijn of haar verkrijging een aanslag in het recht van schenking opgelegd.

1.2. Genoemde begiftigden hebben tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslagen bij de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.3. X en X-Y (de schenkers) zijn van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Tot de stukken van het geding behoren voorts een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 februari 2006 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord mr. D, als gemachtigde van de schenkers en de begiftigden, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 februari 2006, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Bij notariële akte van 12 december 2000 hebben de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtelieden X en X-Y (hierna: de ouders) aan hun meerderjarige kinderen AX, BX, en CX (de kinderen) ieder bij wijze van schenking een bedrag schuldig erkend van f 71.410 “in verband met de hierna voor mij, notaris, te verlijden akte van levering van het woonhuis a-straat 1 te Q, het bijbehorende bedrijfsgebouw en toebehoren en de landbouwgrond nabij b-straat 2 te Q.”

2.2. In die akte is voorts onder meer bepaald dat de schenkers over de geschonken bedragen geen rente zijn verschuldigd en dat de schuldig erkende bedragen te allen tijde opeisbaar en aflosbaar zijn.

2.3. Bij notariële akte van diezelfde datum hebben de ouders aan hun beide dochters, BX en CX (hierna: de dochters) de hiervoor onder 2.1 genoemde onroerende zaken overgedragen tegen koopsommen van respectievelijk f 204.000, f 175.000 en f 70.000. De onderscheiden onroerende zaken zijn verkocht voor wat betreft de woning onder voorbehoud van nog te vestigen rechten van gebruik en bewoning en voor wat betreft de beide andere zaken in volle eigendom. De voornoemde landbouwgrond is verpacht aan de zoon AX.

2.4. De totale koopprijs beloopt f 449.000. Ter zake zijn betrokkenen voorts het volgende overeengekomen: “De vader heeft ten opzichte van de dochters afstand gedaan van zijn vorderingsrecht ter zake van gemelde koopprijs van het verkochte tegen verkrijging van een vorderingsrecht op elk van de dochters uit hoofde van geldlening tot een bedrag ad tweehonderdvierentwintigduizend vijfhonderd gulden (f 224.500), welke geldleningen te allen tijde over en weer direct opeis- en aflosbaar zijn, en renteloos.”

2.5. Voorts zijn in de akte de hiervoor reeds aangeduide rechten van gebruik en bewoning gevestigd, zijn betrokkenen overeengekomen, dat de bij voorgaande akte door de ouders schuldig erkende bedragen van f 71.410 worden aangewend tot aflossing van de door de dochters ter zake van de voornoemde koop aan de ouders verschuldigde bedragen, is de door de dochters verschuldigde resterende koopsom berekend op f 153.090 en de in totaal verschuldigde overdrachtsbelasting berekend op f 42.750. 2.6. Bij akte van april 2001, geregistreerd op 2 mei 2001, constateren de ouders en de kinderen tezamen, dat op grond van de hiervoor onder 2.3. genoemde akte van 12 december 2000 de ouders ter zake van geldlening te vorderen hebben van ieder van de dochters een bedrag van f 153.090 en van de zoon een bedrag van f 195.590 en voorts dat de ouders van de kinderen ter zake van voorgeschoten kosten als gevolg van de in december 2000 plaatsgevonden hebbende leveringen te vorderen hebben van de dochters ieder een bedrag van f 24.480 en van de zoon een bedrag van f 17.733. Vervolgens doen de ouders bij deze akte “– in mindering op hun vorderingsrecht uit hoofde van gemelde geldleningen – “afstand om niet” (schelden kwijt) ten behoeve van ieder van de kinderen de totale vordering op de kinderen”, zijnde voor ieder van de dochters een bedrag van f 177.570 en voor de zoon een bedrag van f 213.323, welke kwijtschelding door de betrokken begiftigden wordt aanvaard.. De betrokkenen komen voorts overeen dat de ouders het op deze schenkingen verschuldigde schenkingsrecht voor hun rekening nemen.

2.7. De ouders hadden medio 2000 contact gezocht met de onder 2.1 bedoelde notaris mr. D – die vervolgens zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase als gemachtigde is opgetreden – teneinde overleg te plegen inzake door hen voorgenomen schenkingen aan hun kinderen. Dit overleg heeft geleid tot het plan om de voornoemde onroerende zaken aan de kinderen over te dragen, de kinderen de door hen verschuldigde koopsommen schuldig te laten blijven en in mindering daarop kwijtscheldingen te gaan doen met verrekening van overdrachtsbelasting. De gemachtigde heeft vervolgens de opdracht gekregen de eerste fase van dit plan voor ultimo december 2000 af te wikkelen. Vervolgens is nog gesproken over de vraag of – behalve de kwijtschelding van het restant van de koopsommen – ook de door de ouders voorgeschoten bedragen van de notariële declaraties zouden worden kwijtgescholden (bezwaarschrift gemachtigde d.d. 26 augustus 2002, pagina 4). Tot kwijtschelding van laatstbedoelde bedragen is in de loop van maart 2001 besloten.

2.8. De Inspecteur heeft op het verschuldigde schenkingsrecht betreffende de schenking van december 2000 in mindering gebracht de ter zake van de overdracht van voornoemde onroerende zaken betaalde overdrachtsbelasting.

2.9. Ter zake van de voornoemde in 2001 gedane schenkingen heeft bij het opleggen van aanslagen schenkingsrecht aan de begiftigden geen verrekening van overdrachtsbelasting plaatsgevonden.

2.10. Tegen de onder 2.9. bedoelde aanslagen hebben de begiftigden tijdig bezwaar doen instellen. Het beroep is door de gemachtigde ingesteld namens de beide schenkers (de ouders). Tegelijk met het indienen van een conclusie van repliek heeft de gemachtigde volmachten overgelegd van ieder van de drie begiftigden waarin men de indiener van het beroepschrift machtigt om “hoger beroep in te stellen bij het Gerechtshof (Belastingkamer) te Arnhem tegen de uitspraak van de inspecteur der belastingen inzake het bezwaarschrift schenkingsrecht 2002 met nummers” etc.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of:

1. de begiftigden ontvankelijk zijn in hun beroep, en – indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord –

2. terecht geen verrekening van overdrachtsbelasting uit hoofde van de overdrachten in december 2000 heeft plaatsgevonden.

3.2. Begiftigden beantwoorden de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend, terwijl de Inspecteur de beide vragen in tegengestelde zin beantwoordt.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd, is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3.4. De gemachtigde concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraken en vermindering van de aanslagen. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en subsidiar tot bevestiging van zijn uitspraken.

4. Beoordeling van het geschil

A. Inzake de ontvankelijkheid.

4.1. De gemachtigde heeft onmiskenbaar en ondubbelzinnig beroep ingesteld namens de schenkers en bedoelde dat ook te doen. De door de schenkers/ouders afgegeven machtiging laat daarover geen enkele twijfel bestaan. De stelling van de gemachtigde in de conclusie van repliek: “ In (..) dat beroepschrift wordt abusievelijk vermeld, dat “de ouders” bij gemelde aanslagen zijn aangeslagen voor het schenkingsrecht. Dit berust op een kennelijke vergissing.”, doet daar niet aan af. De gemachtigde heeft ter zitting gesteld, dat de begiftigden van de gang van zaken na de uitspraken door de Inspecteur volledig op de hoogte waren, maar ook dat vormt geen aanwijzing dat het beroepschrift van de aanvang af bedoeld was namens de begiftigden.

4.2. Het beroepschrift is derhalve niet namens de begiftigden ingediend. Weliswaar hebben zij naderhand, bij machtiging van 3 december 2003 verklaard de notaris te machtigen het reeds ingediende beroepschrift te bevestigen, doch deze machtiging heeft buiten de beroepstermijn plaatsgevonden en kan het bij de indiening opgetreden gebrek, indiening van het beroep door een niet-belanghebbende, niet meer repareren.

4.3. Begiftigden verwijzen nog subsidiair naar het bepaalde in artikel 23, lid 2 alsmede artikel 26b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (beide artikelen in de tekst zoals die gold voor het jaar 2001), daarmee betogend dat het oorspronkelijk namens de schenkers ingediende beroepschrift ontvankelijk moet worden verklaard.

4.4. Dit betoog kan niet worden gevolgd, reeds omdat begiftigden over het hoofd zien dat de schenking door de ouders heeft bewerkstelligd dat de geschonken vermogensbestanddelen vanaf het moment van schenking juist niet meer tot het vermogen van die ouders, maar tot dat van de begiftigden zijn gaan behoren, hetgeen de door hen voorgestane toepassing van de desbetreffende wetsartikelen verhindert.

4.5. Het door begiftigden ingestelde beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

B. Ten overvloede overweegt het Hof ten aanzien van het materiele geschil als volgt:

4.6. Voor de door begiftigden gewenste verrekening van het verschuldigde schenkingsrecht met de betaalde overdrachtsbelasting is noodzakelijk dat de schenking in het voorjaar van 2001 deel uitmaakt van de tot hetzelfde samenstel van rechts-handelingen behorende materiele bevoordeling.

4.7. Voor zover de schenking bestaat uit de door de ouders voorgeschoten kosten als bedoeld in 2.6., is er geen sprake van samenhang als bedoeld. Het is immers komen vast te staan dat ten tijde van de eerste schenking op 12 december 2000 tot kwijtschelding van deze bedragen nog niet was besloten.

4.8. Voor het overige heeft de gemachtigde wel aannemelijk gemaakt dat de ouders ten tijde van de eerste schenking in beginsel voornemens waren om te zijner tijd verdere schenkingen aan hun kinderen te doen, maar niet dat er tussen de overdracht van de onroerende zaken in december 2000 en het resterende bedrag van de schenking een zodanige nauwe samenhang bestaat, dat laatstbedoelde schenking geacht kan worden deel uit te maken van een samenstel van rechtshandelingen als bedoeld.

Conclusie: het standpunt van begiftigden ten aanzien van het materiële geschil kan niet worden gevolgd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Aldus gedaan op 28 maart 2006 door mr. N.E. Haas, voorzitter, mr. T.J. Matthijssen en mr. J.B.H. Röben, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (N.E. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.