Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW7403

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
05-00175
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waterschapsomslag

Dijkperceel heeft geen belang bij de waterbeheersingstaak van het waterschap, zodat in zoverre geen waterschapsomslag kan worden geheven.

Wetsverwijzingen
Waterschapswet 120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/766
FutD 2006-0850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

negende enkelvoudige belastingkamer

nr. 05/00175

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

verweerder : het hoofd van de afdeling Belastingen van het waterschap Zuiderzeeland

aangevallen beslissingen: uitspraken op bezwaarschrift tegen aanslag

soort belasting: : waterschapsomslag

jaren : 2000 en 2001

onderzoek ter zitting : op 17 maart 2006 te Arnhem door mr. Van Amsterdam, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier

waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde alsmede de verweerder

Gronden:

1. Voor dit geding staat vast:

1.1. Belanghebbende is pachter van de dijkpercelen kadastraal bekend gemeente Noordoostpolder, sectie A, nummers 1 en 2 alsmede sectie B, nummers 3, 4, 5, 6, 7 en wat het jaar 2001 betreft tevens 8.

1.2. Deze percelen zijn eigendom van het waterschap.

1.3. In 1999 is belanghebbende uitgenodigd voor een vergadering van het toenmalige waterschap Noordoostpolder. Daar is hem door de toenmalige technisch directeur en de dijkgraaf van het toenmalige waterschap Noordoostpolder toegezegd dat hij voor de gepachte dijkpercelen geen waterschapslasten verschuldigd was.

1.4. Het bezwaarschrift van 14 juli 2000 tegen de aanslag voor het jaar 2000 is door de verweerder ontvangen op 17 juli 2000. Daarop is uitspraak gedaan op 15 december 2004.

1.5. Het bezwaarschrift van 26 september 2001 tegen de aanslag voor het jaar 2001 is door de verweerder ontvangen op 27 september 2001. Daarop is uitspraak gedaan op 14 december 2004.

2. In geschil is,

2.1. of de aanslagen niet in stand kunnen blijven doordat op de bezwaren daartegen niet binnen de wettelijke termijnen uitspraak is gedaan,

2.2. of de omslagheffing van belanghebbende in strijd is met het vertrouwensbeginsel, en

2.3. of de voormelde dijkpercelen belang hebben bij de waterbeheersingstaak van het waterschap.

3.1. Ter zitting bevestigt belanghebbende dat invorderingsrente en aanmaningskosten niet in geschil zijn.

3.2. Belanghebbende is niet in beroep gekomen tegen het uitblijven van de uitspraken op zijn bezwaarschriften, wat hem op grond van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, in verbinding met artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had vrijgestaan. Hij heeft ervoor gekozen – wat hem evenzeer vrijstond – de uitspraken af te wachten en, toen deze eenmaal waren gedaan, daartegen beroep in te stellen. Bij deze keuze beroept belanghebbende zich vergeefs op schending de ‘redelijke termijn’ als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154), nu overigens niet is gebleken van onredelijke vertraging bij de behandeling van dit beroep. Opmerking verdient verder, dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bij arrest van 12 juli 2001, nr. 44 759/98 (Ferrazzini/Italië; BNB 2005/222*), heeft geoordeeld dat publiekrechtelijke belastingschulden niet behoren tot de ‘droits et obligations de caractère civil/civil rights and obligations’ als bedoeld in artikel 6 voormeld, eerste lid. De onderhavige waterschapsomslag vormt een dergelijke belastingschuld.

3.3. Vraag 2.1 wordt dus ontkennend beantwoord.

3.4. Het hof zal thans eerst geschilpunt 2.3 bespreken.

3.5. De voormelde percelen maken deel uit van de dijk die de Noordoostpolder aan de zuidzijde omsluit. Deze dijk behoort, volgens het kennelijk eensluidende uitgangspunt van beide partijen, tot het reglementair bepaalde gebied waarin het waterschap de waterbeheersingstaak uitoefent. Over de hoogteligging van de percelen op de dijk hebben partijen ter zitting desgevraagd geen bijzonderheden kunnen verschaffen. De verweerder, op wiens weg dit zou hebben gelegen, heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de percelen op een zo laaggelegen deel van de dijk liggen dat zij geacht kunnen worden in waterhuishoudkundig opzicht één geheel te vormen met het binnendijks gelegen gedeelte van de polder. Veeleer valt aan te nemen dat de dijk waarop de percelen liggen, een primaire waterkering is met behulp waarvan het waterschap zijn taken uitoefent. Niet aannemelijk is derhalve dat de dijk zelf direct belang heeft bij de waterbeheersing in het binnendijkse gebied.

3.6. De verweerder voert ter zitting desgevraagd aan, dat in het veronderstelde geval van inundatie van de achterliggende polder de dijk zelf boven water blijft, dat aan de polderzijde het onderste deel van de dijk onder water zal komen te staan en dat niet over de gehele dijk een weg loopt. Hieruit wordt niet voldoende aannemelijk dat de percelen, mede nu over hun hoogteligging in dit geding geen duidelijkheid is verkregen, alleen vanuit de achterliggende polder bereikbaar zijn en uit dien hoofde belang zouden hebben bij de waterbeheersing aldaar.

3.7. Belanghebbende stelt nog dat met ingang van 2005 geen pachtersomslag van de voormelde dijkpercelen meer wordt geheven. Ter zitting voert de verweerder daartegenover aan, dat met ingang van het jaar 2005 de pachtersomslag weliswaar nog steeds wordt geheven, maar door het waterschap in mindering wordt gebracht op de aan het waterschap verschuldigde pachtsom, zulks in verband met het belang dat vrijwel nihil is. Dit geeft grond voor het vermoeden dat het belang van de dijkpercelen door hun hoedanigheid en/of ligging ten minste zo zeer verschilt van dat in het poldergebied, dat een ongedifferentieerde omslagheffing leidt tot onevenredig nadeel voor de dijkpercelen. De verweerder heeft met wat hij overigens aanvoert dit vermoeden niet kunnen ontzenuwen. Integendeel, het wordt slechts versterkt door de hiervoor onder 1.3 vermelde toezegging.

3.8. Uit het onder 3.5 tot en met 3.7 overwogene volgt dat vraag 2.3 ontkennend wordt beantwoord. Vraag 2.2 behoeft derhalve geen beantwoording.

Slotsom:

Het beroep is gegrond. De aanslagen moeten worden verminderd met de bedragen die volgens de overgelegde specificaties betrekking hebben op de dijkpercelen waarvan belanghebbende pachter is. De aanslag voor 2000 bedroeg ƒ 3 520,11, krachtens artikel 20 van de voormelde Omslagverordening afgerond op ƒ 3 520, en moet worden verminderd met ƒ (23,83+184,59+822,84+209,11+330,40=) 1 523,11 tot ƒ 1 997,– ofwel € 906,20. De aanslag voor 2001 bedroeg ƒ 3 524,06, afgerond op ƒ 3 524, en moet worden verminderd met ƒ (23,83+ 184,59+822,84+209,11+330,40+207,82=) 1 778,59 tot ƒ 1 745,47, af te ronden op ƒ 1 745,– ofwel € 791,85.

Proceskosten:

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 x € 322,– x 1= € 644.

Beslissing:

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de verweerder;

– vermindert de aanslag nr. 1 tot € 906,20;

– vermindert de aanslag nr. 2 tot € 791,85;

– gelast het waterschap Zuiderzeeland aan belanghebbende het door hem gestorte griffie-recht van € 37 te vergoeden;

– veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 644, te vergoeden door het waterschap Zuiderzeeland.

Aldus gedaan te Arnhem op 31 maart 2006 door mr. Van Amsterdam voornoemd. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier. Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(W.J.N.M. Snoijink) (A.M. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 april 2006

Binnen zes weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal kunnen de belanghebbende en het college van Dijkgraaf en Heemraden tegen deze mondelinge uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20 303, 2500 EH Den Haag, (bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van dit proces-verbaal overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid alsnog gronden voor het beroep in cas-satie aan te voeren.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.