Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW5532

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
TBS 2005\218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het uitgangspunt van het hof is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Het hof is, gelet op de recente incidenten en het feit dat er een langdurig resocialisatietraject noodzakelijk is om betrokkene te blijven volgen, van oordeel dat een verlenging met een termijn van twee jaar is geïndiceerd, daar de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist terwijl onjuiste verwachtingen dienen te worden voorkomen. Overigens ligt verlengen met twee jaar ook meer in de rede, aangezien het eerste jaar bijna voorbij is. De termijn tot de expiratiedatum is immers reeds ruim verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2005\218

Beslissing d.d. 28 april 2006

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 9 augustus 2005, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

- Het hof zal de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 9 augustus 2005 vernietigen, reeds omdat het recht zal doen mede op nieuwe stukken.

- Ambtshalve overweegt het hof het volgende. Zowel artikel 509x, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de rechter van een vordering tot het alsnog geven van een bevel tot verpleging van overheidswege. Er dient door het hof zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te worden beslist. Zowel de rechtbank als het gerechtshof heeft een verdragsrechtelijke verplichting om tot een zo spoedig mogelijke behandeling van de vordering over te gaan. De genoemde inspanningsverplichting dwingt tot een grotere spoed dan waarvan in de onderhavige zaak is gebleken. Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep ruim zeven maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de zaak op 13 februari 2006 is aangehouden op verzoek van de raadsvrouw van de terbeschikkinggestelde.

- Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat er onlangs enkele incidenten hebben plaatsgevonden. Zo is er een tweetal steekwapens in de kamer van betrokkene aangetroffen, is betrokkene betrokken geweest bij een incident met een medepatiënt met verbale agressie en is er sprake geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van een sociotherapeut. Voorts wordt betrokkene onbetrouwbaar geacht in zijn uitlatingen en in zijn gedrag. Het onderwerp van betrouwbaarheid zal een belangrijk item zijn in de komende behandelperiode. Het delictrisico wordt door de kliniek op de middellange en lange termijn nog als hoog ingeschat. Onder meer het netwerk en de vrijetijdsbesteding zijn aandachtspunten waar betrokkene nog aan moet werken. Het uitgangspunt van het hof is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Gelet op de uitgebrachte advisering en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, heeft betrokkene nog zorg en structuur nodig. Daarbij moet tevens opgemerkt worden dat betrokkene zich pas in de beginfase van het resocialisatietraject bevindt en dat betrokkene thans nog geen onbegeleid verlof geniet. Het hof heeft vast moeten stellen dat het niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen en een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou bij betrokkene de verwachting kunnen wekken dat dit wel het geval zou kunnen zijn. Het hof is, gelet op de recente incidenten en het feit dat er een langdurig resocialisatietraject noodzakelijk is om betrokkene te blijven volgen, van oordeel dat een verlenging met een termijn van twee jaar is geïndiceerd, daar de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist terwijl onjuiste verwachtingen dienen te worden voorkomen. Overigens ligt verlengen met twee jaar ook meer in de rede, aangezien het eerste jaar bijna voorbij is. De termijn tot de expiratiedatum, te weten 16 augustus 2005, is immers reeds ruim verstreken.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 9 augustus 2005 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde .

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Vegter als voorzitter,

mrs Hilverda en Lensing als raadsheren,

en drs Mensing en drs Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mr Tang als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2006.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.