Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW3805

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
21-004929-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voormalig directeur Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) terzake van diverse gevallen van valsheid in geschrifte, alsmede terzake van het doen van een valse opgave in een authentieke akte en van verduistering in dienstbetrekking. Lichte schending van de redelijke termijn. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-004929-03

Uitspraak d.d.: 26 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 16 oktober 2003 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 april 2006 en 12 april 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij ter zake van het onder 1 tenlastegelegde de dagvaarding nietig werd verklaard. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof op 5 april 2006 medegedeeld dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wat het openbaar ministerie betreft geen onderdeel uitmaakt van het (zonder enig voorbehoud ingestelde) hoger beroep. Het hof verstaat derhalve dat het hoger beroep van verdachte uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 2 tot en met 7 tenlastegelegde werd veroordeeld.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat de dagvaarding wat betreft het zevende tenlastegelegde feit onvoldoende feitelijk is en om die reden nietig verklaard moet worden. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat vereist is dat het openbaar ministerie omschrijft om welke geldbedragen het gaat en aan wie die geldbedragen toebehoren.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Van belang voor de beoordeling van de geldigheid zijn de functies die het hiervoor genoemde voorschrift dient. Enerzijds dient de tenlastelegging zodanig geredigeerd te zijn dat de verdachte daardoor wordt geïnformeerd voor welk voorval hij terecht moet staan, zodat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Anderzijds dient de tenlastelegging in het licht van het op de dagvaarding gebaseerde onderzoek ter terechtzitting voor de verdachte en de rechter voldoende begrijpelijk te zijn, mede door invulling aan de hand van feiten.

Voor zover de raadsman met het verweer heeft willen betogen dat de steller van de tenlastelegging is gehouden om bij dagvaarding te omschrijven exact welke geldbedragen door het feitelijk handelen zijn verduisterd en hoe de eigendomsverhoudingen van die gelden in detail liggen, wordt aan dat verweer een eis ten grondslag gelegd die niet kan worden gebaseerd op het recht. In zoverre moet dit onderdeel van het verweer reeds daarom worden verworpen. Het hof is niet van oordeel dat de dagvaarding als onvoldoende feitelijk moet worden aangemerkt.

Van belang voor de beoordeling van de vraag of verdachte op basis van deze tenlastelegging in redelijkheid de geuite beschuldiging begrijpt en zijn verdediging hierop kan inrichten, is de verklaring die verdachte ter terechtzitting van de rechtbank, op 2 oktober 2003, heeft afgelegd, voor zover inhoudende als zijn verklaring:

“Ik begrijp hetgeen mij wordt verweten. Als met feit 7 wordt bedoeld het schema op pagina 50 van het dossier, dan kan ik daarmee overweg.”

Ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte zelf verklaard de strekking van het onder 7 tenlastegelegde te begrijpen en tevens -onder meer door inzending van een ordner met diverse stukken- gedetailleerd verweer gevoerd. Het hof vermag de door raadsman bepleite onduidelijkheid op dit punt niet in te zien. Ook voor het hof is deze tenlastelegging voldoende begrijpelijk.

Nu het hof ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid, op grond waarvan een ander oordeel zou moeten volgen, moet het verweer worden verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het hof heeft de tenlastelegging ten aanzien ven het onder 3 tenlastegelegde in zoverre verbeterd gelezen, dat in de zesde regel van dat feit in plaats van ‘Westervoortsedijk 67’ wordt bedoeld ‘Westervoortsedijk 67a’.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging, aangezien in het onderhavige geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM op zodanig ernstige wijze is geschonden, dat deze schending tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

Ter adstructie van het verweer heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat de uitlatingen in de media van de Minister van Economische Zaken in juni 1999 verdachte aanleiding gaven er serieus rekening mee te houden dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Aldus begon in juni 1999 de redelijke termijn als bedoeld in voormelde verdragbepaling te lopen, als gevolg waarvan het oordeel moet zijn dat verdachte niet binnen een redelijke termijn is berecht.

Ten tweede en subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, voor zover de aanvang van de redelijke termijn niet gelegen kan zijn in juni 1999, de redelijke termijn in ieder geval op 22 augustus 2000 is aangevangen, zijnde het moment waarop het openbaar ministerie het rapport van [onderzoeksbureau] in beslag heeft genomen.

Overwegingen

Het hof overweegt, dat als aanvang van de redelijke termijn slechts kan gelden een handeling verricht door de Staat, waaraan de verdachte de verwachting kan ontlenen dat het openbaar ministerie een vervolging tegen hem zal instellen. Als zodanig kan niet gelden een mededeling van de Minister van Economische Zaken en evenmin het moment waarop het openbaar ministerie in het bezit werd gesteld van de rapportage van [onderzoeksbureau], nu noch een mededeling van die minister, noch bevindingen van dat bureau kunnen gelden als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof stelt vast dat in het verloop van deze procedure veel tijd is verstreken. Het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een schending van de redelijke termijn, vergt van geval tot geval de beoordeling of sprake is van een complexe zaak, of vertraging van de behandeling mede verband houdt met de opstelling van de verdachte en voor diens rekening behoort te komen en of de justitiële autoriteiten zich voldoende hebben ingespannen om de zaak binnen een redelijke termijn af te handelen. In het onderhavige geval zijn in dat verband de volgende feiten van belang:

- Op 25 oktober 2000 is een gerechtelijk vooronderzoek betreffende verdachte geopend;

- Op 2 november 2000 hebben in het kader van het tegen verdachte lopende gerechtelijk vooronderzoek verschillende doorzoekingen plaatsgevonden, onder meer in de woning van verdachte en op plaatsen waar een familielid of een zakenrelatie van verdachte woonde;

- Op 5 maart 2001 is verdachte aangehouden en in verzekering gesteld;

- Op 10 december 2002 is het gerechtelijk vooronderzoek betreffende verdachte gesloten;

- Op 7 januari 2003 is een kennisgeving van verdere vervolging betekend;

- Op 8 september 2003 is aan verdachte een dagvaarding betekend;

- Op 2 oktober 2003 is de zaak behandeld ter terechtzitting van de rechtbank Arnhem;

- Op 16 oktober 2003 heeft de rechtbank Arnhem vonnis gewezen;

- Op 20 oktober 2003 is door verdachte hoger beroep ingesteld;

- Op 23 november 2005 heeft de eerste behandeling van de zaak plaatsgevonden ter terechtzitting van het hof;

- Op 26 april 2006 wijst het hof arrest;

Naar het oordeel van het hof is de redelijke termijn aangevangen op 2 november 2000, zijnde het moment waarop onder meer in verdachtes woning een doorzoeking is verricht. Vanaf dat moment kon verdachte aan het handelen vanwege de Staat in redelijkheid de verwachting ontlenen dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zou instellen. Tussen dat moment en het moment waarop de rechtbank vonnis heeft gewezen, is een termijn van bijna drie jaren verstreken. Hoewel het hof dat tijdsverloop hoogst onwenselijk acht, kan in het licht van de complexiteit van de zaak en de omvang en duur van het gerechtelijk vooronderzoek, waarin na het opsporingsonderzoek nog een aantal getuigen is gehoord, niet gezegd worden dat dit tijdsverloop zodanig lang is, dat daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM is geschonden.

Wel is naar het oordeel van het hof sprake van een lichte schending van de redelijke termijn tijdens de appèlfase. Verdachte stelde hoger beroep in op 20 oktober 2003. Daarna zijn geen onderzoekshandelingen meer verricht. De zaak is aangebracht ter zitting van het hof op 23 november 2005 en arrest zou zijn gewezen op 7 december 2005. Daarin zou een schending van de redelijke termijn zijn gelegen. Het hof heeft op verzoek van de verdediging wegens verdachtes gezondheidstoestand de zaak aangehouden tot 5 april 2006 en toen is de behandeling onderbroken tot 12 april 2006. Deze uitspraak wordt gedaan op 26 april 2006. Het hof laat het tijdsverloop van 7 december 2005 tot 26 april 2006 buiten beschouwing.

De schending van de redelijke termijn is niet zo ernstig, dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op zijn plaats is. Volstaan kan worden met strafvermindering als hieronder nader te melden.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte betoogd dat de vermelding op de bestreden factuur van de naam ‘[betrokkene 1]’ in feite berust op een misverstand aangezien het niet de bedoeling is geweest om de naam [betrokkene 1] op de factuur te doen opnemen. Het hof acht die verklaring van verdachte, anders dan de advocaat-generaal, aannemelijk en gaat er mede op grond van verdachtes verklaring van uit dat de toevoeging van de naam ‘[betrokkene 1]’ op de bestreden factuur berust op een bij de administratie ontstaan misverstand. Het hof is van oordeel dat de vermelding van ‘directiewerkzaamheden’ op de onderhavige factuur verre van helder en correct is. Het hof heeft echter niet de overtuiging bekomen dat verdachte ten aanzien van dit bestanddeel van de factuur opzet heeft gehad om een en ander anders voor te stellen dan de werkelijkheid was. Tot die werkelijkheid behoorde dat de GOM aan [rechtspersoon 1] een bedrag in rekening mocht brengen van fl. 370.000,= exclusief BTW en dat is klaarblijkelijk met de onderlinge factuur geschied. Dat de opbrengst van de factuur bedoeld was om versluierd geld aan [medeverdachte] te doen toekomen, maakt de factuur zelf nog niet vals. Gelet hierop moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2.

hij op tijdstippen in de periode van januari 1998 tot en met 20 september 2000 te Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een factuur van GOM Services B.V. te Arnhem, gericht aan [rechtspersoon 1] te [vestigingsadres rechtspersoon 1], te weten een factuur gedateerd 11 december 1998 en een factuur gedateerd 22 februari 1999 (factuurnummers gs985122/JG/mb en gs993009/JG/if), zijnde telkens een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, welk valselijk opmaken hierin bestond dat telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die factuur werd vermeld dat zij betrekking had op bepaalde (acquisitie-)werkzaamheden;

3.

hij op 3 december 1998 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met anderen, in een notariële akte, zijnde een authentieke akte, verleden voor mr [naam notaris] notaris ter standplaats Nijmegen, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid heeft doen opnemen een lagere verkoopprijs van het pand aan de Westervoortsedijk 67a te Arnhem dan de werkelijk overeengekomen verkoopprijs van voornoemd pand (fl. 4.295.600,= in plaats van fl. 5.250.000,=), van de waarheid van welk feit die akte moest doen blijken, zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid;

6.

hij op 9 april 1997 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met anderen, een factuur van [rechtspersoon 2], gericht aan [rechtspersoon 1] te Arnhem, gedateerd 9 april 1997 (factuurnummer C97109), zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, welk valselijk opmaken hierin bestond dat opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die factuur werd vermeld dat zij betrekking had op advisering/research inzake ontwikkeling bedrijfsterreinen;

7.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995 in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen die toebehoorden aan de N.V. Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) en welke gelden verdachte uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur van de GOM, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten

Feit 2

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de beide facturen van GOM Services B.V., gericht aan [rechtspersoon 1], berusten op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, zodat de facturen in zoverre niet als valselijk opgemaakt kunnen worden omschreven.

Het hof overweegt in dat verband het volgende. Blijkens het verslag van de gesprekken met onderzoekers van [onderzoeksbureau] heeft verdachte verklaard, dat normaal gesproken voor acquisitiewerkzaamheden geen tarieven in rekening werden gebracht en dat normaal niemand bereid was hiervoor te betalen. Verdachte heeft op 5 maart 2001 bij het verhoor door de FIOD op vragen naar de onderhavige facturen verklaard dat de GOM in het verleden nooit acquisitiewerkzaamheden in rekening bracht. Tegen die achtergrond komt voorts belang toe aan de verklaring van [betrokkene 2] zoals vervat in het rapport van [onderzoeksbureau], welk schriftelijk bescheid, voor zover van belang -zakelijk weergegeven- inhoudt:

“In de package-deal is eveneens een jaarlijkse betaling van [rechtspersoon 1] aan de GOM van NLG 400.000,= overeengekomen, de zogenaamde acquisitiefee. De achtergrond hiervan was het vermijden van te betalen vennootschapsbelasting en/of overdrachtsbelasting. De gespreide betaling van NLG 400.000,= (het hof begrijpt: vier jaarlijkse betalingen van telkens fl. 400.000,=) is toegepast om op deze wijze de prijs van de Blauwe Toren te drukken ter vermindering van de overdrachtsbelastingen en het verlagen van de winst van de GOM ter vermindering van de vennootschapsbelasting. De GOM verrichte geen tegenprestatie voor de van [rechtspersoon 1] (te) ontvangen acquisitiefee van vier maal NLG 400.000,=”

Het hof gaat uit van de betrouwbaarheid van deze verklaring, ondanks het gegeven dat [betrokkene 2] later bij de FIOD heeft verklaard dat hij niet bleef bij zijn bij [onderzoeksbureau] afgelegde verklaring. Deze verklaring vindt ook steun in de verklaring van getuige [betrokkene 3], investmentmanager bij de GOM, waar deze verklaart dat de facturen geen weerslag zijn van de feitelijke werkzaamheden die door de GOM voor [rechtspersoon 1] zijn verricht.

Het hof leidt hieruit af dat de op de facturen vermelde omschrijvingen in werkelijkheid niet hebben berust op acquisitie- of andere activiteiten van de GOM, maar onderdeel hebben uitgemaakt van een meer omvattende overeenkomst, de meergenoemde ‘package-deal’, ertoe strekkende dat de fiscale afdracht die gepaard zou gaan met de overdracht van de Blauwe Toren zo gering mogelijk zou zijn. Het hof gaat er dan ook van uit dat de onderhavige facturen niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn en in zoverre dus vals zijn. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Feit 3

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden, aangezien ten aanzien van de aanvankelijk overeengekomen koopprijs van fl. 5.250.000,= sprake is geweest van voortschrijdend inzicht in die zin, dat de oorspronkelijke koopprijs correctie behoefde en om die reden bij de juridische eigendomsoverdracht is gewaardeerd op een lager bedrag.

Van belang is in dit verband het volgende. Het hof gaat er op basis van de stukken van uit dat GOM Services B.V. het pand Westervoortsedijk 67a in 1996 heeft aangekocht voor een bedrag van fl. 5.250.000,=. In de toelichting op de geconsolideerde balans van de GOM over het jaar 1996 staat onder het onderdeel “Materiële vaste activa” het volgende vermeld:

“In 1996 heeft de N.V. GOM een nieuw pand betrokken aan de Westervoortsedijk te Arnhem. Het pand is in 1996 aangekocht door GOM Services B.V. voor een bedrag van fl. 5.250.000,=. De koopsom van het pand wordt voldaan bij juridische eigendomsoverdracht en is als zodanig verantwoord onder de kortlopende schulden.”

In de toelichting op de geconsolideerde balans van de GOM over het jaar 1997 staat onder het onderdeel “Materiële vaste activa” het volgende vermeld:

“Bedoeld was in 1997 het juridische eigendom te verwerven van het pand aan de Westervoortsedijk te Arnhem. Eind 1997 waren de besprekingen over de toekomstige aandelenverhouding [rechtspersoon 1] met de andere aandeelhouder nog niet afgerond en was er nog geen overeenstemming met de belastingdienst bereikt. Om deze reden is de juridische overdracht van het kantoorpand uitgesteld. Vooruitlopend op de juridische verkrijging wordt het pand beschouwd als eigendom en derhalve rusten op GOM Services B.V. alle baten en lasten van genoemd pand. Er is een aanvang gemaakt met de afschrijving, hetgeen reeds in het jaarrapport van 1996 was vermeld. De koopsom is vermeld onder de post ‘investeringscrediteuren’, daar de verwachting is dat de schuld in 1998 zal worden afgewikkeld. GOM Services B.V. is rente verschuldigd tot aan de dag van algehele afwikkeling.”

Het hof stelt vast dat in de balans van de GOM over de jaren 1996 en 1997 is uitgegaan van een koopsom van fl. 5.250.000,= voor het pand aan de Westervoortsedijk 67a te Arnhem. Die koopprijs blijkt eveneens uit de correspondentie (brief van 3 juni 1997) tussen [betrokkene 2] namens [rechtspersoon 1] en verdachte namens de N.V. Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij. Deze koopprijs is tevens grosso modo in overeenstemming met het op verzoek van verdachte opgemaakte taxatierapport van [naam makelaar], dat uitging van een onderhandse verkoopwaarde van fl. 5.650.000,= (taxatiedatum juni 1995)

In de notariële akte tot levering van een onroerende zaak (het pand Westervoortsedijk 67a) van 3 december 1998 is evenwel een koopprijs van fl. 4.295.600,= opgenomen.

Het hof stelt vast dat het partijen binnen de grenzen van de wet in beginsel vrij staat een overeenkomst naar eigen believen in te richten. Daaronder kan mede de verkoopprijs worden begrepen. Indien de overeenkomst evenwel is gesloten, hetgeen in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof op basis van het hiervoor overwogene moet worden aan genomen, staat het partijen niet vrij om vervolgens in de akte van levering van het goed een veel lagere prijs op te doen nemen dan de in 1996 overeengekomen prijs, mede nu de Staat daarmee een belang heeft dat daarop overdrachtsbelasting wordt geheven. Tussen beide bedragen zit een verschil van bijna één miljoen gulden. Het hof is niet gebleken dat de oorspronkelijke overeenkomst is vernietigd of werd ontbonden en tevens werd vervangen door een nieuwe overeenkomst die overeenkwam met de in de notariële akte van levering van 1998 genoemde prijs.

Wat in december 1998 is voorgevallen, betrof naar het oordeel van het hof dan ook geen nieuwe koopovereenkomst, maar had betrekking op de levering van het onroerende goed. In de leveringsakte is een lagere verkoopprijs vermeld dan de prijs die in de eerder gesloten koopovereenkomst was opgenomen, zodat de opgave in die notariële akte in zoverre vals is. Die handelwijze is ook, anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt, in het geheel niet te beschouwen als een in het maatschappelijk verkeer normale gang van zaken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Feit 6

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden, aangezien:

1) niet [verdachte], maar [rechtspersoon 2] (directeur [betrokkene 4]) de betreffende factuur heeft opgesteld, zodat -naar het hof het verweer uitlegt- van daderschap van [verdachte] geen sprake is;

2) de aanwending door [betrokkene 1] van een deel (groot 200.000 gulden) van het gefactureerde bedrag (groot 250.000 gulden), voor een ander doel dan het doel waarop de betaling, niet onoorbaar was aangezien verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven.

Het hof overweegt het volgende. Het onder 6 tenlastegelegde feit heeft betrekking op het zogenaamde Spiegelproject. In dat verband is een factuur opgesteld, over welke de getuige [betrokkene 4] op 9 maart 2001 in het verhoor bij de FIOD, zakelijk weergegeven, het volgende heeft verklaard:

“Ik was bezig met een project voor spiegelbloemen en zocht hiervoor een sponsor. Dit heb ik besproken met [verdachte]. [verdachte] gaf aan dat hij dit project en mijn ideeën goed kon gebruiken bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Dit idee zou ook wel Europa in kunnen gaan. Dit verhaal is verwoord in deze factuur. Ik heb aangegeven dat ik zelf voor het project ongeveer fl. 50.000,= nodig zou hebben. [verdachte] heeft mij gezegd dat ik een factuur van [rechtspersoon 3] zou ontvangen. [verdachte] heeft mij gezegd dat dit een project was van de [rechtspersoon 1] en dat ik daar de factuur naartoe moest zenden. Ik kan mij herinneren dat ik zowel het bedrag van de factuur, de adressering als ook de omschrijving met de heer [verdachte] heb besproken. Ik ging uit van fl. 50.000,= Tijdens ons gesprek heeft [verdachte] mij gezegd dat ik het factuurbedrag moest verhogen tot fl. 250.000,= en dat ik een factuur van [betrokkene 1] zou ontvangen voor fl. 200.000,=”

Uit deze verklaring en uit het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat een aanzienlijk deel van het gefactureerde en betaalde bedrag, groot fl. 200.000,=, geen betrekking had op het Spiegelproject of op enige met de omschrijving op de factuur te verenigen werkzaamheden. Getuige [betrokkene 1] heeft ook aangegeven dat hij geen werkzaamheden heeft verricht voor dit Spiegelproject, maar dat hij het geld heeft aangewend voor een heel ander doel (het Polenproject).

Deze gang van zaken valt niet anders te omschrijven dan als het valselijk opmaken van een factuur. Het hiervoor onder 1 en 2 genoemde verweer van de raadsman maakt dat niet anders, aangezien het verweer enerzijds miskent dat verdachte wordt verweten dat hij het tenlastegelegde beging als mededader en anderzijds miskent dat de redengeving of het motief voor het (laten) opmaken van een valse factuur in dit verband niet ter zake doet. Gelet op het voorgaande moet het verweer worden verworpen.

Feit 7

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat het feit niet bewezen kan worden, aangezien niet duidelijk is aan wie de vermeend onttrokken gelden toebehoorden. Het hof overweegt in dat verband het volgende. Verdachte heeft aangevoerd dat hij geen gelden heeft verduisterd, nu de gelden zijn gebruikt voor geleverde diensten; hij ontkent bovendien gelden van de GOM in eigen zak te hebben gestoken.

Het hof overweegt in dit verband het volgende. Verdachte was niet alleen directeur van de GOM, maar hij was tevens zeer nauw betrokken bij andere bedrijven en stichtingen: zo was hij (mede-)oprichter van [rechtspersoon 4] en van [rechtspersoon 5]. Binnen deze rechtspersonen had verdachte grote zeggenschap; verdachte heeft aangegeven dat hij de administratie bijhield van [rechtspersoon 4] en dat hij eigenlijk de enige was die nog iets voor de Stichting deed. Volgens de jaarrekeningen leidde [rechtspersoon 4] sinds 1991 een vrij slapend bestaan. Desalniettemin zijn in 1994 en 1995 grote bedragen overgemaakt van de GOM naar [rechtspersoon 4]. Blijkens het overzicht dat door de FIOD is gemaakt (p. 50 e.v.) zijn in deze periode grote hoeveelheden geld overgemaakt door de GOM aan [rechtspersoon 4]; vervolgens zijn vanuit deze Stichting diverse gelden overgeboekt naar bankrekeningen van verdachte en [rechtspersoon 5] (p. 53 en 54). Van een deugdelijke administratie van [rechtspersoon 4] is uit het onderzoek niet gebleken. Volgens het proces-verbaal van de FIOD is in de periode van 1994 tot en met 1997 meer dan fl. 691.000,= vanuit [rechtspersoon 4] naar diverse rekeningen van verdachte overgemaakt.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat verdachte met gebruikmaking van zijn positie als directeur van de GOM gelden heeft overgemaakt naar [rechtspersoon 4], waarvan verdachte bestuurder was, waarna vanuit [rechtspersoon 4] door verdachte diverse bedragen naar zijn privérekeningen zijn overgemaakt. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte op deze wijze een aanzienlijk bedrag onttrokken aan de GOM en heeft hij uit hoofde van zijn diverse andere functies en petten die daarbij hoorden, op volstrekt niet transparante wijze geschoven met gelden. Hij heeft dusdoende als heer en meester beschikt over de gelden die hij als directeur van de GOM tot zijn beschikking had, zonder dat controleerbaar was waaraan deze gelden zijn besteed. In deze zin is sprake van wederrechtelijke toe-eigening van deze gelden. Niet aannemelijk is geworden dat voor de aan [rechtspersoon 4] betaalde gelden werkzaamheden zijn verricht. De verklaring van verdachte dat hij recht had op die gelden omdat hij in een eerdere fase vanuit privévermogen had voorgeschoten, is naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht het hof niet twijfelachtig dat gelden van de GOM zijn overgeboekt naar rekeningen van [rechtspersoon 4]. Het hof is niet gebleken dat die overboekingen aangemerkt kunnen worden als reële betalingen voor afgenomen diensten of anderszins te beschouwen zijn als reëel verschuldigde betalingen. De verweren van verdachte en van zijn raadsman worden dan ook verworpen. Het gegeven dat verdachte gelden van de GOM deed overboeken naar [rechtspersoon 4], waardoor hij zichzelf in een positie bracht waarin hij feitelijk over deze gelden kon beschikken, kan dan ook niet anders worden beschouwd dan als verduistering. Daarbij is niet van belang of, en zo ja, op welke wijze of in welke hoeveelheden verdachte geld heeft onttrokken van [rechtspersoon 4]. Reeds voldoende is dat hij gelden van de GOM met een omweg liet overboeken naar [rechtspersoon 4], zonder dat daarvoor een rechtens geldende verplichting bestond.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

het in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

Valsheid in geschrift.

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Door de rechtbank te Arnhem is verdachte in 2003 veroordeeld voor de feiten 2 tot en met 7 tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie had deze zelfde straf geëist, maar dan gebaseerd op een veroordeling voor de feiten 1 tot en met 7. In hoger beroep is door de advocaat-generaal vrijspraak geëist voor feit 5 en vervolgens is voor de overige feiten een gevangenisstraf geëist van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, waarbij rekening is gehouden met de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte is werkzaam geweest als directeur van de Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij (GOM), een rechtspersoon waarvan de aandelen voor iets minder dan 2/3 deel in bezit waren van de Staat der Nederlanden en voor iets minder dan 1/3 deel van de provincie Gelderland. Het doel van de GOM was het stimuleren van bedrijvigheid, het vestigen van commerciële aandacht op de regio Gelderland en het ondersteunen van startende ondernemers. Grote hoeveelheden gemeenschapsgeld gingen door verdachtes handen als directeur van de GOM. Een positie als waarin verdachte verkeerde, vergt een grote mate van integriteit. Effectief optreden ter verwezenlijking van gestelde doelen is slechts mogelijk indien de omgeving waarin dergelijke zaken worden gedaan vertrouwen heeft in de kennis, kunde en betrouwbaarheid van de instelling.

Verdachte heeft zijn integriteitsplichten ernstig geschonden en als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen is het vertrouwen van overheid, ondernemers en publiek in de werkzaamheden van de GOM en haar directeur op ernstige wijze aangetast. Hoewel blijkens de conclusie van het meergenoemde rapport van [onderzoeksbureau] ook de aandeelhouders en de Raad van Commissarissen van de GOM in die periode onvoldoende toezicht hebben uitgeoefend, kan niet worden gezegd dat dit verdachte ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid als directeur. In het kader van de bedrijfsvoering zijn diverse valse facturen opgemaakt. Verdachte heeft zichzelf ten nadele van de GOM op grote schaal verrijkt. Dat laatste feit rekent het hof verdachte in het bijzonder aan. Het gegeven dat verdachte, na aanhouding voor de onderhavige tenlastegelegde feiten, in zowel zijn zakelijke als in zijn privé-leven fors is aangetast, is in zoverre dan een logische consequentie van ernstig en verwijtbaar falend optreden op een hoge positie. Niettemin ziet het hof aanleiding om de voor verdachte zeer ingrijpende nasleep van deze affaire te betrekken bij de strafoplegging. Verdachte is nimmer eerder met justitie in aanraking geweest.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de door de advocaat-generaal geformuleerde eis in geen verhouding staat tot de eis die door het openbaar ministerie in de afgelopen week in een veel grotere zaak, te weten de fraudezaak bij Ahold, is geformuleerd, zodat het hof in zoverre tot een aanmerkelijk lagere strafoplegging moet besluiten. Aan een verwijzing naar een nog niet afgeprocedeerde zaak, waarvan de details voor hof noch raadsman noch openbaar ministerie kenbaar zijn, gaat het hof voorbij.

Gelet op de ernst van de feiten, in het bijzonder de verduistering van grote bedragen, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, acht het hof een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal heeft geëist en gelet op de gegeven vrijspraken voor de feiten 4 en 5 kan daarbij evenwel worden volstaan met na te melden straf.

Alles afwegende zou het hof -indien er geen sprake zou zijn geweest van termijnoverschrijding- voor het bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk passend en geboden hebben geacht. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is echter sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Dat dient in de strafoplegging te worden betrokken in dier voege, dat het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf wordt verkleind, als na te melden. Die straf acht het hof passend en geboden.

Het hof acht een onderzoek naar verdachtes gezondheidstoestand niet noodzakelijk. Het neemt aan, dat verdachte een ingrijpende hartoperatie heeft ondergaan en dat zijn gezondheidstoestand nog steeds te wensen overlaat. Het hof gaat ervan uit, dat het Nederlandse gevangeniswezen een zodanige medische zorg kan garanderen, dat de op te leggen gevangenisstraf zonder ernstige bedreiging van de gezondheid kan worden ondergaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 225(oud), 227, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij terzake van het onder 1 tenlastegelegde de dagvaarding nietig werd verklaard.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr J.M.J. Denie, voorzitter,

mr M. Barels en mr J.P.M. Kooijmans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr H.G. Kuipers, griffier,

en op 26 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.