Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW2812

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
21-002413-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat verdachte tijdens een voetbalwedstrijd de tegenstander opzettelijk met kracht een elleboogstoot heeft gegeven. Het hof acht oplegging van een werkstraf passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-002413-05

Uitspraak d.d.: 21 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zutphen van 10 mei 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

7 april 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

De raadsman heeft betoogd dat verdachte het slachtoffer geen opzettelijke elleboogstoot heeft gegeven. Er was volgens hem sprake van een spelsituatie, waarbij een speler ongelukkig ten val is geraakt. Hij hecht waarde aan de getuigenverklaring van [journalist], die geen opzettelijke elleboogstoot heeft waargenomen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg is de volgende feitelijke gang van zaken komen vast te staan.

- Op 18 september 2004 vond de voetbalwedstrijd DVS'33 tegen DETO op het sportcomplex DVS'33 in Ermelo plaats;

- Verdachte speelde voor DVS'33 en het slachtoffer voor DETO;

- Kort voor het einde van de wedstrijd was de stand 3-1 voor DETO;

- De bal werd naar voren gespeeld, terwijl verdachte en het slachtoffer achterbleven;

- Het slachtoffer wilde naar voren lopen;

- Op het moment dat het slachtoffer langs verdachte wilde gaan, werd hij op zijn mond geraakt. Hij kwam op de grond terecht en voelde dat hij er minimaal een tand weg was.

Omtrent de oorzaak van het afgelopen letsel is het volgende komen vast te staan:

- Het slachtoffer heeft verklaard dat hij heeft gezien dat, op het moment dat hij bij verdachte aankwam, verdachte met kracht naar links draaide en dat hij, verdachte, vanuit de draai zijn linkerelleboog liet uitzwaaien;

- [getuige 1][medespeler] liep ongeveer een meter achter het slachtoffer. Hij heeft gezien dat het slachtoffer verdachte wilde voorbij lopen. Vervolgens zag hij dat verdachte het slachtoffer een elleboogstoot op de mond gaf. Volgens hem deed verdachte dat hard en bewust op de mond van het slachtoffer;

- Getuige[getuige x] heeft bij de politie verklaard dat hij, toen het slachtoffer de speler van DVS (verdachte) dicht genaderd was, zag dat deze speler met één van zijn ellebogen met kracht in de richting van het slachtoffer uithaalde, waarna het slachtoffer met de elleboog vol op zijn mond werd geraakt. De arm van verdachte was hierbij gekromd. De actie gebeurde volgens hem heel bewust;

- Getuige [getuige y] heeft gezien dat de speler van DVS'33 (verdachte) met zijn linkerelleboog het slachtoffer midden in het gezicht stootte;

- Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer achter zich hoorde lopen en dat, toen hij wilde aanzetten, een klap hoorde. Hij voelde meteen pijn aan zijn linkerelleboog;

- Verdachte en het slachtoffer zijn even groot;

- Uit de medische gegevens volgt dat bij het slachtoffer twee tanden, de voor- en snijtand, met wortel en al, met kracht uit de kaak zijn verwijderd.

Bij de rechter-commissaris zijn spelers voor DVS'33, [naam] en [naam] gehoord. Ter terechtzitting in hoger beroep op 7 april 2005 is journalist[journalist] gehoord. Deze afgelegde getuigenverklaringen hebben omtrent de daadwerkelijke toedracht geen opheldering kunnen geven. Zij hebben ofwel niet gezien hoe het slachtoffer op de grond is komen te vallen dan wel niet gezien dat het slachtoffer op de grond is gevallen. Gelet hierop kent het hof aan deze getuigenverklaringen geen overwegende betekenis toe.

Op grond van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen [medespeler], [getuige x] en [getuige y] en gelet op de omstandigheid dat verdachte pijn aan zijn linkerelleboog voelde, komt het hof -in onderling verband en in samenhang bezien- tot de conclusie dat verdachte met zijn elleboog het slachtoffer op de mond heeft geraakt.

Ten aanzien van de opzet wordt het volgende overwogen. Gelet op het feit dat verdachte en het slachtoffer even groot zijn, de hierboven genoemde verklaringen van het slachtoffer en de getuigen [medespeler], [getuige x] en [getuige y] en het excessief opgelopen letsel, is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat verdachte het slachtoffer opzettelijk met kracht een elleboogstoot heeft gegeven. De verklaringen van de getuigen [medespeler] en [getuige x] inhoudende dat er sprake was van een bewuste actie begrijpt het hof aldus dat deze getuigen hebben waargenomen dat er niet sprake was van een ongelukkig toeval, maar van een op het hoofd van het slachtoffer gerichte stoot met de elleboog.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 september 2004 in de gemeente Ermelo opzettelijk mishandelend [slachtoffer], met kracht een elleboogstoot op de mond heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal, na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur, passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.021,51, bestaande uit € 1171,51 materiële schade en € 850,- immateriële schade.

ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 1.671,51, bestaande uit € 1171,51 materiële schade en € 500,- immateriële schade. De benadeelde partij heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat hij de vordering handhaaft tot een bedrag van € 1.671,51.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, zijnde € 1171,51 materiële schade en € 500,- immateriële schade. De omvang van de schade is niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

de aan [benadeelde] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde], te betalen een bedrag van

€ 1.671,51 (duizend zeshonderdeenenzeventig euro en eenenvijftig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 1.671,51 (duizend zeshonderdeenenzeventig euro en eenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr P.C. Vegter, voorzitter,

mr J.W.P. Verheugt en mr H.G.W. Stikkelbroeck, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier,

en op 21 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.