Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW2738

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
2004/1157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit artikel 6:101 BW volgt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de schadevergoedingsplicht wordt verminderd of zelfs geheel kan vervallen. Een dergelijke omstandigheid kan ook hierin bestaan dat door de benadeelde wordt nagelaten om redelijke schadebeperkende maatregelen te nemen. Het hof is van oordeel dat [appellanten] [..] een redelijke schadebeperkende maatregel achterwege hebben gelaten. Zij hadden immers door het accepteren van het aanbod van [geïntimeerden] van 29 juli 2003 hun schade aanzienlijk kunnen beperken. [appellanten] zouden bij acceptatie daarvan de overeengekomen koopsom ad € 195.000,= en een ingevolge artikel 6:100 BW in rekening te brengen voordeel van € 4.500,= hebben gerealiseerd en daarnaast waren de gevorderde kosten ter zake van dubbele woonlasten, makelaarskosten en bankkosten aanzienlijk lager geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 april 2006

eerste civiele kamer

rolnummer 2004/1157

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1] en

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. H.M.G. van Lotringen,

tegen:

[geïntimeerde sub 1] en

[geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de door de rechtbank Arnhem tussen appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) als eisers en geïntimeerden (hierna te noemen: [geïntimeerden]) als gedaagden gewezen vonnissen van 3 december 2003 en 28 juli 2004. Een fotokopie van die vonnissen is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 1 oktober 2004 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van “8 oktober 2003” (het hof leest: 3 december 2003) en van 28 juli 2004, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] tegen het vonnis van 28 juli 2004 vier grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof dit vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, hun vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, waaronder de kosten van de gelegde loonbeslagen.

2.3 [geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof [appellanten] in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hun deze als onbewezen en/of ongegrond zal ontzeggen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van beide instanties.

2.4 Ten slotte hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en is arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Tegen de overwegingen van de rechtbank in haar vonnis van 28 juli 2004 inzake de vaststaande feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4 De grieven

4.1 Tegen het tussenvonnis van 3 december 2003 zijn geen grieven aangevoerd, zodat [appellanten] in zoverre niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun hoger beroep.

4.2 Door de rechtbank is beslist dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen en daardoor in beginsel (wat het hof begrijpt als : behoudens de mogelijkheid van matiging) de overeengekomen boete van € 19.500 verschuldigd zijn geworden. Voorts heeft de rechtbank beslist dat [appellanten] in beginsel (wat het hof begrijpt als: mits hun schade de door [geïntimeerden] verbeurde boete overstijgt) aanvullende schadevergoeding mogen vorderen. Tegen deze beslissingen zijn geen grieven gericht. Vervolgens heeft de rechtbank beslist dat de door [appellanten] geleden schade moet worden gesteld op € 3.225,88 en dus de verbeurde boete niet overstijgt. Daartegen richten zich de grieven I, II en III. Tenslotte heeft de rechtbank de boete gematigd tot € 5.000. Dat wordt door [appellanten] bestreden met grief IV.

5 De beoordeling van de grieven I, II en III

5.1 Het hof stelt voorop dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Voor de bepaling welke schade aan [geïntimeerden] kan worden toegerekend, is mede van belang de verplichting van [appellanten] om hun schade te beperken. Uit artikel 6:101 BW volgt immers - kort samengevat - dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de schadevergoedingsplicht wordt verminderd of zelfs geheel kan vervallen. Een dergelijke omstandigheid kan ook hierin bestaan dat door de benadeelde wordt nagelaten om redelijke schadebeperkende maatregelen te nemen.

5.2 Het hof is van oordeel dat [appellanten], anders dan zij in grief I en de daarop gegeven toelichting betogen, een redelijke schadebeperkende maatregel achterwege hebben gelaten. Zij hadden immers door het accepteren van het aanbod van [geïntimeerden] van 29 juli 2003 hun schade aanzienlijk kunnen beperken. [appellanten] zouden bij acceptatie daarvan de overeengekomen koopsom ad € 195.000,= en een ingevolge artikel 6:100 BW in rekening te brengen voordeel van € 4.500,= hebben gerealiseerd en daarnaast waren de gevorderde kosten ter zake van dubbele woonlasten, makelaarskosten en bankkosten aanzienlijk lager geweest. Dat [appellanten], zoals zij in de toelichting op hun eerste grief stellen, niet tot deze schadebeperkende maatregel waren gehouden, omdat aan het aanbod van de nieuwe koopovereenkomst opnieuw een financieringsvoorbehoud voor [geïntimeerden] zou zijn gekoppeld, maakt dit oordeel niet anders. Immers, een financieringsvoorbehoud is een gebruikelijke voorwaarde in een koopovereenkomst betreffende een onroerende zaak en [appellanten] konden verwachten dat een met een derde te sluiten koopovereenkomst eveneens een dergelijk voorbehoud zou moeten bevatten. Evenmin doet aan het oordeel af dat [appellanten] een vermoeden hadden dat een tweede financieringsaanvraag van [geïntimeerden] eveneens zou worden afgewezen en voorts dat, aldus [appellanten] in voornoemde toelichting, [geïntimeerden] zich niet zouden hebben gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid door de reden van de afwijzing van de eerdere financieringsaanvraag niet aan [appellanten] te melden. Immers, [geïntimeerden] waren op zichzelf als koper niet gehouden tot het doen van mededelingen aan [appellanten] omtrent de grond voor afwijzing van hun eerdere financieringsaanvraag, terwijl [appellanten] onvoldoende feiten hebben gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij gegronde reden hadden aan te nemen dat ook de tweede financieringsaanvraag van [geïntimeerden] zou worden afgewezen of dat zij [geïntimeerden] destijds expliciet naar die grond van afwijzing van de eerdere financieringsaanvraag hebben gevraagd. Voor zover [appellanten] in dit verband in de toelichting op hun tweede grief hebben gesteld, dat [geïntimeerden] de tekst van de e-mail van 30 juli 2003 van mr. Van Lotringen anders hadden moeten begrijpen, namelijk dat [appellanten] een nadere toelichting en mededeling wensten over de reden van afwijzing van de hypotheekaanvraag en voorts de naam van de hypotheekadviseur wilden weten alvorens het ‘kale aanbod’ te accepteren, verwerpt het hof dit betoog. Indien [appellanten] hadden bedoeld te willen aangeven dat zij het aanbod enkel onder voornoemde voorwaarden zouden accepteren, hadden zij dat als zodanig moeten (laten) formuleren. De huidige formulering ervan, gelezen in de context van alle omstandigheden van het geval -waaronder de ontstaansgeschiedenis en, het feit dat [geïntimeerden] hier als particulieren zonder professionele juridische hulp handelden, sluit uit dat [geïntimeerden] de betrokken e-mail redelijkerwijs aldus kunnen of moeten hebben begrepen.

5.3 De schade die het gevolg is van het nalaten van [appellanten] tot het nemen van schadebeperkende maatregelen, kan dan ook niet aan [geïntimeerden] worden toegerekend. [geïntimeerden] zijn dan ook enkel gehouden tot vergoeding van de schade van [appellanten] die is ontstaan in het tijdvak van 27 juni 2003 (de datum van de oude overdrachtsdatum) tot de vermoedelijke nieuwe overdrachtsdatum. Het hof acht het - net als de rechtbank - redelijk om aan te nemen dat, indien [appellanten] het aanbod van 29 juli 2003 hadden aanvaard, de overdracht van het huis op of omstreeks 1 september 2003 plaats zou hebben kunnen vinden.

5.4 [appellanten] voeren in de toelichting op grief 1 aan dat de schade in het tijdvak van 27 juni 2003 tot en met 1 september 2003 hoger uitvalt dan het bedrag (€ 3.225,88) dat de rechtbank bij het bestreden vonnis heeft vastgesteld. Zij hebben echter niet gesteld en bedoelen kennelijk ook niet en in elk geval is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat die tot en met 1 september 2003 berekende schade ook hoger uitvalt dan € 19.500,=, het bedrag van de overeengekomen boete. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat voor aanvullende schadevergoeding boven die boete geen ruimte is en grief III, die het tegendeel betoogt, moet worden verworpen.

6 De beoordeling van grief IV

6.1 Het hof begrijpt het in eerste aanleg gevoerde betoog van [geïntimeerden] aldus dat zij ingevolge artikel 6:94 lid 1 BW een beroep doen op matiging van de bedongen boete en daartoe grond zien in de discrepantie tussen boete en geleden schade. In dit verband stelt het hof voorop dat hiertoe aanleiding kan bestaan indien de bedongen boete in verhouding tot de schade buitensporig is (vgl. HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277). Ten aanzien van de hoogte van de schade volgt uit het in paragraaf 5 reeds overwogene dat deze in ieder geval niet hoger is dan de bedongen boete. Anderzijds moet worden vastgesteld dat de rechtbank de hoogte van de schade heeft begroot op € 3.225,88 en dat door [geïntimeerden] niet is bestreden zodat thans aangenomen moet worden dat de boete hoger is dan de geleden schade, maar daarvan ten hoogste ongeveer het zesvoud bedraagt.

6.2 Voor de vraag of de boete in verhouding tot de schade buitensporig is, neemt het hof voorts in aanmerking dat een boete niet uitsluitend strekt tot vergoeding van de schade, maar ook als prikkel tot nakoming en dat de boete in het onderhavige geval niet gesteld is op iedere tekortkoming maar slechts op verzuim ten aanzien van de hoofdverplichtingen die partijen op zich genomen hebben, te weten het meewerken aan de feitelijke en/of juridische levering danwel de voldoening van de koopprijs. Het is dan ook hun verzuim aan hun hoofdverplichtingen te voldoen waardoor [geïntimeerden] de boete verbeurd hebben. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden een boete die ten hoogste ongeveer het zesvoudige van de geleden schade beloopt, niet buitensporig kan worden genoemd. en dat niet kan worden gezegd dat de billijkheid klaarblijkelijk matiging eist. Grief IV slaagt derhalve.

7 Slotsom

In hun hoger beroep tegen het bestreden tussenvonnis kunnen [appellanten] niet ontvangen worden. De tegen het bestreden eindvonnis aangevoerde grieven I, II en III falen. De gegrondheid van grief IV moet leiden tot vernietiging van dat vonnis en toewijzing van de vordering van [appellanten] tot het bedrag van de volledige boete. Zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep geldt dat beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld. De kosten van beide instanties zullen daarom worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

8 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 3 december 2003;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 juli 2004 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellanten] een bedrag van € 19.500,= (zegge: negentienduizend vijfhonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover van 1 augustus 2003 tot de dag van betaling;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt [appellanten] hun in eerste aanleg gedane vordering voor het overige;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mannoury, Groen en Van der Kwaak en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2006.