Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW1833

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
18-04-2006
Zaaknummer
2004/852
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In voormeld tussenarrest is [appellant] toegelaten tot het aannemelijk maken van de door hem gestelde feiten ter onderbouwing van zijn overmachtsverweer, in het bijzonder wat betreft de hoogte van de ligfiets, de hoogte van het bermgras, het zicht op het fietspad vóór de kruising, zowel - bij anticipatie - vanaf de Biddingringweg als vanaf de Haringweg, en de snelheden waarmee respectievelijk [appellant] en [geïntimeerde] de kruising zijn opgereden. [...]

Het hof is dan ook van oordeel dat aannemelijk is dat het ongeval voor [appellant], ook bij de van hem te vergen voorzichtige wijze van rijden, niet meer te voorkomen was, zodat er sprake is van overmacht en [appellant] niet aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade tengevolge daarvan.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/78
NJF 2006, 379
VR 2006, 107

Uitspraak

4 april 2006

derde civiele kamer

rolnummer 2004/852

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 19 juli 2005. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 24 oktober 2005 een getuigenverhoor en op 21 december 2005 een tegengetuigenverhoor plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Daarna heeft [appellant] een memorie na enquête genomen, waarbij hij twee producties heeft overgelegd. Vervolgens heeft [geïntimeerde] daarop bij akte gereageerd.

1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 In voormeld tussenarrest is [appellant] toegelaten tot het aannemelijk maken van de door hem gestelde feiten ter onderbouwing van zijn overmachtsverweer, in het bijzonder wat betreft de hoogte van de ligfiets, de hoogte van het bermgras, het zicht op het fietspad vóór de kruising, zowel - bij anticipatie - vanaf de Biddingringweg als vanaf de Haringweg, en de snelheden waarmee respectievelijk [appellant] en [geïntimeerde] de kruising zijn opgereden.

[appellant] heeft daartoe als getuigen doen horen: [A.] en [B.], beiden destijds werkzaam bij de politie Flevoland en kort na het ongeval ter plaatse aanwezig, [C.] en [D.], beiden inzittenden van de auto van [appellant] ten tijde van het ongeval, en zichzelf. In het tegengetuigenverhoor heeft [geïntimeerde] [E.], fietsenbouwer en ervaren ligfietser, en [F.], lid van de Nederlandse ligfietsvereniging, als getuigen doen horen. [geïntimeerde] heeft daarbij een aantal producties overgelegd, waaronder een foto waarop hijzelf, staand bij een achter een meetlat geplaatste ligfiets type Limit, is afgebeeld en een overzicht van door hem met die ligfiets behaalde resultaten tijdens een uurstijdrit. Deze zijn aan het proces-verbaal van het tegengetuigenverhoor gehecht.

Na de getuigenverhoren heeft de raadsheer-commissaris buiten het paleis van justitie in aanwezigheid van partijen een door [geïntimeerde] meegenomen ligfiets bezichtigd, waarvan het type, de maten en de kleur, volgens [geïntimeerde], overeenkwamen met die van de ligfiets waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden.

Hoogte ligfiets

2.2 Uit de verklaring van getuige [E.] volgt dat de ligfiets, die is afgebeeld op de aan het proces verbaal van het tegengetuigenverhoor gehechte foto, in dezelfde mal is gemaakt als de ligfiets waarmee [geïntimeerde] reed ten tijde van het ongeval. De maatvoering van de op die foto getoonde ligfiets is daarom, volgens [E.], gelijk aan die van de ligfiets van het ongeval, te weten: op het hoogste punt ongeveer 95 cm hoog, waarboven het hoofd van de bestuurder nog een aantal centimeters uitsteekt tot ongeveer 1 meter hoog, boven de voorwielen 87 cm hoog en aflopend naar de neus 70 cm hoog, de spoorbreedte (het breedste punt van deze driewielige ligfiets) bij de voorwielen is 75,5 cm, de ombouw van de ligfiets loopt naar voren en naar achteren smaller toe. De getuigen [appellant], [C.] en [D.] hebben slechts een schatting, uiteenlopend van 60 á 70 cm tot 75 cm, gegeven van de hoogte van de ligfiets. Uit het rapport van W.A.J. Hoep van expertise- en schadeonderzoekbureau Hoep blijkt niet waarop de door hem vermelde afmetingen (hoogte 65 cm) van de ligfiets zijn gebaseerd. Nu [appellant] bij memorie na enquête niet heeft gesteld dat de ligfiets op voormelde foto of de door de raadsheer-commissaris bezichtigde ligfiets afwijken van de ligfiets waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden en de door [E.] vermelde maatvoering overeenkomt met de door [geïntimeerde] in de memorie van antwoord vermelde maten van de ligfiets waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden, zal het hof van de door [E.] genoemde maten uitgaan. Dat betekent dat de ligfiets met bestuurder op het hoogste punt een hoogte had van ongeveer 1 meter.

Hoogte bermgras

2.3 Volgens de getuigen [A.] en [B.] was het bermgras ten tijde van het ongeval 1,50 meter hoog. Zij hebben verklaard dat zij de hoogte van het gras destijds niet hebben opgemeten maar dat zij de hoogte van het bermgras hebben afgeleid aan de hand van de bij het proces-verbaal van de politie behorende, door [B.] kort na het ongeval gemaakte, foto’s van de situatie ter plaatse en de daarop zichtbare verkeersborden. [B.] heeft verklaard dat verkeersborden ongeveer twee meter boven het maaiveld worden gemonteerd en dat op voormelde foto’s zichtbaar is dat het bermgras ten tijde van het ongeval tot net onder de verkeersborden kwam. De getuigen [appellant], [C.] en [D.] verklaren echter dat het bermgras respectievelijk 1 meter, heuphoogte bij een lichaamslengte van 1,78 meter en 75 cm hoog was. Dit komt overeen met de door hen op respectievelijk 20 september 2002 en 3 oktober 2002 afgelegde verklaringen, zoals vermeld in voormeld rapport van Hoep en met de daarin vermelde verklaring van [G.], die kort na het ongeval ter plaatse was en heeft verklaard dat het bermgras destijds naar zijn schatting zeker 80 cm hoog was. Het hof acht op grond van laatstgenoemde getuigenverklaringen aannemelijk dat het bermgras ten tijde van het ongeval ongeveer 75 cm tot 1 meter hoog was, nu op de aan het hof overgelegde kopieën van voormelde foto’s bij het proces-verbaal van politie slechts zichtbaar is dat het bermgras hoog was maar niet, althans onvoldoende, dat het bermgras tot net onder de verkeersborden reikte. Nu [geïntimeerde] zijn stelling dat gras normaliter niet tot 70 cm groeit of kan groeien niet nader heeft onderbouwd, gaat het hof daaraan voorbij.

Zicht op het fietspad

2.4 De getuigen [A.] en [D.] hebben verklaard dat door het hoge bermgras de situatie op de kruising van het fietspad met de Haringweg vanuit het fietspad gezien onoverzichtelijk was. De getuige [B.] heeft verklaard dat hij het zicht op het kruisingsvlak ongetwijfeld ter plaatse zal hebben gecontroleerd en dat het zicht, zowel vanuit de fietser als vanuit de automobilist gezien, door het hoge bermgras slecht was. Volgens hem kon een automobilist het fietspad pas inkijken op het moment dat hij bijna het kruisingsvlak opreed, in ieder geval minder dan vijf meter tevoren. Ook uit de eerste twee foto’s behorende bij het proces-verbaal van de politie (productie 1 bij inleidende dagvaarding) kan worden afgeleid dat het zicht van [appellant] naar links op het fietspad, bij het oprijden van de Haringweg vanaf de Biddingringweg, door het hoge bermgras belemmerd was en dat hij pas bij het oprijden van de kruising zicht kreeg op het fietspad. De getuigenverklaring van [appellant], dat hij voor het kruisingsvlak van de Haringweg met het fietspad een zicht had van 40 meter op het fietspad, spoort daarmee, in die zin dat blijkens voormelde foto’s een bestuurder van een personenauto op de Haringweg, komend vanaf de Biddingringweg, pas zicht op het fietspad kon verkrijgen als hij vrijwel ter hoogte van de kruising met dat fietspad was gekomen. In aanmerking genomen dat het fietspad voorafgaand aan de kruising met de Haringweg een knik naar links maakt, zoals op de foto’s 4, 5 en 7 behorende bij voormeld rapport van Hoep duidelijk zichtbaar is (productie 2 bij memorie na enquête), en het bermgras ten tijde van het ongeval ongeveer 75 cm tot 1 meter hoog was, acht het hof, met name gelet op voormelde getuigenverklaring van [B.] en voormelde foto’s bij het proces-verbaal van de politie, aannemelijk dat het zicht van [appellant] naar links op het fietspad, vanuit zijn auto tot aan het oprijden van het kruisings-vlak van de Haringweg met het fietspad, dusdanig belemmerd was dat voertuigen met een hoogte van maximum 1 meter op het fietspad voor hem niet of zeer moeilijk waarneembaar waren.

.

Snelheid [appellant]

2.5 Uit de getuigenverklaringen van [appellant], [D.] en [C.] volgt dat [appellant] bij het naderen van de kruising met het fietspad langzaam reed en dat hij, toen hij de ligfiets zag, onmiddellijk heeft geremd en nagenoeg gelijk stilstond. Dit komt overeen met hun eerdere verklaringen in voormeld rapport van Hoep. Niet is komen vast te staan of [appellant] voor het oprijden van de kruising zijn auto geheel tot stilstand heeft gebracht. De getuigenverklaringen zijn op dat punt niet eenduidig. Het hof acht op grond van deze verklaringen aannemelijk dat [appellant] het kruisingsvlak van de Haringweg met het fietspad langzaam is opgereden.

Snelheid [geïntimeerde]

2.6 [appellant] en [D.] hebben verklaard dat [geïntimeerde] volgens hun schatting met een snelheid van meer dan 50 km per uur moet hebben gereden voorafgaand aan het ongeval. Dit komt overeen met de verklaring van [G.] in het rapport van Hoep, die de snelheid van [geïntimeerde] eveneens schatte op zeker 50 km per uur. Uit de getuigen-verklaring van [E.] volgt echter dat de topsnelheid die [geïntimeerde] met zijn ligfiets kon bereiken, gelet op zijn leeftijd en atletisch vermogen, 40 km per uur was. Voor 55-plussers (blijkens het proces-verbaal van de politie is [geïntimeerde] geboren in 1944) die getraind zijn moet volgens zijn verklaring met een redelijk gemak een snelheid van 30 km per uur te halen zijn, in een situatie waarin geen sprake is van een wedstrijd. Voorts heeft hij verklaard dat hij het fietspad waar het ongeval heeft plaatsgevonden kent en dat door de bocht in het fietspad voor de kruising met de Haringweg, de kruising niet met 40 km per uur genomen kan worden maar wel met net 30 km per uur. Deze verklaring wordt op het punt van de door [geïntimeerde] met zijn ligfiets te behalen snelheden ondersteund door de verklaring van [F.], die heeft verklaard dat de heer [geïntimeerde] onder bijzonder gunstige omstandigheden een snelheid van 40 km per uur zou kunnen halen gedurende korte tijd en een kruissnelheid van 35 km per uur. Voorts komen deze verklaringen overeen met de verklaring van de echtgenote van [geïntimeerde] dat hij niet harder dan 37 km per uur kan hebben gereden (productie 5 bij de inleidende dagvaarding).

Het hof kent aan de getuigenverklaringen van [E.] en [F.] en de overgelegde producties meer gewicht toe dan aan de getuigenverklaringen van [appellant] en [D.] en de verklaring van [G.] in het rapport van Hoep. Niet gebleken is immers waarop zij hun schatting hebben gebaseerd, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat bij het schatten van een snelheid zonder een referentiepunt gemakkelijk fouten worden gemaakt. Met name [E.] kan uit eigen ervaring verklaren over de te behalen snelheden met de ligfiets van het type waarmee [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval reed. Uit de door [geïntimeerde] bij gelegenheid van het tegengetuigenverhoor overgelegde producties kan eveneens worden afgeleid dat een snelheid tussen de 30 en 35 km per uur voor hem haalbaar moet zijn geweest. Uit de verklaringen van [appellant], [D.] en [G.] volgt wel dat [geïntimeerde] met hoge snelheid reed. Dat is ook aannemelijk gelet op het feit dat de ligfiets van [geïntimeerde] de auto van [appellant] links aan de voorzijde heeft geschampt en daarna tegen de lantaarnpaal links naast het fietspad ernstig beschadigd tot stilstand is gekomen. Op grond van het voorgaande acht het hof aannemelijk dat [geïntimeerde] met een snelheid van ongeveer 30 tot 35 km per uur de kruising van het fietspad met de Haringweg is opgereden.

Overmacht

2.7 Zoals het hof in rov. 4.5 van zijn tussenarrest reeds heeft overwogen is er slechts sprake van overmacht indien [appellant] van zijn wijze van deelneming aan het verkeer, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt en indien de eventuele verkeersfout van [geïntimeerde] zo onwaarschijnlijk was dat [appellant] daarmee geen rekening behoefde te houden.

2.8 Gegeven de verkeerssituatie, waarbij [appellant], alvorens vanaf de Biddingringweg naar links de Haringweg in te slaan, eerst het tegenliggend verkeer voorrang moest verlenen, de andere rijbaan van de Biddingringweg moest oversteken en vervolgens nog enkele meters de Haringweg moest inrijden voor hij bij de kruising met het fietspad kwam, is het hof van oordeel dat [appellant] niet reeds op de Biddingringweg anticiperend behoefde te letten op het in gelijke richting rijdende verkeer op het daaraan parallel gelegen fietspad. Bovendien is op grond van de getuigenverklaringen van met name [B.] en [D.] aannemelijk dat [appellant] vanaf de Biddingringweg door het hoge bermgras geen zicht had op het verkeer op het fietspad, althans niet op een laag voertuig als de ligfiets van [geïntimeerde]. Toen [appellant] eenmaal op de Haringweg ter hoogte van de vluchtheuvel voor de kruising met het fietspad aldaar was aangekomen was zijn zicht naar links op het fietspad vanuit zijn auto net voor het oprijden van het kruisingsvlak van de Haringweg met het fietspad, door het hoge bermgras en de knik naar links in het fietspad vlak voor de kruising, dusdanig belemmerd dat [geïntimeerde] met zijn ligfiets voor [appellant] niet of zeer moeilijk waarneembaar was, ook al had de ligfiets een felle kleur. Ondanks dat slechte zicht behoefde [appellant] voor het oprijden van het kruisingsvlak zijn auto niet geheel tot stilstand te brengen. [geïntimeerde] en [appellant] waren zich in conflicterende richtingen bewegende verkeersdeelnemers bij een kruising waar het zicht op de ander was belemmerd. Beiden moesten derhalve hun verkeersgedrag dusdanig aanpassen dat daaruit zo min mogelijk gevaar voor een aanrijding zou voortkomen en in het geval dat een aanrijding niet vermeden kon worden, de schade zo beperkt mogelijk zou zijn. Voor [appellant] betekende dat dat hij dusdanig moest rijden dat hij mogelijk nog zicht kreeg op het verkeer op het fietspad voordat hij dat met zijn auto (deels) blokkeerde. Voor [geïntimeerde] betekende dat dat hij vaart moest minderen en zo langzaam moest rijden dat hij nog voor de kruising kon stoppen.

[appellant] kreeg pas zicht op het fietspad toen hij zich bevond ter hoogte van het aan de rechterkant van het fietspad op de hoek met de Haringweg geplaatste waarschuwingsbord (dat de verkeersdeelnemers op het fietspad waarschuwt dat zij voorrang moeten verlenen aan het verkeer op de Haringweg). Aangenomen moet worden dat [appellant] het verkeer dat boven het bermgras uitstak (volwassen fietsers en bromfietsers) bij het naderen van de kruising kon zien en dat hij het verkeer dat niet uitstak boven het bermgras (kinderen op kleine fietsjes en ligfietsers zonder signaalvlag) pas kon zien wanneer hij met de voorzijde van zijn auto het kruisingsvlak reeds was opgereden. Nu het bermgras ongeveer even hoog was als de ligfiets van [geïntimeerde], is het aannemelijk dat [appellant] de ligfiets niet heeft kunnen zien voordat de voorzijde van zijn auto de kruising opreed. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de zitplaats van de bestuurder van een gewone personenauto (Opel Astra) zich ongeveer anderhalve meter achter de voorkant van de auto bevindt. Om het fietspad naar links te kunnen inzien moest [appellant] derhalve met de voorzijde van zijn auto het kruisingsvlak oprijden. Aannemelijk is dat hij dat met geringe snelheid heeft gedaan. Onder deze omstandigheden, mede in aanmerking genomen dat [appellant] op de kruising voorrang genoot, heeft hij, door niet voor de kruising zijn auto geheel tot stilstand te brengen maar met geringe snelheid de kruising op te rijden, geen verkeersregel geschonden.

2.9 [appellant] had in de gegeven omstandigheden echter wel bedacht moeten zijn op verkeersdeelnemers op het fietspad die hem geen voorrang zouden verlenen en tevens op lage weggebruikers, zoals een kind op een kinderfietsje of een ligfietser. Een ligfiets is en was ook in 2002 een in het wegverkeer toegelaten voertuig, zodat niet gezegd kan worden dat [appellant] daarmee geen rekening behoefde te houden. Daaraan doet niet af dat er sprake was van een onoverzichtelijke situatie, waarbij de ligfiets zeer moeilijk zichtbaar was en er voor [appellant] derhalve weinig mogelijkheden waren om te anticiperen op eventuele fouten van een dergelijke “lage” verkeersdeelnemer. [appellant] behoefde niet bedacht te zijn op een ligfietser, die met een snelheid van ongeveer 30 tot 35 km per uur (derhalve ongeveer 8 tot 10 meter per seconde), in weerwil van een voor hem kenbaar waarschuwingsbord en haaientanden, zonder voorrang te verlenen de kruising, waar het zicht door het hoge bermgras op elkaar slecht was, ging oversteken. Uit de verklaringen van [appellant] en [D.] in het proces-verbaal van de politie blijkt dat zij de ligfiets zagen en dat daarop direct de aanrijding volgde. [geïntimeerde] moet, gelet op zijn snelheid, derhalve al (voor)bij de bocht in het fietspad zijn geweest toen [appellant] zicht op de ligfiets kreeg. Niet alleen behoefde [appellant] met een zodanig onwaarschijnlijke verkeersfout van [geïntimeerde] geen rekening te houden, maar ook ontnam [geïntimeerde] door zijn hoge snelheid [appellant] de mogelijkheid om ongevalsvermijdend op te treden, althans in verdergaande mate dan hij, door het met geringe snelheid oprijden van de kruising met het fietspad waarop hij tevoren slechts zicht had, heeft gedaan. Op grond van het voorgaande kan [appellant] derhalve van zijn wijze van deelneming aan het verkeer rechtens geen enkel verwijt worden gemaakt.

2.10 Het hof is dan ook van oordeel dat aannemelijk is dat het ongeval voor [appellant], ook bij de van hem te vergen voorzichtige wijze van rijden, niet meer te voorkomen was, zodat er sprake is van overmacht en [appellant] niet aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade tengevolge daarvan. Grief VI en IX slagen derhalve, zodat de overige grieven geen bespreking meer behoeven.

2.11 De slotsom luidt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] afwijzen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zwolle van 26 mei 2004 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg begroot op € 780,= voor salaris van de procureur en op € 205,= voor griffierecht en in het hoger beroep begroot op € 2.682,= voor salaris van de procureur, op € 288,= voor griffierecht, op € 83,78 voor kosten uitbrengen appèlexploot en op € 342,50 voor taxen van de getuigen;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Vaessen en Strens-Meulemeester en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2006.