Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW1809

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
2005/326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding wegens verlies aan verdienvermogen; smartengeld.

In het incidenteel appèl prefereren beide partijen een beslissing omtrent de ná 1 juli 2004 ontstane toekomstige schade wegens verlies aan arbeidsvermogen boven een hernieuwde verwijzing naar een tweede schadestaatprocedure. Het hof laat daarom in het midden of een dergelijke tweede verwijzing tegen de vordering van de benadeelde in (ex art. 615b Rv) wel mogelijk is en zal daarom overgaan tot begroting van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 april 2006

derde civiele kamer

rolnummer 05/326

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

N.V. Noordhollandsche van 1816 Algemene Verzekeringsmaatschappij,

gevestigd te Oudkarspel, gemeente Langedijk,

appellante in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellant in het incidenteel appèl,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

De rechtbank Arnhem heeft in het geschil tussen principaal appellante (hierna te noemen: de Noordhollandsche) als gedaagde en principaal geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser vonnissen gewezen op 31 oktober 2002, 5 maart 2003, 30 juni 2004 en 1 december 2004. Deze vonnissen, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, zijn in afschrift aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploit van 28 februari 2005 is de Noordhollandsche in hoger beroep gekomen van voormelde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 31 mei 2005. Bij akte heeft [geïntimeerde] deze rechtsdag vervroegd en de Noordhollandsche opgeroepen tegen de zitting van dit hof van 22 maart 2005.

2.2 Bij memorie van grieven heeft de Noordhollandsche vier grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en een productie overgelegd en gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

I het vonnis van 30 juni 2004 zal vernietigen voor zover het betreft rechtsoverweging 8 met betrekking tot het carrièreperspectief van [geïntimeerde] (chef werkplaats vanaf 1 januari 2002);

II het vonnis van 1 december 2004 zal vernietigen voor zover het betreft

- de schadeberekening op grond van het salaris van chef werkplaats vanaf 1 januari 2002;

- het bedrag van € 815,- per jaar voor de aanpassing aan de auto;

- de langere looptijd ter zake van het verlies aan zelfwerkzaamheid vanaf 60 jaar;

- de veroordeling tot betaling van het bedrag van € 39.471,29;

en, in zoverre opnieuw recht doende, de vorderingen met betrekking tot deze onderdelen alsnog zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep.

2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof de Noordhollandsche niet-ontvankelijk zal verklaren in haar appèl, althans dat appèl ongegrond zal verklaren, met haar veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) in de proceskosten.

Daarnaast heeft [geïntimeerde] incidenteel appèl ingesteld en vijf grieven geformuleerd tegen de vonnissen van 5 maart 2003, 30 juni 2004 en 1 december 2004, bewijs aangeboden (ook inzake het principale appèl), producties overgelegd en zijn vordering gewijzigd. Hij heeft gevorderd dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, uitvoerbaar bij voorraad:

- de Noordhollandsche zal veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 407.876,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2001 tot de dag van algehele voldoening, verminderd met de reeds door de Noordhollandsche betaalde bedragen;

- de Noordhollandsche zal veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van de materiële schade van € 15.183,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 1996 tot de dag van algehele voldoening;

- de Noordhollandsche zal veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 60.000,- ter zake van smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 1995 tot aan de dag van algehele voldoening;

- de Noordhollandsche zal veroordelen tot betaling aan hem inzake de expertisekosten ten bedrage van:

€ 2.489,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2003;

€ 999,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2004;

€ 1.024,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2005;

- voor recht zal verklaren dat de Noordhollandsche een deugdelijke belastinggarantie zal afgeven, inhoudende dat de totale schadevergoeding niet valt onder het regime van de Wet Inkomstenbelasting en Premies Volksverzekeringen en, voor het geval de Belastingdienst de vergoeding van de Noordhollandsche aan [geïntimeerde] ter zake van verlies van verdienvermogen inclusief pensioenschade zou belasten, deze belasting en/of loon- en/of premieheffing op eerste aanmaning van [geïntimeerde] door de Noordhollandsche aan hem zal worden vergoed met de bevoegdheid van de Noordhollandsche om op eigen kosten het standpunt van de Belastingdienst te bestrijden;

- voor recht zal verklaren dat, wanneer een wijziging van het stelsel van AAW/WAO leidt tot een vermindering of beëindiging van de op deze wet(ten) gebaseerde uitkering van [geïntimeerde] terwijl daarvoor geen andere gelijke, dan wel gelijkwaardige voorziening in de plaats komt, aan hem tot zijn 65e jaar per kwartaal een zodanige betaling zal worden gedaan door de Noordhollandsche dat de negatieve gevolgen van deze stelselwijziging voor [geïntimeerde] netto door de Noordhollandsche zullen worden gecompenseerd;

- de Noordhollandsche zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl heeft de Noordhollandsche de grieven van [geïntimeerde] bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appèl met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan.

2.5 Bij akte heeft [geïntimeerde] gereageerd op de laatste memorie van de Noordhollandsche en heeft hij nog twee producties in het geding gebracht. Daarop heeft de Noordhollandsche gereageerd bij antwoordakte. Bij separate akte, genomen op dezelfde roldatum (18 oktober 2005) als de antwoordakte, heeft [geïntimeerde] nog twee nieuwe producties in het geding gebracht.

2.6 Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de niet bestreden inhoud van overgelegde bewijsstukken dan wel als door de rechtbank beslist en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 [geïntimeerde] is betrokken geweest bij een verkeersongeval op 19 juni 1995. Hij werd, rijdend op een bromfiets, van achteren aangereden door een auto. Deze was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij de Noordhollandsche. [geïntimeerde] heeft bij de aanrijding fors letsel opgelopen aan, met name, de onderste ledematen.

3.3 [geïntimeerde] was vanaf april 1994 in dienst als - onder meer - servicemonteur bij de Nijmeegse Motoren Revisie. Ingaande 18 juni 1996 is [geïntimeerde] een WAO-uitkering toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 december 2005 is deze uitkering echter ingetrokken omdat bij herkeuring de arbeidsongeschiktheid zou zijn afgenomen tot minder dan 15% (productie 8 bij akte d.d. 18 oktober 2005).

3.4 De Noordhollandsche is bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 juli 1999 (productie 1 bij akte van 22 augustus 2002) veroordeeld tot betaling van de door [geïntimeerde] geleden schade, nader op te maken bij staat. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van dit hof van 30 mei 2000 (productie 3 bij voormelde akte) dat onherroepelijk is geworden.

3.5 Partijen hebben in gezamenlijk overleg het letsel van [geïntimeerde] laten beoordelen door dr. O.C. Stroosma, chirurg/traumatoloog. Daartoe is [geïntimeerde] op 28 maart 2001 door Stroosma onderzocht en deze heeft een expertiserapport d.d. 30 maart 2001 opgemaakt (productie 5 bij akte van 22 augustus 2002). Stroosma concludeert onder andere (p. 29 rapport) “dat we hier dus te maken [hebben] met een ernstig multitrauma patiënt, waar gezien de omstandigheden sprake is van een redelijk goed herstel en die nog de meeste klachten ondervindt van de arthrodese [verstijving/vastzetting van een gewricht – toev. hof] van de rechter knie en vooral de arthrotische [degeneratie van een gewricht – toev. hof] afwijkingen van de rechter enkel en linker knie.” Stroosma komt daarmee op een percentage functiestoornis als gevolg van het ongeval van 40 G.P. (A.M.A. Guide, vierde versie).

3.6 [geïntimeerde] heeft daarna op eigen initiatief Bureau Pals B.V. te Emmen ingeschakeld teneinde zijn schade op de voet van art. 6:107 BW te laten begroten. Hiervoor is een schaderapport d.d. 3 december 2001 opgemaakt (prod. 12 bij akte van 22 augustus 2002). In dit rapport (p. 12) wordt de schade wegens verlies arbeidsvermogen begroot op € 455.232,- (bij volledige arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde]) en de materiële schade op € 15.183,-; de expertisekosten voor dit rapport bedragen € 2.489,-. Van het totale schadebedrag dient de bevoorschotting door de Noordhollandsche, tot dat moment (afgerond) € 113.445,-, nog te worden afgetrokken.

3.7 Partijen zijn daarna met betrekking tot de omvang van de schade niet tot een minnelijke regeling gekomen.

3.8 Bij dagvaarding van 30 juli 2002 heeft [geïntimeerde] eerst bij de rechtbank de (onderhavige) schadestaatprocedure aanhangig gemaakt.

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 5 maart 2003 van de rechtbank zijn twee deskundigenonderzoeken gestart: een onderzoek door een loopbaanadviseur, dat geresulteerd heeft in een rapportage van juli 2003 van Carréconsult (door mevr. A. Hormes) en een onderzoek door een arbeidsdeskundige, dat geresulteerd heeft in een arbeidsdeskundig rapport van 29 september 2003 van Heling & Partners (door dhr. J.A.M. Pigge).

In het daaropvolgende tussenvonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank (in rov. 8) voor wat betreft de toekomstige schade (vanaf 1 juli 2004) wegens verlies van arbeidsvermogen [geïntimeerde] verwezen naar de schadestaatprocedure en voor wat betreft de verschenen schade (dus tot 1 juli 2004) [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om een aangepaste berekening c.q. herberekening in het geding te brengen met inachtneming van de (eind)beslissingen van de rechtbank (rov. 9 en rov. 13). Daarop heeft [geïntimeerde] (bij akte) een herziene berekening door het voornoemde bureau Pals ingebracht en zijn vorderingen – voorzover nodig – aangepast en toegelicht. De kosten hiervoor bedroegen € 999,60.

Na nog enige aktewisselingen heeft de rechtbank op 1 december 2004 eindvonnis gewezen.

3.9 In september 2004 heeft de Noordhollandsche een bedrag van € 39.471,29 aan [geïntimeerde] betaald. Naar aanleiding van het eindvonnis van 1 december 2004 heeft de Noordhollandsche nog een bedrag van € 29.833,61 betaald. Daarmee komt het totaal betaalde bedrag (zie rov. 3.6) door de Noordhollandsche op € 182.749,90.

3.10 [geïntimeerde] heeft door bureau Pals een nieuwe berekening laten maken voor de toekomstige schade vanaf 1 juli 2004. Hiervan is een rapport opgemaakt d.d. 18 februari 2005 (prod. 4 MvA, tevens incidenteel appèl en akte wijziging van eis); de kosten hiervoor bedragen (afgerond) € 1.024,- , welke kosten [geïntimeerde] door middel van eiswijziging in hoger beroep tevens heeft gevorderd.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

De beslissingen van de rechtbank

4.1 Ten aanzien van de toekomstige schade (vanaf 1 juli 2004) heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 30 juni 2004 (rov. 8) geoordeeld dat dit onderdeel van de vordering ambtshalve zal worden doorverwezen naar de schadestaatprocedure. In het eindvonnis van 1 december 2004 is deze beslissing (mét de gevorderde WAO-garantie) in het dictum opgenomen.

Ten aanzien van de overige schadeposten heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 30 juni 2004 als volgt geoordeeld. Voor het verlies van zelfwerkzaamheid is toegekend een bedrag van € 650,- per jaar (rov. 8). De materiële schade is bepaald op € 15.183,- (rov. 10) en het smartengeld op € 45.000,- (rov. 11). De vordering tot vergoeding van gederfde winst wegens het niet kunnen kopen van een eigen woning in 1996 en daarna – met winst – kunnen doorverkopen, is door de rechtbank niet toewijsbaar geoordeeld (rov. 12). In het eindvonnis van 1 december 2004 heeft de rechtbank het verlies aan arbeidsvermogen tot 1 juli 2004 vastgesteld op € 62.786,26 (rov. 6 jo. rov. 8), in welk bedrag ook “overige schade” is opgenomen voor verlies zelfwerkzaamheid, orthopedische schoenen en aanpassing auto. De gekapitaliseerde overige materiële schade vanaf 1 juli 2004 is (in rov. 9) bepaald op € 20.132,- (verlies zelfwerkzaamheid ad € 650,- per jaar, de kosten van € 95,- per jaar voor orthopedische schoenen en € 815,- per jaar voor noodzakelijke aanpassingen aan een auto). Ten slotte zijn de expertisekosten (de twee voornoemde rapportages van bureau Pals) van € 2.489,- en € 999,60 toegewezen (rov. 10). De diverse bedragen zijn vermeerderd met de wettelijke rente als nader aangegeven in het vonnis (rov. 11-14). Daarnaast heeft de rechtbank in het dictum de gevorderde belastinggarantie toegewezen. De proceskosten heeft de rechtbank gecompenseerd.

De contouren van het geschil in hoger beroep

4.2 In principaal appèl heeft de Noordhollandsche de volgende grieven aangevoerd betreffende:

? de vergoeding wegens verlies aan verdienvermogen, waarbij het hypothetisch inkomen (tot 1 juli 2004) is gebaseerd op de doorgroeimogelijkheid van [geïntimeerde] (indien hem het ongeval niet was overkomen) tot chef werkplaats vanaf 1 januari 2002 (grief 1 in het principaal appèl, nader uitgewerkt in de nrs. 7-15 MvG); tevens heeft de Noordhollandsche bezwaren tegen de door de rechtbank toegekende wettelijke rente;

? de procedurele aspecten rond de wijziging van eis bij akte van 6 oktober 2004, waartegen de Noordhollandsche bij akte van 20 oktober 2004 (nrs. 10-15) bezwaren heeft aangevoerd, doch niet (echt) inhoudelijk heeft gereageerd en dat ook niet meer heeft kunnen doen omdat er op 1 december 2004 eindvonnis is gewezen (grief 2a in het principaal appèl, nader uitgewerkt in de nrs. 16-17); de Noordhollandsche wenst zich alsnog inhoudelijk te verweren tegen de schadeposten die bij eiswijziging in eerste aanleg zijn opgevoerd, hetgeen zij ook heeft gedaan (grief 2b in het principaal appèl, nader uitgewerkt in nrs. 18-24);

? de eindleeftijd voor vergoeding wegens verlies aan zelfwerkzaamheid: die dient op 60 jaar gesteld te worden in plaats van op 75 jaar; tevens heeft de Noordhollandsche bezwaren tegen de door de rechtbank toegekende wettelijke rente (grief 3 in het principaal appèl, nader uitgewerkt in nr. 25 MvG);

? de veroordeling tot betaling van € 39.714,29 in (rov. 11 van) het eindvonnis van 1 december 2004 (grief 4 in het principaal appèl, uitgewerkt in nr. 26 MvG): de Noordhollandsche had dit bedrag reeds voldaan in september 2004 zodat de vordering in zoverre is tenietgegaan en de veroordeling ten onrechte is uitgesproken.

4.3 In incidenteel appèl heeft [geïntimeerde] de volgende grieven aangevoerd:

? ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis van 5 maart 2003 (rov. 13) overwogen dat volgens dr. Stroosma de klachten en beperkingen van [geïntimeerde] in de toekomst “welhaast” zeker nog zullen toenemen: het woord welhaast is hier volgens [geïntimeerde] misplaatst (grief I);

? de toekomstige schade (vanaf 1 juli 2004) wegens verlies aan arbeidsvermogen is door de rechtbank in het eindvonnis van 1 december 2004 ten onrechte niet vastgesteld, maar ter verdere beslissing verwezen naar de schadestaatprocedure (grief II): [geïntimeerde] heeft een groot belang bij een spoedige en definitieve beslissing; er is geen redelijk vooruitzicht dat hij ooit nog substantieel zal deelnemen aan het arbeidsproces;

? voor de vordering wegens verlies aan zelfwerkzaamheid houdt [geïntimeerde] vast aan het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 910,- per jaar in plaats van het door de rechtbank in het vonnis van 30 juni 2004 (rov. 8) toegewezen bedrag van € 650,- per jaar (grief III);

? het smartengeld moet volgens [geïntimeerde] worden bepaald op € 60.000,- en niet op het in het vonnis van 30 juni 2004 (rov. 11) toegewezen bedrag van € 45.000,- (grief IV);

? ten onrechte heeft de rechtbank in het eindvonnis van 1 december 2004 de proceskosten gecompenseerd (grief V).

4.4 Over een aantal grieven kan het hof kort zijn en daarover de navolgende beslissingen geven: grief I in het incidenteel appèl faalt; met het woord “welhaast” in de samenvatting van de rapportage van dr. Stroosma heeft de rechtbank kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid”, daar waar Stroosma zich uitsprak over een toekomstige ontwikkeling.

Grief 2a in het principaal appèl mist zelfstandige betekenis, nu de Noordhollandsche in hoger beroep alsnog haar inhoudelijke bezwaren tegen de schadeposten die bij de laatste eiswijziging in eerste aanleg waren opgevoerd, kenbaar heeft kunnen maken.

Grief 4 in het principaal appèl is terecht voorgesteld. Volgens het eindvonnis van 1 december 2004 diende de Noordhollandsche een bedrag te betalen van € 68.418,60. Onbetwist staat vast (zie rov. 3.9) dat de Noordhollandsche al in september 2004 een bedrag van € 39.471,29 betaald had, waarmee de rechtbank in de overwegingen c.q. het dictum geen rekening heeft gehouden (kennelijk omdat de Noordhollandsche in haar akte van 8 september 2004 onder nr. 9 dit bedrag wel erkent maar niet meldt dat ze dit ook betaald heeft). Het opgenomen bedrag in het dictum is derhalve niet juist; in plaats daarvan had een bedrag van € 28.947,31 toegewezen moeten worden.

4.5 Met grief II in het incidenteel appèl komt [geïntimeerde] op tegen de beslissing van de rechtbank tot doorverwijzing naar de schadestaatprocedure voor de ná 1 juli 2004 ontstane, toekomstige schade. In zijn toelichting op deze grief stelt [geïntimeerde] (MvA/inc.appèl nr. 29) dat zijn verlies aan arbeidsvermogen ook voor de toekomst vergoed moet worden ervan uitgaande dat hij niet meer aan het arbeidsproces zal (kunnen) deelnemen, mede omdat zijn kansen op reïntegratie zo laag zijn (en de Noordhollandsche geen initiatieven heeft genomen om een reïntegratietraject te begeleiden c.q. te betalen). Het hof merkt hier bij op dat deze stelling van [geïntimeerde] in een ander licht is komen te staan met de beslissing van het UWV om zijn WAO-uitkering per 1 december 2005 in te trekken vanwege de wijziging van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100% naar minder dan 15% (prod. 8 akte 18 oktober 2005, waarover overigens de Noordhollandsche zich nog niet heeft uitgelaten).

4.6 Naar het oordeel van het hof is het inderdaad niet gewenst dat er opnieuw verwijzing plaatsvindt naar een schadestaatprocedure en motiveert dit als volgt.

In eerste aanleg heeft de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 (rov. 6) op grond van de deskundigenrapporten geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] (mede gelet op zijn nog jonge leeftijd) gedurende zijn verdere leven geen enkele loonvormende activiteit meer zou kunnen verrichten. Daarvoor dien(d)en nog de mogelijkheden van reïntegratie (door deskundigen) te worden onderzocht. Het was derhalve naar het oordeel van de rechtbank nog te vroeg voor een kapitalisatie van de toekomstige schade (vanaf 1 juli 2004) wegens verlies aan arbeidsvermogen. De rechtbank heeft daarom dit onderdeel van de vordering ambtshalve verwezen naar de schadestaatprocedure.

Uit de stellingen van [geïntimeerde] kan afgeleid worden dat deze er grote (psychische en financiële) problemen mee heeft dat er al gedurende vele jaren (vanaf januari 1998) verschillende gerechtelijke procedures hebben gelopen, dat de onderhavige (schadestaat)procedure nog steeds niet ten einde is gekomen en dat er inmiddels ruim tien jaren zijn verstreken na het ongeval. In het incidenteel appèl prefereren beide partijen een beslissing omtrent de ná 1 juli 2004 ontstane toekomstige schade wegens verlies aan arbeidsvermogen boven een hernieuwde verwijzing naar een tweede schadestaatprocedure. Het hof laat daarom in het midden of een dergelijke tweede verwijzing tegen de vordering van de benadeelde in (ex art. 615b Rv) wel mogelijk is en zal daarom overgaan tot begroting van de schade; in zoverre slaagt de incidentele grief II.

Gelet op de hiervoor (rov. 4.5) al eerder genoemde wijziging van omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] en het feit dat partijen hun standpunten in deze procedure daarop nog niet hebben kunnen afstemmen, zal het hof een comparitie van partijen gelasten waarbij in ieder geval de kosten van en verantwoordelijkheid voor een reïntegratietraject aan de orde zullen komen en de mogelijkheden van een minnelijke regeling zal worden onderzocht; een en ander wordt nader uitgewerkt in rov. 4.14. Het hof zal echter eerst de overige geschilpunten bespreken c.q. beoordelen.

4.7 De stellingen c.q. grieven van partijen samenvattend en met inachtneming van hetgeen reeds overwogen is, liggen nog de volgende geschilpunten voor:

a. het verlies aan verdienvermogen tot 1 juli 2004 en de daarover te vergoeden wettelijke rente (grief 1 in het principaal appèl);

b. de vergoeding wegens aanpassingen aan de auto en de einddatum daarvan en de daarover te vergoeden wettelijke rente (grief 2b in het principaal appèl);

c. de vergoeding wegens verlies aan zelfwerkzaamheid en de daarover te vergoeden wettelijke rente (grief 3 in het principaal appèl en grief III in het incidenteel appèl);

d. de hoogte van het smartengeld (grief IV in het incidenteel appèl);

e. de expertisekosten voor het (laatste) rapport d.d. 18 februari 2005 van bureau Pals (eisvermeerdering in hoger beroep);

f. de compensatie van de proceskosten (grief V in het incidenteel appèl).

Verlies verdienvermogen tot 1 juli 2004

4.8 De kern van het bezwaar van de Noordhollandsche tegen de berekening van het verlies verdienvermogen tot 1 juli 2004 ziet op de veronderstelling dat [geïntimeerde] per 1 januari 2002 bij zijn voormalig werkgever had kunnen doorgroeien tot chef werkplaats. [geïntimeerde] heeft immers zijn schoolopleiding (LTS) niet afgemaakt en beschikt niet over (andere) vakdiploma’s of getuigschriften op het terrein van motorenrevisie en zijn “uitzonderlijke capaciteiten” op dit terrein worden door de Noordhollandsche uitdrukkelijk betwist.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat in zaken als deze waarin het gaat om een berekening van verlies van toekomstige arbeidsinkomsten, waarbij er een vergelijking dient plaats te vinden van de inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, het daarbij aankomt op een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen (vgl. HR 13 december 2002, NJ 2003, 213). Aan de benadeelde mogen geen al te strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (de schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten in de toekomstige, hypothetische situatie indien het ongeval niet had plaatsgevonden; het is immers de aansprakelijke die de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over de arbeidsinkomsten in de hypothetische situatie (vgl. HR 15 mei 1998, NJ 1998, 624).

Het hof oordeelt in casu verder als volgt.

4.9 Ten tijde van het ongeval was [geïntimeerde] 23 jaar en werkte hij sinds een jaar (april 1994) bij de onderneming Nijmeegse Motorenrevisie. [geïntimeerde] beschikte toentertijd niet over een (middelbaar) schooldiploma of een vakdiploma op het gebied van motorenrevisie. Zijn passie voor motorentechniek staat in dit geschil niet ter discussie. Zijn voormalig werkgever, [A.], heeft in twee brieven van 7 september 1999 en 7 juli 2000 (prod. 6 en 7 bij akte van 22 augustus 2002) over [geïntimeerde] vermeld dat hij [geïntimeerde] al enige jaren kende voordat hij in dienst kwam en hem leerde kennen als “een leergierige en verwoede motorfreak”, dat “zijn vakmanschap boven verwachting” was, dat hij “naar volle tevredenheid als Servicemonteur Motorenrevisie” werkte en dat hij “zich zeker in de toekomst binnen ons bedrijf tot Chef Werkplaats had kunnen ontplooien”. Verder wordt opgemerkt dat er voor [geïntimeerde] ook “ingroeimogelijkheden” binnen het bedrijf waren.

Over [geïntimeerde]s carrière- c.q. arbeidsperspectieven zijn, naar aanleiding van het tussenvonnis van de rechtbank van 5 maart 2003, twee deskundigenrapporten uitgebracht (zie rov. 3.8). Uit het zogeheten “koersonderzoek” van mevr. A. Hormes (Carréconsult), waarin de kernkwaliteiten en ontwikkelpunten van [geïntimeerde] onderzocht en beschreven zijn, blijkt onder meer dat hij over doorzettingsvermogen beschikt en daadkrachtig is (“hij wil vooral doen, want door te doen leert hij”), dat hij perfectionistisch is en verantwoordelijkheid wil dragen. Verder blijkt uit verschillende passages uit het rapport dat zijn lichamelijke beperkingen als gevolg van het ongeval en de afronding van de rechtszaak energie vergen en hem belemmeren om toekomstgericht te denken. Het arbeidsdeskundig rapport van J.A.M. Pigge (Heling & Partners) ziet vooral op onderzoek naar mogelijkheden tot reïntegratie en is in zoverre voor dit onderdeel van de vordering niet van belang. Overigens wordt ook in dit rapport (p. 6) de opmerking gemaakt dat de motivatie om te reïntegreren in het arbeidsproces vooral belemmerd wordt door de (onderhavige) letselschadezaak.

Gezien het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde], het ongeval weggedacht, in staat moet zijn geweest om zich uiteindelijk op te werken tot chef werkplaats (bij de Nijmeegse Motorenrevisie) per 1 januari 2002, dus bijna acht jaren na indiensttreding. Het gemis aan (vak)diploma’s ten tijde van het ongeval laat onverlet dat [geïntimeerde] gezien zijn getoonde capaciteiten, zijn (kern)kwaliteiten en passie voor motorentechniek, op dit terrein promotie had kunnen maken en naar aannemelijk is, zou hebben gemaakt. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat wat de werkgever van [geïntimeerde] in de genoemde brieven geschreven heeft over diens functioneren, niet juist zou zijn; de suggestie van de Noordhollandsche hieromtrent (MvG nr. 8) is niet onderbouwd en daarmee ongefundeerd. [geïntimeerde] kan voorts niet tegengeworpen worden dat hij niet al eerder (serieus) geprobeerd heeft om te reïntegreren, nu aangenomen mag worden dat de lange duur van de procedure en het feit dat partijen met name over de reïntegratie(on)mogelijkheden (wie neemt het initiatief en wie betaalt dat?) hevig van mening verschillen, daarvoor een belemmering is geweest. Het bewijsaanbod van de Noordhollandsche (MvG nr. 27) om [B.] van schaderegelingsbureau Van Dijk als getuige/deskundige te horen passeert het hof. Voor het hypothetische verloop zonder ongeval heeft de Noordhollandsche geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die zich voor bewijslevering lenen. Voor het overige acht het hof zich voldoende voorgelicht, zodat er ook geen behoefte is aan een deskundigenverhoor.

Het voorgaande leidt er toe dat grief 1 in het principaal appèl faalt en het vonnis van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigd kan worden.

Vergoeding aanpassing auto

4.10 De Noordhollandsche betwist met grief 2b én de hoogte van de (jaarlijkse) vergoeding voor aanpassing van de auto aan de handicap van [geïntimeerde] én de looptijd daarvan. De rechtbank heeft een bedrag van € 815,- per jaar toegekend tot aan de 75-jarige leeftijd van [geïntimeerde]; een en ander conform het (eerste) rapport van bureau Pals d.d. 3 december 2001. In een brief van 22 juni 2005 van bureau Pals (MvA/inc.appèl, prod. 2) wordt hierbij nog een toelichting gegeven. Dát er noodzaak is tot aanpassing van een auto aan de handicap van [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval, heeft de Noordhollandsche niet gemotiveerd betwist (zie de brief van 1 februari 2001 van het CBR; bijlage 8a stukken ter comparitie van 20 januari 2003): zijn rechterbeen is “stijfgezet” en daardoor heeft hij een iets grotere auto nodig voorzien van automatische transmissie en dienen de pedalen te worden aangepast. De kosten voor het aanpassen van een auto aan de handicap van [geïntimeerde] zijn neergelegd in een offerte van Bever d.d. 6 juni 2005 en bedragen (afgerond) € 632,-, waarmee [geïntimeerde] (c.q. bureau Pals) in zijn berekening overigens geen rekening heeft gehouden en ook niet bij vermeerdering van eis heeft gevorderd, zodat het hof deze aanpassing buiten beschouwing laat. Dan blijft over het gevorderde schadebedrag dat met name ziet op de aankoop van een grotere auto (in een duurdere prijsklasse) met automaat als gevolg van [geïntimeerde]s handicap in plaats van een kleinere auto zonder automaat indien [geïntimeerde] geen ongeval was overkomen. Uit de becijfering c.q. toelichting in bovengenoemde stukken leidt het hof af dat het prijsverschil in 2001 (ten tijde van het opmaken van het rapport van bureau Pals) tussen een grotere en een kleinere auto ƒ 7.500,- (= € 3.403,35) bedroeg. Als jaarlijkse vergoeding is gevorderd en toegewezen een bedrag van € 815,- hetgeen dus ongeveer neerkomt op vervanging van de auto één keer per vier jaar. Dit komt het hof niet onredelijk voor. De eindleeftijd van 75 jaar komt het hof evenmin onredelijk voor nu het niet ongebruikelijk is om tot die leeftijd nog auto te rijden, waaraan niet afdoet dat [geïntimeerde] gehandicapt is. Aan het niet nader gespecificeerde en onderbouwde bewijsaanbod (MvG nr. 28) van de Noordhollandsche na haar onvoldoende gemotiveerde betwisting, gaat het hof voorbij. Een en ander leidt derhalve tot de conclusie dat grief 2b in het principaal appèl faalt.

Vergoeding verlies zelfwerkzaamheid

4.11 Beide partijen komen met een grief op tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 30 juni 2004 (rov. 8) betreffende vergoeding voor verlies zelfwerkzaamheid; als vergoeding is toegekend een bedrag van € 650,- per jaar tot aan de 75-jarige leeftijd van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] (grief III) houdt vast aan het gevorderde bedrag van € 910,- per jaar en de Noordhollandsche (grief 3) meent dat het door de rechtbank toegewezen bedrag tot [geïntimeerde]s 60-jarige leeftijd moet worden toegekend.

[geïntimeerde] stelt dat hij door zijn handicap geen werkzaamheden meer kan verrichten aan zijn huis (zoals schilderwerk en andere klussen), tuin en auto. Omdat hij nog (met zijn gezin) bij zijn ouders inwoont, kan hij nog niet laten zien wat de genoemde werkzaamheden hem in de toekomst (concreet) zullen gaan kosten.

Het hof zal op de voet van art. 6:97 BW de schade wegens verlies zelfwerkzaamheid schatten. Uitgangspunt is dat op zichzelf niet betwist is door de Noordhollandsche dát er sprake is van verlies van zelfwerkzaamheid als gevolg van het ongeval. Het bedrag van € 910,- per jaar is door bureau Pals in haar rapport van 3 december 2001 begroot, doch niet van enige onderbouwing voorzien. De handicap van [geïntimeerde] sluit niet uit dat hij nog wel énige werkzaamheden zelf zal kunnen uitvoeren, zoals blijkt uit beperkingenprofiel van Stroosma in zijn rapport op p. 31, doch hij is daarin wel beperkt. Uitgaande van het door de rechtbank toegekende en door de Noordhollandsche in appèl niet aangevochten bedrag van € 650,- en uitgaande van een gemiddeld uurloon van € 30,- per uur voor een vakman zijn er jaarlijks gemiddeld 22 uren uit te besteden, hetgeen in ieder geval geen onredelijk urenaantal is voor het verlies van zelfwerk-zaamheid (in de huidige situatie waarin [geïntimeerde] nog steeds bij zijn ouders inwoont en nauwelijks kosten daarvoor behoeft te maken). Het hof begroot aldus de schade op voornoemd bedrag. Wat de eindleeftijd van 75 jaar betreft, oordeelt het hof dat dit wat aan de hoge kant is en dat de eindleeftijd van 70 jaar meer in overeenstemming is met de aard van zelfwerkzaamheid aan huis, tuin en auto.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief III ongegrond is en grief 3 deels slaagt.

Smartengeld

4.12 Met grief IV komt [geïntimeerde] op tegen de toekenning van € 45.000,- smartengeld door de rechtbank in het tussenvonnis van 30 juni 2004 (rov. 11). Hij meent dat in zijn geval € 60.000,- op zijn plaats is.

Het hof overweegt dat de hoogte van immateriële schadevergoeding of smartengeld (ex art. 6:106 lid 1 BW) naar billijkheid moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [geïntimeerde]. Bij de beoordeling van de hoogte van dit bedrag neemt het hof mede in aanmerking de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend – daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen – alsmede de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding (vgl. HR 17 november 2000, NJ 2001, 115).

[geïntimeerde] is op 23-jarige leeftijd een ongeval overkomen, waarvan de gevolgen blijvend zijn en waarbij sprake is van een functiestoornis van 40% als gevolg van het ongeval (rapport Stroosma p. 30). Hij is meer dan drie maanden in het ziekenhuis opgenomen geweest, heeft tien operaties ondergaan en heeft een langdurige revalidatieperiode gehad. [geïntimeerde] heeft een fors mankende gang, veroorzaakt door de arthrodese, de verstijving/vastzetting van het kniegewricht, en er is sprake van een beenlengteverschil van 2 cm en een zogenoemde spitsvoetstand (p. 28 rapport). Daarnaast ondervindt hij ook klachten van de arthrotische afwijkingen van de rechterenkel en de linkerknie (p. 29 rapport). Gezien de uitspraken in vergelijkbare gevallen (zoals Rb. Utrecht 23 april 1997 en Rb. Amsterdam 11 maart 1998, ANWB Smartengeldgids 2003, nrs. 108 en 109) oordeelt het hof dat de door de rechtbank toegekende smartengeldvergoeding van € 45.000,- hier op zijn plaats is. Grief IV faalt derhalve.

Kosten rapport bureau Pals van 18 februari 2005

4.13 Bij wijze van eisvermeerdering in hoger beroep heeft [geïntimeerde] de kosten ad € 1.024,- gevorderd die verbonden waren aan het opmaken van het bovengenoemde rapport van bureau Pals, welk rapport ziet op de toekomstige schade (vanaf 1 juli 2004) wegens verlies arbeidsvermogen. [geïntimeerde] heeft dit rapport laten opmaken na het eindvonnis van de rechtbank van 1 december 2004, teneinde tot een minnelijke regeling te komen voor genoemde toekomstige schade.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze kosten toegewezen worden nu deze vallen onder redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub 2 BW. Dat de toekomstige schade vanaf 1 juli 2004 nog niet is toegewezen, dan wel niet (geheel) toewijsbaar zou zijn, laat onverlet dat deze kosten wel gemaakt zijn in het kader van art. 6:96 lid 2 sub b BW. [geïntimeerde] heeft, na betwisting door de Noordhollandsche, eveneens een betalingsbewijs van voornoemd bedrag overgelegd (prod. 7 akte 6 september 2005). De vordering van [geïntimeerde] kan derhalve worden toegewezen.

Slotsom

4.14 Met voorgaande overwegingen en oordelen zijn de meeste geschilpunten tussen partijen in hoger beroep beslist. Blijft over het geschil over de toekomstige schade wegens verlies verdienvermogen (zie rov. 4.6 hiervoor). Zoals vermeld in rov. 4.5 is met de intrekking van de WAO-uitkering per 1 december 2005 wegens afname arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%, de stelling van [geïntimeerde] dat hij in de toekomst geen betaalde arbeid meer kan verrichten in een ander licht komen te staan. Het hof wil daarom een comparitie van partijen gelasten om in ieder geval inlichtingen van [geïntimeerde] te ontvangen over de stand van zaken inzake de intrekking van de WAO-uitkering (loopt er een beroepsprocedure?) en over zijn ideeën met betrekking tot de mogelijkheden van en begeleiding bij reïntegratie op de arbeidsmarkt. Het hof vraagt beide partijen om zich vooraf te beraden en met concrete gegevens te komen over de kosten van een reïntegratietraject, de (gemiddelde) duur daarvan en wie verantwoordelijk zou moeten zijn voor de opstart en het verdere verloop van zo’n reïntegratietraject.

Verder vraagt het hof aan partijen om zich te beraden over de hoogte van het verlies verdienvermogen vanáf 1 juli 2004 (einddatum rechtbank) tot 1 december 2005 (einddatum WAO). Voorshands ligt het in de rede dat het verlies verdienvermogen in ieder geval wordt vergoed tot 1 december 2005 en eventueel tot aan het einde van het reïntegratietraject.

Ten slotte vraagt het hof aan [geïntimeerde] om een aangepaste berekening te maken voor vergoeding zelfwerkzaamheid (zie rov. 4.11) nu het hof tot een andere eindleeftijd is gekomen.

Omdat het hof uitdrukkelijk de mogelijkheid wil benutten om ter comparitie tot een minnelijke regeling te komen, wordt partijen verzocht om zich voorafgaand aan de zitting met elkaar te verstaan over hun standpunten.

4.15 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

- bepaalt dat partijen ([geïntimeerde] in persoon / de Noordhollandsche vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mevr. mr. R.A. Dozy, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder rechtsoverweging 4.14 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

- bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden april, mei, juli en augustus 2006 zullen worden opgegeven op de rolzitting van 18 april 2006, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

- bepaalt dat indien partijen bescheiden zoals bedoeld in rov. 4.14 in het geding willen brengen, zij deze bescheiden tijdig vóór de zitting aan het hof en aan de wederpartij dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk één week vóór de zitting zullen zijn ontvangen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Dozy en Strens-Meulemeester en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 4 april 2006.