Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AW1630

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
21-002505-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft twee verdachten die met hun auto's de auto van een derde verdachte, met daarin diens vriendin, op zeer onvoorzichtige wijze, hebben opgejaagd, mede ten gevolg waarvan die derde verdachte bij een verkeersongeval betrokken is geraakt, waarbij diens vriendin als gevolg van dat verkeersongeval enkele dagen later is overleden, veroordeeld tot (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen en (deels) onvoorwaardelijke ontzeggingen van de rijbevoegdheid. De derde verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf, een werkstraf en een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Verdachten hebben door hun rijgedrag, te weten hun deelname aan een uiteindelijk levensgevaarlijk gebleken dollemansrit, in ernstige mate de verkeersveiligheid geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-002505-05

Uitspraak d.d.: 10 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van

4 mei 2005 in de strafzaak tegen

(verdachte),

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

wonende te (woonplaats), (adres).

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

27 maart 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 oktober 2004, in de gemeente Renswoude en in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede op de weg, de Renswoudseweg, zeer onvoorzichtig en onachtzaam, komende uit de richting Renswoude en gaande in de richting van De Klomp, met hoge snelheid, te weten met een snelheid van 100 kilometer per uur, heeft gereden en op het midden van die weg, waarbij hij, verdachte, geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg heeft gereden en niet, gelet op verdachtes rijrichting, voldoende rechts heeft gehouden en naar links en naar rechts heeft gestuurd en is uitgeweken voor een hem, verdachte op die weg tegemoetkomende motorrijtuig en in een slip is geraakt en in de, gezien zijn, verdachtes rijrichting rechts van die weg gelegen berm is terecht gekomen en tegen een of meer bomen is aangereden

en gebotst en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (het slachtoffer) werd gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden niet in zodanige mate heeft verhoogd dat dit overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van zijn rijgedrag. Daarbij verwijst de verdediging naar de door prof. dr. J.A. Rothengatter, hoogleraar verkeerspsychologie, opgestelde verklaring.

Het hof oordeelt anders. De door de deskundige gegeven verklaring gaat te zeer uit van het normale geval, zoals het inhalen op een snelweg. Daarbij wordt ten onrechte voorbij gegaan aan de bijzonderheden van deze zaak, waarbij verdachte -zeer onvoorzichtig- op de baan van het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, een tegenligger -zeer onoplettend- niet tijdig heeft opgemerkt hoewel dat gelet op de wegomstandigheden wel had gekund en vervolgens niet alleen een zijdelingse koerscorrectie heeft uitgevoerd, maar daarbij vol in de remmen is gegaan. Verdachte heeft dus wel degelijk een in de concrete omstandigheden zeer gevaarlijke manoeuvre uitgehaald, met een alleszins aanmerkelijke kans op een (ernstig) ongeval.

Daarnaast heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces en (psychische) overmacht.

Het hof begrijpt het beroep op (psychische) overmacht aldus, dat de verwijtbaarheid aan verdachtes rijgedrag zou ontbreken en het element (grove) schuld daarom niet bewezen zou kunnen worden.

Naar het oordeel van het hof voelde verdachte zich terecht opgejaagd door (mededader 1) en (mededader 2). Het hof neemt eveneens aan, dat dit voor verdachte een stressvolle situatie was. Het hof acht echter niet aannemelijk geworden dat er geen minder gevaarlijk gedragsalternatief was of dat verdachte in een dusdanige psychische toestand verkeerde, dat hij zich dat alternatief niet bewust kon zijn.

Een simpel en voor de hand liggend alternatief zou het op niet te grote afstand volgen van zijn voorligger (getuige 1) zijn geweest. De aanwezigheid van een of meer getuigen zou er allicht toe hebben geleid dat de achtervolgers hun door verdachte veronderstelde kwade bedoelingen niet zouden uitvoeren. Dat verdachte zich dit niet zou hebben kùnnen realiseren acht het hof door het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Onder meer de door prof. Rothengatter opgestelde verklaring geeft daartoe onvoldoende aanleiding. Ook op dit punt gaat de deskundige uit van algemene aannames en mogelijkheden, zonder aandacht voor de bijzonderheden van dit geval, meer in het bijzonder de persoon van verdachte, die door de deskundige niet is onderzocht.

Het -in hoger beroep niet nader toegelichte- beroep op noodweerexces kan het hof moeilijk plaatsen, nu verdachtes gevaarzettende rijgedrag zich niet richtte tegen zijn belagers, maar tegen onschuldige derden als zijn voorligger (getuige 1), zijn tegenligger (getuige 2) en zijn inzittende vriendin. Naar het oordeel van het hof komt het in deze zaak geen zelfstandige betekenis toe naast het beroep op overmacht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

ten aanzien van het onder primair bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van na te melden duur, passend en geboden is.

Het hof heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte door zijn agressieve "macho" gedrag tegenover (betrokkene 1) mede aanleiding heeft gegeven voor de uiteindelijk levensgevaarlijk gebleken dollemansrit. Anderzijds geldt dat de daarop gevolgde reactie van (mededader 1) en (mededader 2) volstrekt disproportioneel was. Ten slotte laat het hof zwaar meewegen dat verdachte ten gevolge van het ongeval, waarvan ook hijzelf slachtoffer was, zijn vriendin heeft verloren. Vooral dit laatste is voor het hof aanleiding om aan verdachte een werkstraf op te leggen met daarnaast geen onvoorwaardelijke maar voorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175(oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt, dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr A. van Waarden, voorzitter,

mr R. van den Heuvel en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M.J. Ouweneel, griffier,

en op 10 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.