Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV8595

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
03-02073
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting

Op een betaalde bijdrage in het kader van een saneringsregeling in de binnenvaart kan niet afzonderlijk worden afgeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/35.2.6
FutD 2006-0649
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nr. 03/02073

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 58.688 met inachtneming van een belastingvrije som van f 8.950. Aan heffingsrente is f 50 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 22 augustus 2003 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ontvangen ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 2 oktober 2003, ter griffe van dit Hof op 21 oktober 2003 en aangevuld per fax op 7 januari 2004 en per brief op 8 januari 2004, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 10 februari 2006 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2.4. De notities van de pleidooien die de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur bij de mondelinge behandeling hebben gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen- partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende is gehuwd. Samen met zijn echtgenote exploiteert hij in firmaverband onder de naam VOF A een binnenvaartonderneming. De winstverdeling is 50-50. In 1999 is het tot het ondernemingsvermogen behorende motorschip ‘A’ verlengd, waarbij de capaciteit van het schip is uitgebreid.

3.2. In verband met de uitbreiding van het motorschip heeft de firma een bijdrage moeten betalen in het kader van een saneringsregeling, de zogenoemde ‘oud-voor-nieuwregeling’ (hierna: de regeling). De regeling is gebaseerd op de sinds 1989 van kracht zijnde EG-verordening nr. 1101/89. Doelstelling van deze verordening is om de overcapaciteit in de binnenvaartvloten van Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland terug te dringen. Op grond van de regeling mag een eigenaar alleen een nieuw binnenvaartschip in de vaart brengen als hij een gelijkwaardig tonnage laat slopen. In dat geval heeft die eigenaar geen recht op een sloopuitkering, maar hoeft hij ook geen bijdrage te betalen in het kader van de oud-voor-nieuwregeling (hierna: de bijdrage), waarvan de hoogte is gerelateerd aan de vastgestelde sloopuitkering. In het geval dat de eigenaar van een binnenvaartschip de capaciteit van een bestaand schip uitbreidt en geen bestaande tonnage laat slopen, moet hij ter zake van deze uitbreiding de eenmalige bijdrage betalen.

3.3. De looptijd van de sinds 1989 bestaande oud-voor-nieuwregeling was 10 jaar. Ingevolge EG-verordening nr. 718/1999 is de regeling voor een periode van maximaal vier jaar verlengd. De regeling is daardoor eerst per 29 april 2003 vervallen. In de periode 1999 tot 2003 is de hoogte van de bijdrage geleidelijk afgebouwd.

3.4. De hoogte van de door de firma in verband met de uitbreiding van het schip te betalen eenmalige bijdrage oud-voor-nieuw is door het Directoraat-Generaal Goederenvervoer in 1999 vastgesteld op een bedrag van f 29.852. De bijdrage is in 1999 door de firma betaald.

3.5. In de jaarrekeningen van de firma over 1999 en volgende jaren maakt deze bijdrage deel uit van de actiefpost ‘vaartuigen’ onder de post materiële vaste activa. De firma hanteert ter zake van deze bijdrage een afschrijvingspercentage van jaarlijks 20 percent. Bij het vaststellen van de aanslag over het jaar 1999 heeft de inspecteur het afschrijvingspercentage gewijzigd in 6,67 percent. Ondanks deze wijziging bleven de belastbare inkomens van de firmanten over dat jaar negatief.

3.6. Bij het vaststellen van de aanslag over het onderhavige jaar, het jaar 2000, heeft de Inspecteur het afschrijvingspercentage van de bijdrage wederom gesteld op 6,67 percent.

De bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde aanslag is als volgt berekend:

belastbaar inkomen aangifte f 56.678

bij: correctie afschrijving bijdrage oud-voor-nieuw,

per vennoot - 1.990

minder giften - 20

belastbaar inkomen aanslag f 58.688.

3.7. Tegelijk met het onderhavige beroep zijn ter behandeling ter zitting van het Hof van 10 februari 2006 onderstaande zaken opgeroepen:

nummer belanghebbende middel

03/02074 X WAZ 2000

03/02075 X-Y IB / PV 2000

03/02076 X-Y WAZ 2000

Al deze beroepen zijn ingediend door dezelfde gemachtigde als in deze zaak.

Ter zitting hebben partijen beide verklaard dat de beslissing in de onderhavige zaak in gelijke zin heeft te gelden voor de drie hiervoor vermelde zaken. Nadat de Inspecteur heeft toegezegd na beslissing in de onderhavige zaak in hoogste instantie aldus te zullen handelen, heeft de gemachtigde ter zitting uitdrukkelijk verklaard die drie beroepen bij deze in te trekken.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of belanghebbende volledig en tijdsevenredig op de bijdrage mag afschrijven tot 29 april 2003, het moment waarop de oud-voor-nieuwregeling buiten werking is gesteld.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectieve standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd is opgenomen in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4.3. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een belastbaar inkomen overeenkomstig de aangifte van f 56.678.

4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Afschrijving ten laste van de winst is mogelijk op een bedrijfsmiddel dat voor het drijven van de onderneming wordt gebruikt.

5.2. De door de firmanten in 1999 betaalde bijdrage betreft een eenmalig verschuldigd bedrag op grond van de zogenoemde oud-voor-nieuwregeling ter gelegenheid van de uitbreiding van de capaciteit van het schip. De betaling van de bijdrage leidt niet tot een zelfstandig vermogensrecht, een vergunning of enig overdraagbaar recht.

5.3. Onder deze omstandigheden is de bijdrage aan te merken als een eenmalige uitgave die deel uitmaakt van de kostprijs van de uitbreiding van het schip. Van een zelfstandig bedrijfsmiddel of van een bedrijfsmiddel dat weliswaar deel uitmaakt van een ander bedrijfsmiddel maar niettemin voldoende zelfstandigheid bezit, is te dezen geen sprake.

5.4. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat ten tijde van de oud-voor-nieuwregeling de praktijk liet zien dat oude schepen werden opgekocht en gesloopt om een tonnagevergunning te krijgen. Er was dan, aldus belanghebbende, geen sprake van een investering in de nieuwbouw van een schip maar van een investering in een afzonderlijke tonnagevergunning waarop kon worden afgeschreven.

5.5. Ook al zou belanghebbende gevolgd kunnen worden in zijn in 5.4 weergegeven stelling, dan kan dat in deze zaak geen gevolg hebben omdat die situatie zich in deze zaak niet voordoet.

5.6. Het gelijk in deze zaak is aan de Inspecteur. Niet in geschil is dat voor dat geval het door de Inspecteur gehanteerde afschrijvingspercentage van 6,67 kan worden gevolgd en de aanslag tot het juiste bedrag is berekend.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 16 maart 2006 door mr Röben, voorzitter, mrs , N.E. Haas en Van Amsterdam, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs Woeltjes, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(V.F.R. Woeltjes) (J.B.H. Röben)

Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend per post verzonden op 16 maart 2006

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.