Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV7648

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
2002/089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onder 2.4 en 2.5 vermelde gegevens met elkaar in verband brengend en acht slaande op de - met grote voorzichtigheid te hanteren - snelheidsschattingen in de verklaringen die de getuigen van het ongeval bij de politie en de rechtbank hebben afgelegd (deze schattingen variëren van 50 - 60 km per uur ([C.] bij de politie) tot een vermoedelijke 80 km per uur ([D.] bij de politie), terwijl [appellant] het bij de rechtbank als getuige houdt op minder dan 50 km per uur bij de tweede stopstreep en naderend naar 70 km per uur daarna) komt het hof tot het oordeel dat genoegzaam bewezen moet worden geoordeeld dat [appellant], die heeft verklaard altijd enigszins harder te rijden dan de toegelaten maximumsnelheid, zoal niet bij die tweede stopstreep, in ieder geval in het traject vanaf daar tot de plaats van aanrijding met zijn motorfiets een snelheid van tenminste 70 kilometer per uur heeft bereikt. Dat die snelheid aanzienlijk hoger is geweest kan, in het licht van de tot behoedzaamheid nopende betrekkelijke vaagheid of geringe betrouwbaarheid van de weergegeven gegevens, echter niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 maart 2006

derde civiele kamer

rolnummer 2002/89

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

A r r e s t

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

principaal appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen

de naamloze vennootschap

London Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

principaal geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 15 juni 2004 verwijst het hof naar dat tussenarrest.

De bij dat arrest benoemde deskundige heeft bij brief van 31 augustus 2005 zijn schriftelijke bericht, van diezelfde datum, ter griffie van dit hof ingeleverd.

Vervolgens hebben eerst [appellant] en daarna London een memorie na deskundigenbericht genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken van het geding wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

2.1 Bij zijn memorie na deskundigenbericht heeft [appellant] betoogd dat bij de beoordeling van zijn rijgedrag ervan uitgegaan moet worden dat ten tijde van het ongeval op het Nijmeegseplein voor het door hem bestuurde motorvoertuig een maximumsnelheid gold niet van 50 kilometer doch van 70 kilometer per uur. Eerder stelde hij dit slechts met betrekking tot de Batavierenweg. De door [appellant] overgelegde brief van de Gemeente Arnhem van 1 maart 2004 spreekt ook slechts over de maximumsnelheid op de Batavierenweg, niet op het Nijmeegseplein, en toont dus het gelijk van [appellant] met betrekking tot de op het Nijmeegseplein geldende maximumsnelheid niet aan. Het gelijk van London is voorshands bewezen met de desbetreffende vermelding op blad 1 van het proces-verbaal van de politie, overgelegd als productie 1 bij conclusie van eis. Verder tegenbewijs op dit punt heeft [appellant] niet specifiek aangeboden. Reeds daarop stuit de nieuwe stelling van [appellant] af.

De omstandigheid dat [appellant] aanvankelijk is afgegaan op het in het proces-verbaal van de politie vermelde gegeven omtrent de maximumsnelheid en eerst in maart 2004 tot de ontdekking is gekomen dat dat gegeven onjuist was, maakt niet dat hier sprake is van een novum. [appellant] legt niet uit waarom hij - hoewel het Nijmeegseplein openbaar toegankelijk is en hij in Arnhem woont - dat voor hem ook reeds in zijn strafzaak eind 2002 belangrijke gegeven niet eerder heeft kunnen ontdekken. Het hof blijft dan ook bij zijn beslissing in rov. 2.2 van het tussenarrest van 15 juni 2004 dat [appellant] de volgens hem in werkelijkheid geldende maximumsnelheid niet meer na de memorie van grieven aan de orde kon stellen evenals de voor die eindbeslissing gegeven motivering. Tegenover het door [appellant] ingeroepen belang dat zijn zaak berecht wordt op basis van de (volgens hem) werkelijke feiten staat het processuele belang dat - behoudens (zeldzame) uitzondering - niet teruggekomen kan worden op een rechterlijke beslissing die niet op de daarvoor voorgeschreven wijze is aangevallen. Dat London nog de mogelijkheid had op deze nieuwe stelling te reageren maakt dit niet anders.

Door [appellant] zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het onaanvaardbaar maken dat het hof aan deze eindbeslissing gebonden is.

Van een door dwaling erkende stelling van de wederpartij is hier ook geen sprake nu [appellant] reeds bij zijn eerste processtuk in eerste aanleg zelf deze maximumsnelheid heeft gesteld en London zich daarbij bij conclusie na enquête in eerste aanleg heeft aangesloten en, mocht dit anders zijn, dan heeft hij het door de wederpartij met het politie-procesverbaal geleverde bewijs van de stelling van die wederpartij met de brief van de Gemeente Arnhem van 1 maart 2004 onvoldoende ontkracht.

Bij memorie na deskundigenbericht komt [appellant] voor het eerst op tegen de beslissing van de rechtbank dat hij onnodig teveel links heeft gereden. Nu hij tegen die beslissing bij zijn memorie van grieven geen grief heeft gericht, is hij ook aan dat oordeel gebonden.

2.2 Bij voormeld vonnis is een deskundigenonderzoek gelast naar de daarbij vermelde vragen, die - kort gezegd - de snelheid betroffen waarmee de door [appellant] bestuurde motorfiets, kort voor het ongeval van 1 mei 1997 op het Nijmeegseplein te Arnhem, de stopstreep van het verkerslicht 71 aldaar is gepasseerd, althans de snelheid waarmee deze motorfiets bij de aanrijding met een bromfiets aldaar heeft gereden.

2.3 In het bestreden vonnis (rov. 19) is bewezen geoordeeld dat [appellant] bij het passeren van de stopstreep behorend bij het verkeerslicht met nr. 71 met een snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur heeft gereden. Hoewel de rechtbank zich bij die beslissing ook heeft gebaseerd op de - op zich niet door [appellant] bestreden - vaststelling dat [appellant], toen verkeerslicht 11 groen werd, met een veel hogere acceleratie dan het overige verkeer is weggereden en dat [appellant] krachtens zijn eigen verklaring gewoon is als motorrijder te rijden met een snelheid 55 tot 60 kilometer per uur waar een snelheid van 50 kilometer per uur maximaal is toegestaan, berust die beslissing in hoofdzaak op de berekening van de politieambtenaren [A.] en [B.] die uit de afstand van 71 meter tussen de stopstrepen bij verkeerslicht 11 en verkeerslicht 71 en de tijd tussen het groen worden van die lichten, nl. zes seconden, hebben afgeleid dat [appellant] bij die tweede stopstreep ongeveer 85 kilometer per uur moet hebben gereden.

2.4 Die berekening gaat ervan uit dat [appellant] op het moment van het groen worden van verkeerslicht 11 zonder enig tijdverlies uit stilstand wegrijdt en met een eenparige versnelling de stopstreep bij het verkeerslicht 71 bereikt. De deskundige Bosscha heeft erop gewezen dat bij die benadering geen rekening is gehouden met het feit dat de motorrijder eerst nog moet reageren op de overgang (rood naar groen) van het eerste licht en evenmin met de omstandigheid dat de [appellant] vóórdat hij (de stopstreep) van het tweede licht passeerde dit licht reeds zou hebben zien overgaan van rood naar groen. Voor het eerste geeft hij een reactietijd van één seconde aan.

London heeft die opmerking, wat betreft het wegrijden uit stilstand, niet bestreden, doch aanvaarding van die opmerking als juist betekent dat [appellant] slechts vijf seconden ter beschikking stond om de tweede stopstreep te bereiken, als hij - zoals door het hof aangenomen - die passeerde toen het licht 71 op groen sprong. Voor zoveel het passeren van de tweede stopstreep betreft, zou deze opmerking met zich brengen dat [appellant] het verkeerslicht 71 op groen heeft zien overgaan toen hij zich nog op enige, zij het korte afstand vóór de daarbij behorende stopstreep bevond. Dat impliceert dat de overschrijding van de stopstreep en daarmee het afleggen van in totaal 71 meter eerst na de periode van 6 seconden zou hebben plaatsgevonden. London stelt echter dat [appellant] in het “startschot” van het tweede stoplicht wilde vallen en dus maximaal heeft geaccelereerd zonder op enig moment gas terug te nemen.

Het hof merkt hierop dat de deskundige in rov. 4.12 van het tussenarrest van 6 januari 2004 meer heeft gelezen dan er staat. Die overweging laat immers de mogelijkheid open dat [appellant], mede gezien zijn ervaring met de tussentijd tussen het groen worden van verkeerslicht 11 en verkeerslicht 71, aldus heeft gereden dat hij die tweede stopstreep (vrijwel) op het moment van de overgang op groen van verkeerslicht 71 passeerde. In het licht van de eigen verklaring van [appellant] dat hij hierop anticipeerde, acht het hof dit zelfs het meest waarschijnlijk. Het tijdverlies bij het starten leidt dus tot een kortere tijdsspanne voor het afleggen van het traject van 71 meter tussen de beide stopstrepen.

Uit het rapport van de deskundige Bosscha blijkt voorts dat de door [appellant] bereden motor, gelet op het maximale vermogen daarvan, een eenparige versnelling in die zes (of zelfs vijf) seconden tot een snelheid van 85 kilometer per uur bij die tweede stopstreep toelaat. Bij maximale acceleratie zou immers slechts 4,4 seconden nodig zijn om bij de tweede stopstreep een snelheid van 100 kilometer per uur te halen.

De deskundige Bosscha heeft, mede aan de hand van de verklaring van [appellant], de mogelijkheid onder ogen gezien dat [appellant] gas heeft teruggenomen alvorens de tweede stopstreep te bereiken. Hij acht een scenario mogelijk waarin [appellant] met (gemiddeld) 56 tot 68% van het maximale vermogen uit stilstand is weggereden, dan op ongeveer 20 meter voor de tweede stopstreep zijn snelheid inhoudt in afwachting van de overgang van het verkeerslicht 71 naar groen, waarbij alsdan zijn snelheid bij het passeren van die stopstreep ongeveer 61 tot 75 kilometer per uur kan zijn geweest. Over het resterende traject tot de botsplaats zou hij dan een snelheid hebben bereikt, althans kunnen bereiken, van 80 kilometer per uur. De keuze van die versnelling kan hij echter niet nader onderbouwen. Het hof merkt op dat dit scenario door de beschikbare getuigenverklaringen bevestigd noch ontzenuwd wordt.

Aan de hand van het schadebeeld van de motorfiets en, voor zover van foto’s zichtbaar, de bromfiets en de respectieve massa’s van de voertuigen heeft de deskundige berekend dat de motorfiets met een snelheid tussen de 58 en 87 kilometer per uur tegen de flank van de bromfiets is gebotst. Op grond van het remspoor van de motorfiets heeft de deskundige berekend dat de naderingssnelheid van de motorfiets, kennelijk vóór het inzetten van het remmen, 68 tot 102 kilometer per uur is geweest.

2.5 [appellant] heeft ook nog een beroep gedaan op de inhoud van het briefrapport van SRB Rasenberg van 2 mei 2002 (productie 1 bij memorie van grieven). Afgaande op de verklaring van [appellant] dat hij gas heeft teruggenomen voor het passeren van de tweede stopstreep, wordt daarin gesteld dat de snelheid eerst tot 70 km per uur is opgelopen, vervolgens teruggelopen tot 60 kilometer per uur en weer verder opgelopen bij dooraccelereren, doch niet tot 85 km per uur. Dat [appellant] in snelheid is teruggevallen vindt echter geen steun in de getuigenverklaringen, ook niet die van hemzelf bij de rechtbank. Het verwerpt daarom deze stelling van [appellant].

2.6 De onder 2.4 en 2.5 vermelde gegevens met elkaar in verband brengend en acht slaande op de - met grote voorzichtigheid te hanteren - snelheidsschattingen in de verklaringen die de getuigen van het ongeval bij de politie en de rechtbank hebben afgelegd (deze schattingen variëren van 50 - 60 km per uur ([C.] bij de politie) tot een vermoedelijke 80 km per uur ([D.] bij de politie), terwijl [appellant] het bij de rechtbank als getuige houdt op minder dan 50 km per uur bij de tweede stopstreep en naderend naar 70 km per uur daarna) komt het hof tot het oordeel dat genoegzaam bewezen moet worden geoordeeld dat [appellant], die heeft verklaard altijd enigszins harder te rijden dan de toegelaten maximumsnelheid, zoal niet bij die tweede stopstreep, in ieder geval in het traject vanaf daar tot de plaats van aanrijding met zijn motorfiets een snelheid van tenminste 70 kilometer per uur heeft bereikt. Dat die snelheid aanzienlijk hoger is geweest kan, in het licht van de tot behoedzaamheid nopende betrekkelijke vaagheid of geringe betrouwbaarheid van de weergegeven gegevens, echter niet worden vastgesteld. Het hof wijst er hierbij op dat de bewijslast van de snelheidsovertreding van [appellant], welk gesteld feit moet leiden tot vermindering van de vergoedingsplicht van London, op deze laatste rust.

Zowel London als [appellant] heeft bewijs van hun stellingen aangeboden, in het bijzonder door een deskundigenrapport. Nu het hof een deskundigenbericht heeft doen uitbrengen, in eerste aanleg reeds een reeks getuigen is gehoord en noch London noch [appellant] door een concrete opgave van getuigen heeft aangeboden hun stellingen omtrent de toedracht van het ongeval nader te bewijzen, hetgeen in dit stadium - ook bij tegenbewijs - gevergd kan worden, zal het hof ervan uitgaan dat de zaak ook volgens partijen voldoende is geïnstrueerd.

2.7 De voormelde beslissing omtrent de snelheid van [appellant] betekent dat grief I gegrond is en dat bij de beoordeling van de bijdrage van [appellant] aan het ongeval van laatstvermelde snelheid zal moeten worden uitgegaan, al blijft daarbij rechtens een feit dat [appellant] de maximumsnelheid fors heeft overtreden.

Het betoog van London dat [appellant] bij de nadering van het tweede, toen naar hem rood uitstralende verkeerslicht, had moeten remmen en zijn motorfiets tot stilstand had moeten brengen miskent dat zulk rijgedrag niet gevergd kan worden, indien vaststaat dat het tweede stoplicht korte tijd na het eerste stoplicht op groen overgaat, mede omdat dit gevaarscheppend zou zijn ten opzichte van het van achteren komend gemotoriseerd verkeer.

2.8 Met grief 2 in het principaal appèl betoogt [appellant] allereerst dat deze snelheidsovertreding niet causaal geoordeeld kan worden voor het ontstaan van het ongeval. [appellant] verliest daarbij uit het oog dat snelheidsbepalingen in het wegverkeer, in het bijzonder in de bebouwde kom, de strekking hebben het gevaar van verkeersongevallen met daaraan verbonden schade te beperken. Ingevolge de zogenaamde omkeringsregel brengt dat met zich dat causaal verband in de zin van “conditio sine qua non”-verband tussen de snelheidsovertreding en de direct daarop gevolgde aanrijding moet worden aangenomen, tenzij [appellant] stelt en bewijst dat zulk verband ontbreekt. Hij heeft niet aangeboden het ontbreken van dat verband te bewijzen.

Hetzelfde geldt voor de overtredingen van artikel 3 lid 1 RVV en artikel 19 RVV.

2.9 Blijkens de toelichting op die grief bestrijdt [appellant] voorts dat hij de regel van art. 19 RVV heeft overtreden aangezien de rijbaan voor hem vrij was toen hij de kruising met het fietspad, waar het ongeval plaatsvond, naderde. De rechtbank heeft onbestreden vastgesteld dat [appellant] de overstekende bromfiets veel eerder had kunnen zien dan hij deze, volgens zijn verklaring, heeft gezien. De rechtbank heeft dat gemotiveerd met vier getuigenverklaringen die daartoe in rov. 20 van het bestreden vonnis zijn geciteerd. Het hof neemt die motivering van de rechtbank over. De stelling dat de rijbaan voor hem vrij was, waarmee [appellant] kennelijk bedoelt vrij van verkeer dat die rijbaan gebruikte, doet dan ook niet af aan die beslissing van de rechtbank.

2.10 Grief 2 faalt derhalve.

2.11 Met grief 3 in het principaal appèl komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank dat de fouten van [appellant] en van [E.] in gelijke mate aan het ontstaan van de aanrijding hebben bijgedragen.

In het licht van het slagen van grief I kan die beslissing geen stand houden. De belangrijkste oorzaak van het ongeval ligt - naar het oordeel van het hof - in het rijgedrag van [E.] die, naar moet worden aangenomen, zowel de haaientanden als het voor hem geldende rode verkeerslicht heeft genegeerd en bij rood licht de rijbaan die naar de Pleijweg voert is gaan oversteken. Niettemin kan van de verkeersfouten van [appellant] niet gezegd worden dat deze daarbij geheel in het niet vallen, te meer waar ieder van hen op zulke fouten van anderen bedacht moest zijn. [appellant] heeft wezenlijk bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval door accelerend naar en vervolgens met een aanzienlijk te hoge snelheid en, vermoedelijk mede daardoor veroorzaakte, onvoldoende aandacht voor overige weggebruikers op het kruispunt af te rijden waar het ongeval heeft plaatsgehad. Uit de mogelijk korte stilstand van de bromfiets vóór het oversteken mocht [appellant] niet afleiden dat de bromfiets niet zou gaan oversteken, zeker nu de bestuurder zichtbaar slechts lette op het van Nijmegen komend verkeer. Het hof oordeelt dat de fouten van [appellant], gelet op de mate waarin zij ieder tot het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen, moeten leiden tot een vermindering van de schadeplichtigheid van London met 20%. Voor het toepassen van een billijkheidscorrectie in verband met het door [appellant] opgelopen letsel bestaat geen grond, nu [appellant] noch de aard en ernst noch de gevolgen van dit letsel voldoende heeft gesteld.

2.12 Bij haar grief 4 in het incidenteel appèl, die ook de toepassing van artikel 6:101 lid 1 BW op het onderhavige geval betreft, voert London nog aan dat meegewogen moet worden dat [appellant] als motorrijder grotere letselschade op de koop toeneemt. De enkele, van algemene bekendheid zijnde omstandigheid dat motorrijders in verhouding tot automobilisten bij aanrijdingen eerder en ernstiger letselschade oplopen, is evenwel onvoldoende om de vergoedingsplicht van London jegens [appellant] te verminderen.

2.13 Grief 2 in het incidenteel appèl kan London niet baten. Omdat het uiteindelijk gaat om de snelheid waarmee [appellant] op de kruising van zijn rijbaan en het fietspad aan de oostzijde van het Nijmeegseplein is toegereden, is niet van belang of [appellant] vóór het passeren van de stopstreep bij verkeerslicht 71 in het geheel geen dan wel enig gas heeft teruggenomen.

3 Slotsom

De slotsom is dat de grieven 1 en 3 in het principaal appèl slagen en dat de vordering van London jegens [appellant] slechts in zoverre toewijsbaar is dat zij niet verder aansprakelijk is dan voor tachtig procent van de voor [appellant] uit het ongeval voortgekomen schade en dat de vordering van [appellant] tegen London in zoverre dient te worden toegewezen dat London gehouden is hem tachtig procent van zijn schade uit het ongeval te vergoeden. In zoverre kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. Het incidenteel appèl moet verworpen worden. London zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het principaal hoger beroep alsook van het incidenteel hoger beroep. Voor zover [appellant] ook veroordeling van London in de kosten van de eerste aanleg vordert, heeft hij daarbij geen belang, aangezien de rechtbank London reeds in die kosten heeft verwezen.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 18 oktober 2001, voor zover tussen partijen gewezen, zulks behoudens de ten gunste van [appellant] uitgesproken kostenveroordeling, en in zoverre

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat London Verzekeringen met betrekking tot de aanrijding van 1 mei 1997 in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van het door [E.] bestuurde motorrijtuig ten aanzien van [appellant] niet verder aane en te lijden schade;

wijst af hetgeen meer of anders door London Verzekeringen is gevorderd;

verklaart voor recht dat [E.] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en dat het ongeval voor tachtig procent te wijten is aan de fout van [E.];

veroordeelt London Verzekeringen om aan [appellant] tachtig procent van de door hem als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata der schadeposten, en verklaart dit onderdeel van de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het voornoemde vonnis voor het overige;

veroordeelt London Verzekeringen in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 1.807,56 voor verschotten en € 1.788,- voor salaris van de procureur;

veroordeelt London Verzekeringen in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 447,-;

veroordeelt London tot vergoeding aan de griffier van dit hof van het bedrag ad € 992,05, dat de griffier ter zake van het deskundigenbericht aan de deskundige heeft voldaan en wel door overmaking van dit bedrag op de in het tussenarrest van 15 juni 2004 onder 6 genoemde bankrekening onder vermelding als daar voorgeschreven.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Rijken en Van Loo en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2006.