Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV6661

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
1031/2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie kind, draagkracht man die een nieuwe buitenlandse partner heeft, belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/64
JIN 2006/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 maart 2006

Familiekamer

Rekestnummer 1031/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de man”,

procureur mr G.H.J. Spee,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr J.F. Schouwenaar.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 18 juli 2005, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 125285/ FA RK 05-10775.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 17 oktober 2005, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende alsnog te beslissen dat zijn verzoek tot vermindering van de kinderalimentatie wordt toegewezen in die zin dat hij met ingang van 1 april 2005 niet langer gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen, althans gehouden is een zodanig bedrag te voldoen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 november 2005, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2006 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, beiden bijgestaan door hun procureur.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van de advocaat van de man van 14 februari 2006 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 30 mei 1996 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 22 januari 2004 heeft de rechtbank te Arnhem echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 4 februari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [zoon], op [geboortedatum] 1996, en

- [dochter], op [geboortedatum] 1999,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank conform het op 9 januari 2004 tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 150,- per kind per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2005 ingevolge de wettelijke indexering € 151,65 per kind per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Arnhem op 30 maart 2005, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 22 januari 2004 in die zin te wijzigen dat hij met ingang van 1 april 2005 niet langer meer gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen, althans gehouden is een zodanige bijdrage te voldoen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.5 De man woont per 1 augustus 2004 samen met [partner] (verder te noemen "[partner]"), geboren op 4 maart 1984, die geen eigen inkomsten heeft. [partner] heeft de Poolse nationaliteit en heeft een middelbare schoolopleiding (vergelijkbaar met vijfjarig VWO) afgerond. [partner] volgt een inburgeringscursus die zij naar verwachting in maart 2006 zal hebben afgerond.

De man ontvangt een WAO-uitkering van € 1.990,34 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt hij een pensioenuitkering van € 188,32 bruto per maand. De man was tot 1 januari 2006 tegen ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet. [partner] heeft recht op de algemene heffingskorting.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 467,34 aan huur;

- € 110,- aan kosten omgangsregeling;

- € 9,17 aan premie begrafenisverzekering.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw vormt met de kinde-ren van partij-en een gezin.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is niet in debat dat, nu de man is gaan samenwonen met een partner, er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van het eerste lid van artikel 1:401 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.2 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, maar stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. De vrouw betwist dat.

4.3 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.4 De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat [partner] geen verdiencapaciteit heeft en dat hij geen maatregelen heeft genomen om er voor te zorgen dat [partner] in Nederland in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Hij is er steeds vanuit gegaan dat [partner] in Nederland zou kunnen gaan werken om (in ieder geval gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Hij heeft gezocht naar mogelijkheden om haar in Nederland te laten werken maar de Nederlandse wetgeving maakt dit onmogelijk. Van een plotselinge samenwoning is geen sprake geweest. Hij heeft de komst van [partner] juist wel goed voorbereid. Voor de beoordeling van de verdiencapaciteit van [partner] moet worden gekeken naar het moment waarop haar volgens de Nederlandse wetgeving wordt toegestaan in Nederland te gaan werken. Voorafgaand daaraan is zij niet in staat, althans is het haar wettelijk niet toegestaan in eigen levensonderhoud te voorzien. Gedurende die periode moet het ontbreken van verdiencapaciteit aan de zijde van [partner] dan ook worden beschouwd als een factor die de draagkracht van de man vermindert.

De vrouw stelt dat de man zich slechts heeft laten leiden door verliefdheid en geen oog heeft gehad voor de belangen van de kinderen. Het gaan samenwonen van de man met een niet verdienende partner mag niet ten koste gaan van zijn onderhoudsplicht ten opzichte van de kinderen van partijen.

4.5 Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat de man zijn leven is gaan delen met een nieuwe partner en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, welke gezinssituatie tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van de kinderen verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn en zo de belangen van de kinderen bij die van de nieuwe partner achter te stellen. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel anders meebrengen, waarbij onder meer van belang zal zijn:

- de mate waarin de voor de kinderen verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten;

- de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin;

- de mogelijkheden van de vader en zijn partner om zich door werkzaamheden als van hen kan worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven.

Daarbij moet ook meewegen welke keus redelijk is, waarbij andere dan financiële factoren een rol kunnen spelen.

Anders dan de man is het hof van oordeel dat een belangenafweging hier wel op zijn plaats is. In dat verband overweegt het hof het volgende. [partner], 22 jaar oud, heeft in Polen een middelbare schoolopleiding afgerond (vergelijkbaar met vijfjarig VWO), is voor verblijf bij de man naar Nederland gekomen, volgt thans een inburgeringscursus, heeft geen kinderen te verzorgen en er zijn ten aanzien van haar geen medische beperkingen bekend. Gelet daarop zou zij in staat moeten worden geacht zodanige inkomsten uit arbeid te verwerven dat zij in belangrijke mate in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Voldoende aannemelijk is echter geworden dat het [partner] op dit moment volgens de Nederlandse wetgeving niet wordt toegestaan in Nederland betaalde arbeid te verrichten. Het hof is echter van oordeel dat zulks niet mag betekenen dat het belang van [partner] volledig voorrang dient te krijgen boven het belang van de kinderen, zoals de man heeft betoogd. De man had zich moeten realiseren dat, toen hij met [partner] ging samenwonen, op grond van de toepasselijke wetgeving het risico bestond dat zij mogelijk geen of weinig inkomsten zou kunnen verwerven en/of dat zij geen of een lage verdiencapaciteit zou hebben. Nu de behoefte van [partner], gelet op de relatief korte periode dat zij pas in Nederland verblijft en gelet op haar nog jonge leeftijd, nog niet is gevormd door gewenning aan de welstand waarin de man naar Nederlandse maatstaven leeft ziet het hof in dit geval aanleiding 90 % van de bijstandsnorm voor een gezin te hanteren en de volledige draagkrachtruimte toe te kennen aan de kinderen.

4.6 Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander acht het hof de man met ingang van 1 april 2005 in staat na te melden bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 18 juli 2005 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 22 januari 2004 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2005 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 120,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Katz-Soeterboek, Van Ginkel en Van den Dungen en is op 14 maart 2006 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.