Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV6424

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
2005/1147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overigens is het hof van oordeel, dat ook indien de omstandigheid dat [appellant] niet tijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend niet aan hem zou moeten worden toegerekend, zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet zou slagen, nu aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een gedeelte zijn schuldenlast niet te goeder trouw is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2006

eerste civiele kamer

rekestnummer 2005/1147

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.C. Plochg.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 15 juni 2005 is appellant (hierna te noemen: [appellant]) op verzoek van Luka Beveiliging en Bewaking B.V. in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.M. Lorist en tot curator mr. H.M. Gotink.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 15 november 2005 is het verzoek van [appellant] tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 22 november 2005 per fax en op 23 november 2005 per gewone post ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het bij vonnis van 15 juni 2005 uitgesproken faillissement op te heffen onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van een brief met bijlagen van 2 december 2005 van de curator en twee brieven, beide met bijlagen, van 17 januari 2006 en 18 januari 2006 van mr. A.V.L.L. van Meurs, advocaat van [appellant].

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2006, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Meurs voornoemd, advocaat te Almelo. Mr. Van Meurs heeft daarbij pleitnotities overgelegd. De curator is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 Gelet op het bepaalde in artikel 15b Faillissementswet kan op verzoek van gefailleerde diens faillissement worden opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet tijdig om toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht.

3.3 Bij brief van 23 mei 2005 heeft de griffier van de rechtbank te Almelo naar aanleiding van een verzoek tot zijn faillietverklaring [appellant], die tot op dat moment geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had ingediend, in de gelegenheid gesteld binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief een schriftelijk verzoek daartoe in te dienen en daarbij aangegeven dat [appellant] bij vragen naar aanleiding van deze brief de faillissementsgriffie kan bellen. Bij brief van 9 juni 2005 heeft de griffier van de rechtbank te Almelo [appellant] opgeroepen voor de zitting van 15 juni 2005 naar aanleiding van het verzoek van Luka Beveiliging en Bewaking B.V strekkende tot zijn faillietverklaring. Bij deze brief heeft de griffier aangegeven dat [appellant] nog geen schriftelijk verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend, ook niet naar aanleiding van de brief van 23 mei 2005, en dat hij dit uiterlijk op de zitting van 15 juni 2005 alsnog kan doen. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt dat [appellant] is verschenen en ook ter zitting geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan.

3.4 [appellant] voert in hoger beroep aan dat hem niet kan worden verweten dat hij zijn verzoekschrift tot opheffing van zijn faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet binnen 14 dagen heeft ingediend. [appellant] verkeerde in de veronderstelling dat hij een zodanig verzoek reeds had gedaan, doordat hij zich op 11 mei 2005 tot de Stadsbank had gewend met een verzoek tot schuldhulpregeling. Volgens [appellant] is sprake van een, hem niet te verwijten, ongelukkige samenloop van omstandigheden.

3.5 Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [appellant] niet tijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend, aan hem moet worden toegerekend. Hiertoe overweegt het hof als volgt. [appellant] is bij brief van 23 mei 2005 uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Misschien heeft [appellant], zoals hij aanvoert, na ontvangst van deze brief in de veronderstelling verkeerd dat hij dat verzoek reeds op 11 mei 2005 had ingediend bij de Stadsbank, maar die veronderstelling viel niet meer te billijken, nadat [appellant] voornoemde brief van 9 juni 2005 had ontvangen. Op dat moment, en ook tijdens de zitting van 15 juni 2005, had [appellant] zich kunnen en moeten realiseren dat hij wellicht niet het juiste verzoek bij de juiste instantie had ingediend. Niet is gebleken dat [appellant] op dat moment, hoewel dat op zijn weg lag, enige actie heeft ondernomen om uit te zoeken wat nog ontbrak aan een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zelfs de brieven van de Stadsbank, met in één daarvan vervat de afwijzing van zijn verzoek tot schuldhulpverlening, heeft hij naar aanleiding van de brief van 9 juni 2005 en de zitting op 15 juni 2005 niet aan de rechtbank overgelegd.

3.6 Overigens is het hof van oordeel, dat ook indien de omstandigheid dat [appellant] niet tijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend niet aan hem zou moeten worden toegerekend, zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet zou slagen, nu aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een gedeelte zijn schuldenlast niet te goeder trouw is geweest. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat zowel Horeca Consultancy Administraties te Goor (het accountantskantoor dat de jaarrekening van de onderneming van [appellant] voor het jaar 2002 heeft opgesteld) als Gibo Accountants en Adviseurs te Almelo (het accountantskantoor dat de jaarrekening van de onderneming van [appellant] voor het jaar 2003 heeft opgesteld) de mening zijn toegedaan dat de administratie van de onderneming van [appellant] niet aan de eisen voldeed. De curator onderschrijft blijkbaar dit standpunt, nu - zo blijkt uit zijn verslag van 15 juli 2005 (onderdeel 7.3) - hij ook een aantal incomplete ordners van [appellant] heeft ontvangen en hij concludeert dat [appellant] de administratie van zijn onderneming onvoldoende op orde had. Dat hieruit schulden, waaronder belastingschulden, zijn ontstaan, valt [appellant] dan ook te verwijten. Daarnaast is gebleken dat [appellant] is doorgegaan met zijn onderneming, terwijl zijn onderneming sinds 2001, zo verklaarde hij ter zitting van het hof, met verliezen draaide. Het hof acht dit verwijtbaar, nu dit onvermijdelijk ten koste is gegaan van zijn op dat moment reeds bestaande en/of toekomstige crediteuren.

3.7 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 15 november 2005.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Korthals Altes en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2006.