Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV6398

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
2005/513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toen [appellant] met de palletkar – beladen met kisten aardbeien en sperziebonen – naar het bedrijf liep, is hijzelf in aanraking gekomen met de door [geïntimeerde sub 2] bestuurde vorkheftruck, net nadat hij met zijn palletkar een oneffenheid in het asfalt had ontweken teneinde schade aan de kwetsbare lading van de palletkar te voorkomen. [appellant] heeft daarbij een gecompliceerde enkelfractuur opgelopen en een open wond aan zijn voet. [appellant] is daarvoor geopereerd en enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest. Na verloop van tijd heeft hij zijn werk hervat.

[..] heeft [appellant] in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] jegens hem aansprakelijk zijn ingevolge artikel 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) voor vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij ten gevolge van het ongeval heeft geleden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 1
Wegenverkeerswet 1994 185
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 109
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 41
JA 2006/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 maart 2006

derde civiele kamer

rolnummer 05/513

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.C. Plochg,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[de VOF],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten

2. [geïntimeerde sub 2],

3. [geïntimeerde sub 3],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. W.D. Huizinga.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 27 oktober 2004 en 30 maart 2005 die de rechtbank Zwolle-Lelystad tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser in conventie/verweerder in reconventie en geïntimeerden (hierna gezamenlijk aangeduid als [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk als respectievelijk de VOF, [geïntimeerde sub 2], en [geïntimeerde sub 3]) als gedaagden in conventie/verweerders in reconventie heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 25 april 2005 [geïntimeerden] aangezegd van het vonnis van 30 maart 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van hen voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn inleidende vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, daaronder begrepen die van het beslag. [appellant]s inleidende vordering strekte kort gezegd tot:

(a) een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, die hij heeft geleden ten gevolge van een ongeval op 4 juli 2002, alsmede

(a) tot de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 780,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding,

een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten, die van het beslag daaronder begrepen.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en verweer gevoerd, bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 30 maart 2005 onder 1.1 tot en met 1.5 feiten vastgesteld. Daartegen zijn door [appellant] geen grieven aangevoerd. Wel hebben [geïntimeerden] bij memorie van antwoord betwist dat [appellant] vóór het ongeval twee keer met de palletkar heen en weer was gelopen. Daar zal bij de verdere beoordeling rekening mee worden gehouden. Voor het overige zal het hof in hoger beroep van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Op een bedrijfsterrein in IJsselmuiden heeft op 4 juli 2002 een ongeval plaatsgevonden waarbij [appellant] als bestuurder van een elektrische palletkar, die hij aan de hand voerde en waarmee hij dus niet werd vervoerd, en [geïntimeerde sub 2] (geïntimeerde sub 2) als bestuurder van een vorkheftruck betrokken zijn geweest. Het terrein waar het ongeval plaatsvond bestaat uit een rechthoekig geasfalteerd terrein dat aan drie zijden is omsloten door bedrijfsgebouwen en dat bereikbaar is via een geasfalteerde toegangsweg vanaf de Spoorstraat. [geïntimeerde sub 2] was bezig om met een vorkheftruck pallets met afval in een gereedstaande kraakwagen te laden. Terwijl hij daarmee bezig was, is [appellant] begonnen met het lossen van zijn vrachtwagen: hij moest kisten met groenten en fruit afleveren bij één van de aan het terrein gelegen bedrijven. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van de elektrische palletkar. De bewegingen die [geïntimeerde sub 2] maakte met zijn vorkheftruck en die [appellant] maakte met zijn palletkar, kruisten elkaar.

Toen [appellant] met de palletkar – beladen met kisten aardbeien en sperziebonen – naar het bedrijf liep, is hijzelf in aanraking gekomen met de door [geïntimeerde sub 2] bestuurde vorkheftruck, net nadat hij met zijn palletkar een oneffenheid in het asfalt had ontweken teneinde schade aan de kwetsbare lading van de palletkar te voorkomen. [appellant] heeft daarbij een gecompliceerde enkelfractuur opgelopen en een open wond aan zijn voet. [appellant] is daarvoor geopereerd en enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest. Na verloop van tijd heeft hij zijn werk hervat.

4.2 Zoals hiervoor al is aangegeven, heeft [appellant] in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] jegens hem aansprakelijk zijn ingevolge artikel 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) voor vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij ten gevolge van het ongeval heeft geleden. In verband daarmee heeft hij tevens beslag laten leggen op de aan [geïntimeerde sub 2] in eigendom toebehorende woning. [geïntimeerden] hebben de vordering bestreden en in reconventie vervallenverklaring van het beslag gevorderd. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen omdat naar haar oordeel artikel 185 WVW niet van toepassing is omdat het ongeval niet op een voor het openbaar verkeer openstaande weg heeft plaatsgevonden. Ambtshalve heeft de rechtbank vervolgens nog wel beoordeeld of er sprake is geweest van een onrechtmatige daad van [geïntimeerden], maar ook die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat door [appellant] niets is gesteld waaruit aansprakelijkheid van de VOF of [geïntimeerde sub 3] zou kunnen volgen zodat de jegens hen ingestelde vordering reeds daarom moet worden afgewezen, terwijl de schade van [appellant] volgens de rechtbank in zodanige mate aan zijn eigen onoplettendheid moet worden toegerekend dat een vergoedingsplicht geheel vervalt en ook in zoverre de vordering moet worden afgewezen. De reconventionele vordering tot vervallen-verklaring van het beslag heeft de rechtbank vervolgens toegewezen.

4.3 In grief I heeft [appellant]s betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 185 WVW niet van toepassing is omdat het ongeval niet op de voor het openbaar verkeer openstaande weg heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 185 WVW is de eigenaar van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, aansprakelijk voor de schade indien dat motorrijtuig bij een verkeersongeval is betrokken en door dat ongeval schade is toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen die zich niet in een ander motorrijtuig bevinden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht. Onder “weg” moet ingevolge artikel 1 lid 1 aanhef en onder b worden verstaan - voor zover van belang - alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen. Uit de jurisprudentie volgt dat hiermee wordt bedoeld “alle feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen”, ongeacht de omstandigheid of deze op particulier terrein liggen (HR 13 mei 1958, NJ 1958, 329; HR 12 januari 1982, NJ 1983, 244, HR 3 november 1998, VR 1999, 91 en HR 16 januari 2001, NJ 2001, 254). Dat houdt in dat de weg feitelijk voor een onbeperkte kring van verkeersdeelnemers toegankelijk moet zijn. Wegen waarop het algemene verkeer stilzwijgend wordt toegelaten, vallen ook daaronder.

4.4 Uit de stukken komt naar voren dat het ongeval heeft plaatsgevonden op een geasfalteerd terrein dat in particuliere eigendom is en dat aan drie kanten is omsloten door bedrijfsgebouwen en via een geasfalteerde toegangsweg rechtstreeks bereikbaar is vanaf de Spoorstraat. Genoegzaam is gebleken dat het terrein voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt, te weten om te komen naar en te gaan van de daaraan gelegen bedrijven. Dat het terrein niet een duidelijke inrichting (geen verkeersroutes) heeft, doet daaraan niet af. Verder is niet gesteld of gebleken dat de eigenaren van dit terrein op voor derden kenbare wijze - bijvoorbeeld door het plaatsen van een bord “verboden toegang” - hen de toegang tot dit terrein hebben ontzegd. Van feitelijke afsluiting van het terrein is blijkbaar ook nooit sprake. Het kan er dan ook voor worden gehouden dat het gebruik van het terrein voor verkeersdoeleinden in beginsel voor eenieder mogelijk is. Nu het rechtstreeks in verbinding staat met de Spoorstraat kan ook iedereen daar feitelijk gebruik van maken. Daaraan doet niet af dat het terrein in feite door een beperkt aantal verkeersdeelnemers wordt gebruikt. Het terrein waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, vormt derhalve een voor het openbaar verkeer openstaande weg, zodat grief I slaagt.

4.5 Nu de eerste grief slaagt, behoeft grief II – waarin [appellant]s, onder de voorwaarde dat artikel 185 WVW niet toepasselijk is, heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de gedraging van [geïntimeerde sub 2] in zodanige mate heeft bijgedragen aan het ontstane letsel van [appellant] dat daardoor een schadevergoedingsverplichting voor [geïntimeerde sub 2] is ontstaan – geen bespreking. Wel dient nu alsnog ingegaan te worden op de in eerste aanleg onbesproken gebleven stellingen die [appellant] in verband met zijn beroep op artikel 185 WVW naar voren heeft gebracht en de in verband hiermee door [geïntimeerden] opgeworpen weren.

4.6 [appellant] heeft in eerste aanleg bij conclusie van antwoord in reconventie gesteld - zonder dit verder te onderbouwen - dat de vorkheftruck eigendom is van de VOF, zodat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] daarnaast hoofdelijk aansprakelijk zijn. [geïntimeerden] hebben dit vervolgens bij gelegenheid van de daarna gehouden comparitie betwist en, met verwijzing naar een ten name van [geïntimeerde sub 2] gestelde aankoopfactuur die toen ook is overgelegd, gesteld dat de vorkheftruck eigendom is van [geïntimeerde sub 2]. Tegenover deze gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] had het op de weg van [appellant] gelegen om in hoger beroep gemotiveerd aan te geven waarom de vorkheftruck eigendom zou zijn van de VOF. Dat heeft [appellant] nagelaten, zodat het niet alleen ervoor moet worden gehouden dat de vorkheftruck geen eigendom is van de VOF, maar ook dat [appellant] [geïntimeerde sub 2] als eigenaar van de vorkheftruck aansprakelijk houdt, hetgeen ook blijkt uit de memorie van grieven onder 7. Daarmee staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde sub 2] ten tijde van het ongeval eigenaar van dat motorrijtuig was.

Wel heeft [appellant] in dit verband in appèl nog aangevoerd dat de “fout is begaan door een orgaan van een rechtspersoon, waardoor de rechtspersoon op grond van artikel 6:162 BW zelf rechtstreeks (mede)aansprakelijk is”. Een vennootschap onder firma heeft echter geen rechtspersoonlijkheid en dus ook geen organen. Reeds daarom faalt dit betoog, nog afgezien van het feit dat ook onduidelijk is welke “fout” de VOF in de visie van [appellant] zou hebben begaan. Omdat [appellant] verder niets heeft gesteld waaruit volgt dat de VOF en [geïntimeerde sub 3] in verband met het ongeval dat op 4 juli 2002 heeft plaatsgevonden, jegens [appellant] aansprakelijk zouden zijn, moet de vordering tegen de VOF en [geïntimeerde sub 3] worden afgewezen.

4.7 [geïntimeerde sub 2] heeft voorts aangevoerd dat de vorkheftruck op het moment van het ongeval stil stond, zodat de vorkheftruck niet kan worden aangemerkt als een motorrijtuig waarmee wordt gereden in de zin van artikel 185 lid 1 WVW. [geïntimeerde sub 2] heeft uitdrukkelijk aangeboden te bewijzen dat de vorkheftruck ten tijde van het ongeval stil stond. Aan dit aanbod wordt voorbijgegaan omdat het er niet toe doet of het voertuig op het moment van het ongeval al dan niet bewoog. Het gaat hier immers niet om een geparkeerd voertuig, maar om een voertuig waarvan vast staat dat [geïntimeerde sub 2] daarmee ten tijde van het ongeval aan het werk was en aan het verkeer deelnam. Daarvan is ook sprake als hij, zoals hij aanvoert, de vorkheftruck net vóór de aanrijding - toen hij [appellant] zag aan komen lopen - gelijk heeft stilgezet. Aldus is er sprake van een motorrijtuig waarmee wordt gereden in de zin van artikel 185 WVW.

4.8 Ook heeft [geïntimeerde sub 2] aangevoerd dat er sprake was van overmacht in de zin van artikel 185 lid 1 WVW aan zijn zijde. Een beroep op overmacht in de hier bedoelde zin kan slechts slagen indien [geïntimeerde sub 2] aannemelijk maakt dat hem ter zake van het ontstaan van het ongeval rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij geldt verder dat eventuele fouten van [appellant] als slachtoffer, alleen van belang zijn, voor zover zij voor [geïntimeerde sub 2] zo onwaarschijnlijk waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (vgl. onder meer HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527). [geïntimeerde sub 2] heeft in dit verband aangevoerd dat hij er op zijn eigen terrein geen rekening mee hoefde te houden dat [appellant] zijn weg zou kruisen, nu [appellant] op het naastgelegen adres zijn goederen moest afleveren. De uitwijkmanoeuvre waardoor [appellant], achteruitlopend, op het terrein van [geïntimeerde sub 2] kwam was voor hem volkomen onverwacht.

4.9 Het hof stelt voorop dat niet relevant is of het ongeval op eigen terrein van [geïntimeerde sub 2] heeft plaatsgevonden, nu de gronden van [geïntimeerde sub 2] deel uitmaken van een groter terrein dat volledig in gebruik is als voor het openbaar verkeer openstaande weg. Verder is van belang dat het terrein niet duidelijk is ingericht en door verschillende bedrijven die daaromheen liggen wordt gebruikt voor laad- en loswerkzaamheden. Daardoor is het mogelijk, zoals ook hier is gebeurd, dat er feitelijk situaties ontstaan die moeilijk zijn te overzien. Dat legt op eenieder die zich op dat terrein beweegt, zeker op het moment dat daar geladen en gelost wordt, niet alleen de plicht om goed op te letten, maar ook om er rekening mee te houden dat anderen wel eens niet goed kunnen opletten, bijvoorbeeld omdat zij zich concentreren op hun werk. [appellant] kan hooguit worden tegengeworpen dat hij niet goed heeft opgelet, maar dit kan in de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden aangemerkt als een omstandigheid die voor [geïntimeerde sub 2] zo onwaarschijnlijk was dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat [geïntimeerde sub 2] ter zake van het ontstaan van het ongeval rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dit zou anders kunnen zijn indien [geïntimeerde sub 2], zodra hij had kunnen merken dat [appellant] met de palletwagen in zijn richting kwam lopen, zijn vorkheftruck tot stilstand had gebracht en hij [appellant] op de een of andere manier op zijn aanwezigheid opmerkzaam had proberen te maken, maar dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Wel heeft [geïntimeerde sub 2] gesteld dat [appellant], zo begrijpt het hof, terwijl [geïntimeerde sub 2] zijn vorkheftruck tot stilstand had gebracht, door de kracht van de elektrische palletwagen min of meer onder de vorkheftruck is geduwd. Zelfs als dit zo zou zijn – het wordt betwist – kan hieruit alleen maar worden afgeleid dat [geïntimeerde sub 2] zijn vorkheftruck niet tijdig genoeg tot stilstand heeft gebracht, namelijk op een zodanig moment dat [appellant] ook nog kon voorkomen dat hij daarmee in botsing zou komen. Op grond van de stukken moet het er dan ook voor worden gehouden dat ook [geïntimeerde sub 2], terwijl ook hij bezig was met zijn werk, niet goed heeft opgelet. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde sub 2]’ beroep op overmacht faalt. Uit hoofde van artikel 185 lid 1 WVW is [geïntimeerde sub 2] in beginsel gehouden tot schadevergoeding.

4.10 Resteert de vraag of er sprake is van eigen schuld van [appellant], zoals [geïntimeerde sub 2] eveneens heeft aangevoerd. De fout die [appellant] in de ogen van [geïntimeerde sub 2] heeft gemaakt, komt erop neer dat [appellant] achteruitlopend met een elektrische palletkar op het terrein van [geïntimeerde sub 2] is gekomen, waarna hij, omdat hij niet keek waar hij liep, tegen de stilstaande vorkheftruck van [geïntimeerde sub 2] is gelopen. Daarbij is hij, mede door de druk van de palletkar, ten val gekomen en met zijn voet bekneld geraakt in de wielkast van de vorkheftruck. Ook als dit waar mocht zijn – [appellant] heeft deze toedracht betwist – rechtvaardigt dit in ieder geval niet de conclusie dat er sprake is geweest van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid bij [appellant]. Hieruit volgt dat ten laste van [geïntimeerde sub 2] in ieder geval 50% van de schade van [appellant] moet blijven en dat [geïntimeerde sub 2] meer dan 50% van deze schade moet vergoeden indien ófwel zijn gedraging als bestuurder in verhouding tot die van het slachtoffer voor meer dan 50% aan de schade heeft bijgedragen, ófwel de in artikel 6:101 lid 1 BW bedoelde billijkheid een zodanige verdeling vereist, dan wel eist dat de schade geheel te zijnen laste komt (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566 en HR 24 december 1993, NJ 1995, 236). Het is in beginsel aan [geïntimeerde sub 2] als degene die zich beroept op eigen schuld van [appellant] om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat hij niet volledig aansprakelijk is voor de schade die [appellant] ten gevolge van het ongeval heeft geleden.

4.11 In de kern komt het betoog van [geïntimeerde sub 2] erop neer dat [appellant] niet goed heeft uitgekeken in een situatie waarin hij dat wel moest doen. Uit de stukken blijkt dat zowel [appellant] als [geïntimeerde sub 2] in een situatie en op een moment waarop zij goed moesten uitkijken en rekening moesten houden met fouten van een ander, niet goed hebben opgelet. Onder die omstandigheden hebben de aan ieder toe te rekenen omstandigheden in gelijke mate tot de schade bijgedragen. Tegen de achtergrond van het hiervoor onder 4.10 overwogene, betekent dit dat [geïntimeerde sub 2] jegens [appellant] in beginsel voor 50% aansprakelijk is voor diens schade.

4.12 Wat betreft de vraag of de billijkheid een andere verdeling met zich brengt, geldt het volgende. [geïntimeerde sub 2] heeft in dit verband aangevoerd dat de vorkheftruck niet is verzekerd op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Hij heeft gesteld dat hij dacht dat dit niet nodig was omdat hij er in zijn visie niet mee op de voor het openbaar verkeer openstaande weg reed. Daarmee miskent hij evenwel dat op grond van artikel 2 lid 1 juncto artikel 1 WAM (waarin het begrip terrein is omschreven) niet alleen motorrijtuigen verzekerd moeten worden waarmee op de voor het openbaar verkeer openstaande weg wordt gereden, maar ook motorrijtuigen waarmee op een terrein dat toegankelijk is voor het publiek of voor een zeker aantal personen die het recht hebben daar te komen, zoals hier met onder andere bevoorradingsverkeer en de vuilophaaldienst het geval was. In dit verband heeft [geïntimeerde sub 2] ook nog aangevoerd dat [appellant] achteruit liep en een voor hem, [geïntimeerde sub 2], onverwachte atypische uitwijkmanoeuvre maakte, maar ook dit zijn omstandigheden die op de plaats van het ongeval te verwachten waren omdat laad- en loswerk nu eenmaal met zich brengt dat daarbij veelvuldig met voertuigen moet worden gemanoeuvreerd. Dat [appellant] daarbij met de palletkar is uitgeweken voor een oneffenheid is in dit verband niet relevant. Daar komt bij dat in het licht van de hiervoor onder 4.10 aangehaalde jurisprudentie hetgeen door [geïntimeerde sub 2] in dit verband is aangevoerd, alleen relevant is voorzover daarmee afbreuk wordt gedaan aan stellingen van [appellant], inhoudende dat [geïntimeerde sub 2] in het kader van de billijkheidscorrectie voor meer dan 50% aansprakelijk is. [appellant] heeft echter niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat de billijkheid een andere aansprakelijkheidsverdeling vereist. Dit betekent dat [geïntimeerde sub 2] voor 50% aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade.

4.13 Het door [geïntimeerde sub 2] in eerste aanleg gedane aanbod om zijn versie van de toedracht van het ongeval te bewijzen, kan als niet ter zake dienend worden gepasseerd, nu dit in het licht van het vorenstaande en op grond van de onder 4.10 aangehaalde jurisprudentie, niet zal kunnen leiden tot een lager aansprakelijkheidspercentage voor [geïntimeerde sub 2].

4.14 Bij conclusie van antwoord in conventie sub 5 en 6 en bij memorie van antwoord sub 1 heeft [geïntimeerde sub 2] erkend dat [appellant] bij het ongeval enig letsel heeft opgelopen. Het bestaan van schade als gevolg van de aanrijding is daarmee aannemelijk. Dat is voldoende voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals [appellant] vordert.

4.15 Voor een matiging als bedoeld in artikel 6:109 BW zoals door [geïntimeerde sub 2] ook nog is bepleit, is in dit stadium van deze procedure geen plaats nu [appellant] een verklaring voor recht heeft gevorderd dat [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk is voor zijn schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en er over de hoogte van de schade bij het hof niets bekend is.

4.16 Tot slot zijn er de buitengerechtelijke kosten, waarvan [appellant] in eerste aanleg vergoeding heeft gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat er naar haar oordeel geen sprake was van een aanrijding in de zin van artikel 185 WVW of van een onrechtmatige daad van [geïntimeerde sub 2], zodat de overige stellingen en weren geen nadere bespreking behoefden. Nu het hoger beroep blijkens de grieven is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat op [geïntimeerde sub 2] geen aansprakelijkheid rustte, omvat het hoger beroep, naar [geïntimeerde sub 2] behoorde te begrijpen, ook de beslissing omtrent de buitengerechtelijke kosten.

4.17 [appellant] heeft met onder meer een beroep op het rapport VoorWerk II buitengerechtelijke kosten gevorderd ter grootte van 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde € 780,00. [geïntimeerde sub 2] heeft betwist dat [appellant] in dit verband kosten heeft gemaakt en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. [appellant] heeft vervolgens ter comparitie in eerste aanleg een urenstaat overgelegd van zijn advocaat en gesteld dat daaruit blijkt dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Nu dit verder door [geïntimeerde sub 2] niet is betwist, oordeelt het hof het bedrag zoals gevorderd toewijsbaar.

4.18 Tegen de toewijzing van de reconventionele vordering van [geïntimeerde sub 2] tot vervallenverklaring van het door hem gelegde beslag heeft [appellant] in appèl geen grief gericht, zodat het bestreden vonnis in zoverre in stand moet blijven. Dit brengt mee dat het rechtens ervoor moet worden gehouden dat het beslag terecht vervallen is verklaard.

Slotsom

Het hoger beroep slaagt en het bestreden vonnis moet in conventie worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij de vordering tegen de VOF en [geïntimeerde sub 3] is afgewezen. Voor recht kan worden verklaard dat [geïntimeerde sub 2] voor 50% aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval op 4 juli 2002, nader op te maken bij staat. [geïntimeerde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de in eerste aanleg in conventie gevoerde procedure alsmede in de kosten van de procedure in hoger beroep. Voor een veroordeling van [geïntimeerde sub 2] in de kosten van het beslag – zoals [appellant] eveneens heeft gevorderd – is geen plaats nu de reconventionele beslissing door het appèl niet wordt geraakt en het ervoor moet worden gehouden dat het beslag terecht vervallen is verklaard.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 maart 2005 in conventie, behoudens voor zover daarbij de vordering tegen de VOF en [geïntimeerde sub 3] is afgewezen, dit vonnis in zoverre bekrachtigend;

en voor het overige opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde sub 2] voor 50% aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval op 4 juli 2002, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [geïntimeerde sub 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen € 780,00 en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

veroordeelt [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg in conventie begroot op € 904,00 voor salaris van de procureur en op € 334,78 voor verschotten en wat betreft het hoger beroep begroot op € 894,00 voor salaris van de procureur en op € 376,60 voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Steeg en Vaessen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2006.