Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV6081

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
21-03-2006
Zaaknummer
2005/782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellante] heeft aan [geïntimeerde] – haar neef – verpacht twee percelen grasland met een gezamenlijke oppervlakte van 4.40 ha voor een jaarlijkse pachtprijs van € 1.600,--. Een gedeelte van deze grond (groot circa 0.80 ha) is in gebruik bij de zoon van [appellante]. (De zoon van) [appellante] heeft het gebruik van het gepachte door [geïntimeerde] in het jaar 2004 verhinderd.

Het hof constateert dat in hoger beroep alleen nog aan de orde is de vordering van [geïntimeerde] in reconventie voor zover die vordering betrekking heeft op de hoogte van de door [geïntimeerde] geleden schade in 2004 ten gevolge van de belemmering van het gebruik van het gepachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 maart 2006

pachtkamer

rolnummer 2005/782 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. A.F. van Dam,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van de rechtbank te Almelo, sector kanton, locatie Almelo heeft op 14 oktober 2004 en 22 juni 2005 vonnissen gewezen tussen appellante (verder noemen: [appellante]) als eiseres in conventie, verweerster in reconventie enerzijds en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in conventie, eiser in reconventie anderzijds. Naar het vonnis van 22 juni 2005, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht, wordt verwezen voor de in eerste aanleg genomen beslissing.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 11 juli 2005 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 juni 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd en toegelicht, heeft zij twee nieuwe producties overgelegd, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof het vonnis in reconventie zal vernietigen en opnieuw recht doende, zo nodig onder aanvulling en verbetering der gronden, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog gedeeltelijk zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen een bedrag van € 3.750,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2005 tot de dag der algehele voldoening.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis in reconventie gewezen primair zal bekrachtigen en subsidiair opnieuw recht doende, zonodig onder aanvulling en verbetering van gronden, de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellante] ten aanzien van gras/hooi en de drijfmest zal toewijzen tot een hoogte door het hof in goede justitie te bepalen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

2.4 [appellante] is akte verleend van enkele nadere opmerkingen en [geïntimeerde] van diens reactie daarop.

2.5 Hierna hebben partijen hun procesdossiers aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

De pachtkamer in eerste aanleg heeft in rechtsoverweging 1 (onder “De nadere beoordeling” enz.) van het vonnis waarvan beroep een vaststelling van feiten gegeven. Nu tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Dit hoger beroep betreft, summier weergegeven, de volgende kwestie. Blijkens een schriftelijke en door de grondkamer Oost goedgekeurde pachtovereenkomst gedagtekend 19 december 2002 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] – haar neef – verpacht twee percelen grasland met een gezamenlijke oppervlakte van 4.40 ha voor een jaarlijkse pachtprijs van € 1.600,--. Een gedeelte van deze grond (groot circa 0.80 ha) is in gebruik bij de zoon van [appellante]. (De zoon van) [appellante] heeft het gebruik van het gepachte door [geïntimeerde] in het jaar 2004 verhinderd.

4.2 Het hof constateert dat in hoger beroep alleen nog aan de orde is de vordering van [geïntimeerde] in reconventie voor zover die vordering betrekking heeft op de hoogte van de door [geïntimeerde] geleden schade in 2004 ten gevolge van de belemmering van het gebruik van het gepachte. De pachtkamer in eerste aanleg heeft schadevergoeding toegewezen tot bedragen van € 3.500,-- (100 balen hooi) en € 1.750,-- (schade wegens het niet kunnen uitrijden van mest). [appellante] voert aan dat ter zake van hooi ten hoogste € 1.500,-- had moeten worden toegewezen en dat ter zake van het uitrijden van mest geen schade is geleden.

4.3 [geïntimeerde] verwijt [appellante] dat zij zonder voorafgaand overleg met hem voor een gering belang in hoger beroep is gekomen en zij eerst in hoger beroep is overgegaan tot een serieuze betwisting van de door [geïntimeerde] gestelde en door de rechtbank toegewezen schade. Het staat [appellante] echter vrij voor een gering bedrag in hoger beroep te komen en zij kan niet verplicht worden geacht hierover tevoren met [geïntimeerde] overleg te voeren. Wat betreft de betwisting van de schade wijst het hof erop, dat het hoger beroep mede dienst doet tot herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten, waaronder ook dient te worden gerekend het alsnog voeren van aanvankelijk achterwege gebleven verweren. Het hof ziet dus geen aanleiding om consequenties aan een en ander te verbinden en zal overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de grieven.

4.4 Uit het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg blijkt dat namens [appellante] is verklaard dat in 2004 “ongeveer 100 balen hooi” van het land zijn gehaald. Het hof acht het dan voor de hand liggend om tot uitgangspunt te nemen dat [geïntimeerde] een grasopbrengst voor 100 balen hooi is misgelopen en in zoverre schade heeft geleden. Het hof begrijpt het standpunt van [geïntimeerde] aldus, dat hij niet (meer) aanvoert dat hij een dekkingskoop voor 100 balen à € 35,-- per baal heeft moeten sluiten. Tot uitgangspunt voor de schade kan dan worden genomen de misgelopen winst op 100 balen hooi. Het hof constateert voorts, dat tussen partijen niet in discussie is dat een baal hooi circa € 35,-- kostte en de uitgespaarde kosten van het persen van balen op € 11,-- per baal kunnen worden begroot. Het hof schat de overige uitgespaarde kosten op € 4,-- per baal, daarbij enerzijds rekening houdend met het feit dat [geïntimeerde] de arbeid zelf zou hebben verricht en anderzijds in acht nemend dat er ook andere materiële kosten dan voor het persen (zaaigoed, gewasbescherming) moesten worden gemaakt. Aldus komt de schade in zoverre op € 2.000,--. Grief I slaagt dus gedeeltelijk.

4.5 Met grief II bestrijdt [appellante] de gestelde schade ten gevolge van het niet kunnen uitrijden van drijfmest. Zij betoogt onder meer dat [geïntimeerde] in 2004 niet beschikte over voldoende drijfmest om op het gepachte te kunnen uitrijden. [geïntimeerde] voert in de memorie van antwoord aan dat hij deze schade in de toekomst zal lijden, maar hij zou de kosten gemoeid met het moeten afvoeren van in 2004 overtollige drijfmest toch reeds moeten hebben gemaakt op 27 december 2005 (het tijdstip van die memorie van antwoord). Het hof acht zijn standpunt in zoverre dan ook onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] voert in zijn antwoordakte voorts aan dat sprake is van een minder gewas omdat het land niet op juiste wijze is bemest, maar het hof acht dit evenmin een toereikende onderbouwing van de gestelde schade, ook al omdat [geïntimeerde] in de memorie van antwoord onder nr. 39 heeft aangegeven dat [appellante] in 2004 tweemaal mest op het land heeft gebracht. Enige concrete aanwijzing dat de grond onvoldoende is bemest heeft [geïntimeerde] niet gegeven. Het hof is al met al van oordeel dat [geïntimeerde] de gestelde schade veroorzaakt door het niet kunnen uitrijden van drijfmest onvoldoende heeft onderbouwd, zodat deze post van de hand moet worden gewezen. Grief II is derhalve gegrond.

4.6 De slotsom luidt, dat grief I ten dele gegrond is en grief II geheel slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal in reconventie worden vernietigd wat betreft de toegewezen schadevergoeding van € 3.500,-- en € 1.750,-- en in plaats daarvan zal een bedrag van € 2.000,-- worden toegewezen. [appellante] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van € 3.250,-- met rente als gevorderd. Voor het overige blijft de beslissing in reconventie in stand. Het hof ziet in de familieverhouding tussen partijen aanleiding tot compensatie van de proceskosten in beide instanties in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Almelo, sector kanton, locatie Almelo van 22 juni 2005, doch alleen voor zover in dat vonnis [appellante] in reconventie is veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter fine van schadevergoeding te betalen bedragen groot € 3.500,-- en € 1.750,-- en [appellante] is veroordeeld in de proceskosten in reconventie en, in zoverre opnieuw recht doende, bepaalt het door [appellante] ter fine van schadevergoeding aan [geïntimeerde] te betalen bedrag op € 2.000,-- wegens gemiste opbrengst van hooi en compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] terug te betalen een bedrag van € 3.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2005 tot de dag der algehele voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Valk en Van der Beek en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ir. Duenk en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 14 maart 2006.