Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV6034

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
21-03-2006
Zaaknummer
2005/372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn allen deelgenoten in de nalatenschap van [betrokkene]. Het onverdeelde gedeelte van die nalatenschap bestaat uit een boerderij met schuren, boomgaard, erf en grond ter grootte van 00.81.00 ha (verder te noemen: de huiskavel) alsmede een perceel bouwland ter grootte van 8.45.90 ha. [geïntimeerde] is tevens (door de werking van art. 54, lid 1 Pw na overlijden van zijn vader) de pachter van deze objecten. Hij heeft zijn hoofdberoep buiten de landbouw. De boerderij en daarbij behorende schuur zijn inmiddels niet meer bruikbaar. [geïntimeerde] gebruikt de huiskavel als grasland. [appellanten] wensen die huiskavel, waarop een agrarische bestemming rust, te verkopen aan een woningstichting. Partijen procederen bij de gewone rechter over de verdeling van de gemeenschap. De vordering in het onderhavige geding strekt ertoe dat [geïntimeerde] uit de pacht zal worden ontslagen c.q. de pachtovereenkomst zal worden ontbonden. De pachtkamer in eerste aanleg heeft die vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 maart 2006

pachtkamer

rolnummer 2005/372 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, locatie Oud-Beijerland, heeft op 18 oktober 2004 en 21 februari 2005 vonnissen gewezen tussen appellanten (verder ook gezamenlijk te noemen: [appellanten]) als eisers en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde. Van het vonnis van 21 februari 2005 is een afschrift aan dit arrest gehecht. Naar dat vonnis wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg, de in die instantie genomen beslissing en de gronden voor die beslissing.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 17 maart 2005 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 21 februari 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 [appellanten] hebben bij memorie van grieven tegen dat vonnis één grief aangevoerd en toegelicht, hebben bewijs aangeboden en hebben geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [appellanten] zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste instantie en in hoger beroep.

2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, heeft bewijs aangeboden en heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellanten] in de kosten van (het hof leest:) het hoger beroep.

2.4 Partijen hebben hun zaak overeenkomstig art. 5.5 van het rolreglement van dit hof schriftelijk doen bepleiten, [appellanten] door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en [geïntimeerde] door mr. G.M.F. Snijders, advocaat te Utrecht. De van beide zijden overgelegde pleitnotities – die van [geïntimeerde] met 4 producties – bevinden zich bij de stukken. [appellanten] hebben nog bij repliek gereageerd op de producties die [geïntimeerde] bij zijn pleitnota in het geding heeft gebracht.

2.5 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

De pachtkamer in eerste aanleg heeft in rechtsoverweging 1 van het vonnis waarvan beroep een vaststelling van feiten gegeven. Nu tegen die vaststelling zijn geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 [geïntimeerde] heeft in zijn pleitnota aangevoerd dat de pleitnota van [appellanten] buiten beschouwing moet worden gelaten omdat bij het schriftelijk pleidooi aan de zijde van [appellanten] is gehandeld in strijd met art. 5.7 van het rolreglement. [geïntimeerde] heeft dit argument bij brief van 8 december 2005 voorgelegd aan de rolraadsheer, die – kennelijk gebruik makend van de hem in art. 7.2 van dat rolreglement gegeven bevoegdheid – partijen aanhouding heeft verleend tot 10 januari 2006. Hierdoor heeft [geïntimeerde] – die bij brief van 21 december 2005 nog om twee weken nader uitstel heeft verzocht, hetgeen hem is verleend – alsnog de gelegenheid gehad om vooraf kennis te nemen van de inhoud van de pleitnota van [appellanten] [geïntimeerde] heeft niet aangegeven door de gang van zaken te zijn benadeeld in zijn procesvoering of in enig ander belang dat door art. 5.7 van het rolreglement wordt gediend. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om de pleitnota van [appellanten] buiten beschouwing te laten.

4.2 Beknopt weergegeven betreft het geschil in hoger beroep de volgende kwestie. Partijen zijn allen deelgenoten in de nalatenschap van [betrokkene]. Het onverdeelde gedeelte van die nalatenschap bestaat uit een boerderij met schuren, boomgaard, erf en grond ter grootte van 00.81.00 ha (verder te noemen: de huiskavel) alsmede een perceel bouwland ter grootte van 8.45.90 ha. [geïntimeerde] is tevens (door de werking van art. 54, lid 1 Pw na overlijden van zijn vader) de pachter van deze objecten. Hij heeft zijn hoofdberoep buiten de landbouw. De boerderij en daarbij behorende schuur zijn inmiddels niet meer bruikbaar. [geïntimeerde] gebruikt de huiskavel als grasland. [appellanten] wensen die huiskavel, waarop een agrarische bestemming rust, te verkopen aan een woningstichting. Partijen procederen bij de gewone rechter over de verdeling van de gemeenschap. De vordering in het onderhavige geding strekt ertoe dat [geïntimeerde] uit de pacht zal worden ontslagen c.q. de pachtovereenkomst zal worden ontbonden. De pachtkamer in eerste aanleg heeft die vordering afgewezen.

4.3 Het hof leest in de memorie van grieven geen inhoudelijk bezwaar tegen het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg, dat de Pachtwet geen grondslag biedt voor toewijzing van een vordering tot ontslag uit de pacht van [geïntimeerde], nu hij enig pachter is. Het hof onderschrijft dat oordeel ook. [appellanten] voeren in de memorie van grieven onder nr. 4 aan, dat de grondslag van hun vordering is “dat geïntimeerde het land niet zelf gebruikt, terwijl de huiskavel in het geheel niet meer gebruikt wordt en er op dit moment zo bijligt dat geen gebruik gemaakt van die kavel kan worden”. Het hof begrijpt hun op genoemde plaats verwoorde standpunt aldus, dat zij ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming vorderen (bestaande uit het door [geïntimeerde] niet nakomen van diens verplichting tot persoonlijk gebruik van het gepachte, art. 25 Pw jo. art. 265 BW) en voorts betogen dat een beroep op pachterbescherming in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4 [appellanten] hebben hun standpunt dat [geïntimeerde] de 8.45.90 ha grond niet persoonlijk gebruikt gegrond op alleen hun constatering, dat [geïntimeerde] de grond door loonwerkers laat bewerken. [geïntimeerde] heeft hier reeds in eerste aanleg tegenover gesteld, dat hij een agrarische opleiding heeft genoten, dat de exploitatie voor zijn rekening en risico geschiedt, dat hij voldoende feitelijke betrokkenheid bij die exploitatie heeft en dat hij ook feitelijke werkzaamheden verricht. Hij heeft zijn standpunt onderbouwd met stukken (zoals landbouwtellingen en subsidieaanvragen) en heeft over zijn gebruik verklaard ter comparitie. In het licht van dit een en ander heeft de pachtkamer in eerste aanleg het standpunt van [appellanten] onvoldoende onderbouwd geacht en hun ongespecificeerde bewijsaanbod gepasseerd. Het hof acht dit oordeel juist.

4.5 In hoger beroep hebben [appellanten] aan hun stellingen slechts toegevoegd, dat “op geen enkele wijze door [geïntimeerde] is aangetoond dat hij opbrengsten genereerde en kosten maakte verbandhoudende met die exploitatie”. Het hof is evenwel van oordeel dat [geïntimeerde] in eerste aanleg voldoende heeft voldaan aan zijn verplichting tot substantiëring en onderbouwing van zijn verweer (hij had bij conclusies van antwoord – productie 3 – en dupliek – productie 6 – ook rekeningen van een loonwerker overgelegd). Tegen de achtergrond hiervan kon van [appellanten] worden gevergd dat zij hun stelling, dat [geïntimeerde] niet als persoonlijk gebruiker van de grond kan worden aangemerkt, nader met feiten en omstandigheden zouden onderbouwen. Nu zij dat niet hebben gedaan, wordt hun standpunt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Voor bewijslevering op dit punt is dan geen plaats. Een tekortkoming ten aanzien van het persoonlijk gebruik van de 8.45.90 ha bouwland wordt derhalve ook in hoger beroep niet aangenomen.

4.6 Wat betreft de huiskavel constateert het hof, dat de klacht van [appellanten] niet zozeer inhoudt dat [geïntimeerde] het perceel door anderen laat gebruiken, maar dat hij het perceel nauwelijks gebruikt en het min of meer verwaarloost.

Het hof acht in dit verband in de eerste plaats van belang dat [appellanten] niet hebben aangegeven welke reële agrarische gebruiksmogelijkheden het perceel na het vervallen van het woonhuis en het uitbranden van de schuur (waarvan niet, althans onvoldoende is gebleken dat [geïntimeerde] ter zake enig verwijt treft) nog biedt. [geïntimeerde] heeft meermalen aangevoerd dat hij nog gras van het perceel wint en/of er dieren laat grazen, hetgeen [appellanten] niet of hoogstens met blote ontkenningen hebben betwist.

In de tweede plaats heeft [geïntimeerde] wat betreft het gebruik en het onderhoud van de hoogstamfruitbomen in zijn antwoordakte van 20 december 2004 (onder 2.5 en 2.6) gemotiveerd betoogd dat hij niet tot snoeien daarvan verplicht moet worden geacht; [appellanten] zijn op dit verweer in het geheel niet ingegaan, zodat het hof uitgaat van de juistheid van dit verweer. Ook in zoverre ziet het hof dus geen grond voor een gegrond verwijt aan het adres van [geïntimeerde].

In de derde plaats acht het hof van belang dat – zoals de pachtkamer in eerste aanleg heeft vastgesteld zonder dat hiertegen in hoger beroep een concreet bezwaar is geopperd – de sloop van de vervallen boerderij aanvankelijk door [appellanten] is belet. Het hof acht het evident dat deze houding invloed zal hebben gehad op de gebruiksmogelijkheden van het perceel en op de mogelijkheden en bereidheid van [geïntimeerde] om op het perceel substantiële onderhoudswerkzaamheden te verrichten. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord gesteld dat de huiskavel er inmiddels, na de sloop, weer fatsoenlijk bijligt. [appellanten] hebben in hun pleitnota volstaan met een enkele ongemotiveerde betwisting van dit laatste, terwijl op hen de stelplicht en bewijslast rust van het tekortschieten van [geïntimeerde].

In de vierde plaats heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij herbouw heeft uitgesteld in afwachting van de verdeling. Het hof acht het realistisch dat [geïntimeerde] in de omstandigheden van dit geval niet bij de overige verpachters op herbouw heeft aangedrongen. [appellanten] hebben in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde] het perceel alleen voor bewoning “als burger en niet als agrariër” wil aanwenden. [geïntimeerde] heeft echter, met stukken onderbouwd, aangevoerd dat hij ook een stalling voor agrarische werktuigen wil bouwen en de hoogstamboomgaard in stand wil houden. Die stukken geven niet de indruk dat zij louter ten behoeve van de onderhavige procedure zijn opgesteld. Enige vorm van landbouwkundige activiteit stemt ook overeen met de huidige bestemming van het perceel. Wat van de betekenis van deze kwestie voor de ontbindingsvordering verder zij, het hof acht ook dit standpunt van [appellanten] – dat [geïntimeerde] geen landbouwkundig gebruik beoogt – onvoldoende onderbouwd.

Een en ander leidt tot het oordeel dat [appellanten] ook hun stelling dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen tot gebruik en onderhoud van de huiskavel onvoldoende met feiten en omstandigheden hebben onderbouwd. Ook hier is voor bewijslevering geen plaats.

4.7 [appellanten] hebben nog betoogd dat een beroep van [geïntimeerde] op de pachtovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor het terzijde stellen van dwingend pachtrecht op deze grond dient aan zware eisen te zijn voldaan. Het hof acht hetgeen [appellanten] in dit verband hebben aangevoerd niet toereikend. Daartoe wordt mede verwezen naar datgene wat in rechtsoverwegingen 4.4, 4.5 en 4.6 is overwogen. Het hof verwerpt dus het beroep op de redelijkheid en billijkheid, wat er van de mogelijkheden om op deze wijze een gehele pachtovereenkomst feitelijk terzijde te stellen verder zij. Het hof wijst er in dit verband nog op dat voor een met een ontbinding gelijk te stellen buitenwerkingstelling van een geruime tijd lopende pachtovereenkomst op deze grond te minder aanleiding is, nu de Pachtwet in de verlengingsprocedure een wettelijk kader biedt om naar billijkheid te bezien of de pacht dient te worden voortgezet dan wel beëindigd.

4.8 Een en ander leidt tot de slotsom, dat de grief faalt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, locatie Oud-Beijerland, van 21 februari 2005, waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 244,-- wegens griffierecht en € 1788,-- wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Valk en Van Osch en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 14 maart 2006.