Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV3536

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-03-2006
Datum publicatie
07-03-2006
Zaaknummer
21-005649-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA6569, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BA6569
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de strafzaak over de moord op een Tielse schrijver. Het hof heeft in het arrest een groot aantal feiten en omstandigheden besproken op grond waarvan het tot het oordeel is gekomen dat er sprake is geweest van moord, en niet van zelfmoord of van een zelfmoord die moest lijken op een moord, zoals geopperd door de verdediging. Veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-005649-04

Uitspraak d.d.: 7 maart 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 28 september 2004 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) in 1967,

wonende te [woonplaats verdachte],

thans verblijvende in [penitentiaire inrichting].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 16 maart 2005, 10 juni 2005, 7 september 2005, 4 november 2005, 16 december 2005 en 21 februari 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juni 2003 te Tiel opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, deze [slachtoffer] een hoeveelheid (slaap)middelen, onder meer bevattende nitrazepam, heeft toegediend en/of (vervolgens) een plastic zak over het hoofd (tot aan/over de schouders) van deze [slachtoffer] heeft gedaan en/of deze plastic zak rond de hals van deze [slachtoffer] heeft dichtgemaakt en/of vastgeknoopt met een stuk touw, in elk geval één of meerdere handelingen heeft verricht die de luchttoevoer voor die [slachtoffer] heeft/hebben belemmerd, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Overwegingen

In de vroege ochtend van 17 juni 2003 wordt bij de politie melding gemaakt van een mogelijke zelfdoding in een woning te Tiel. Ter plaatse wordt door de politie in diens slaapkamer het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] (hierna te noemen [slachtoffer]). [het slachtoffer] is aangetroffen voorover liggend op een bed met een dichtgebonden plastic zak om het hoofd. Bij latere sectie op het lichaam blijkt dat zich in de maag van [het slachtoffer] onder meer een grote hoeveelheid ‘nitrazepam’ bevindt. Bij de computer van het slachtoffer werden een afscheidsbrief en twee e-mails aangetroffen. Op grond van deze feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat [het slachtoffer] een niet-natuurlijke dood is gestorven.

Nadat [het slachtoffer] was gecremeerd zag de politie redenen tot nader onderzoek naar de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] en de omstandigheden waaronder hij was overleden. Dit leidde ertoe dat in december 2003 de partner van het slachtoffer als verdacht van betrokkenheid bij deze onnatuurlijke dood werd aangemerkt. Verdachte en [het slachtoffer] waren sinds 14 februari 2003 met elkaar gehuwd. Verdachte is door de rechtbank te Arnhem op 28 september 2004 veroordeeld voor moord op [het slachtoffer] tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Door verdachte en de officier van justitie is hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft op grond van de processtukken en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting de volgende gegevens, voor zover voor de beoordeling van het tenlastegelegde feit van belang, als vaststaande feiten aangenomen:

1. [het slachtoffer] was op 16 juni 2003 om 17.30 uur thuis en hij was nog in leven.

2. [het slachtoffer] heeft op 16 juni 2003 onder meer goulash gegeten.

3. Op 17 juni 2003, om 07.19 uur, is bij het alarmnummer 112 door verdachte gemeld dat zijn vriend een zelfmoordpoging had gedaan. [het slachtoffer] is vervolgens aangetroffen, gelegen op zijn bed, met een met touw dichtgeknoopte plastic zak om zijn hoofd. De dood is geconstateerd op 17 juni 2003 om 8.45 uur.

4. In het bloed van [het slachtoffer] werden benzodiazepines aangetoond, met name (omzettingsproducten van) nitrazepam. Uit de bloedconcentratie blijkt, dat er een grote hoeveelheid nitrazepam is ingenomen of toegediend. In zijn maaginhoud werd een grote hoeveelheid nitrazepam aangetoond, overeenkomend met 8 à 9 tabletten.

5. Als doodsoorzaak wordt in de rapportage van het NFI het volgende vermeld. De toediening of inname van nitrazepam heeft [het slachtoffer] hoogst waarschijnlijk in een toestand van onmacht gebracht. Het is mogelijk, dat het lichaam in een dergelijke toestand niet adequaat reageert op een verstikking, zoals door een zak over het hoofd. De sectiebevindingen waren verenigbaar met verstikking als oorzaak van het intreden van de dood.

6. Het exacte tijdstip van overlijden is destijds niet vastgesteld en is uit later onderzoek ook niet bekend geworden.

7. Bij de computer op de werkkamer van [het slachtoffer] is een afscheidsbrief aangetroffen; uit onderzoek van het NFI is gebleken dat deze brief is vervaardigd op de computer van het slachtoffer en dat deze op 16 juni 2003 tussen 19.40 en 19.51 uur is afgedrukt.

8. Tevens zijn bij deze computer aangetroffen prints van twee e-mailberichten, afkomstig van subfisteeuk@yahoo.com, één gericht aan verdachte en één gericht en verzonden aan de werkgever van verdachte. Uit onderzoek door het NFI is komen vast te staan dat deze e-mails zijn verzonden vanaf het IP-adres gekoppeld aan het modem van het thuisnetwerk van verdachte en het slachtoffer.

9. Verdachte is op de avond van 16 juni 2003 en in de nacht van 16 op 17 juni 2003 op verschillende tijdstippen thuis geweest en met zijn pinpasje is op 17 juni 2003 om 01.51 uur betaald bij een tankstation in Tiel. Verdachte heeft nadien de nacht thuis doorgebracht.

Het hof sluit, net als de rechtbank, het openbaar ministerie en de verdediging, uit dat een derde (iemand anders dan verdachte of het slachtoffer) voor de dood van [het slachtoffer] verantwoordelijk is, gezien het feit dat concrete sporen voor de aanwezigheid van een derde persoon ontbreken, gelet op de verklaringen van verdachte daaromtrent en gelet op de aangetroffen e-mails en afscheidsbrief.

Bij de beoordeling van de feiten en mede gelet op het verweer van de verdachte ziet het hof drie mogelijke scenario’s voor zich:

1). [het slachtoffer] heeft zichzelf van het leven beroofd.

2). [het slachtoffer] heeft zichzelf van het leven beroofd, maar hij heeft het op een moord door verdachte willen laten lijken.

3). Verdachte heeft [het slachtoffer] van het leven beroofd, maar verdachte heeft het willen doen voorkomen als een zelfmoord door [het slachtoffer].

Bij de beoordeling van deze drie mogelijkheden speelt een belangrijke rol dat [het slachtoffer], die zich daarbij bediende van het pseudoniem Paul Harland, een auteur was van sciencefictionverhalen en volgens de verdediging in staat was en redenen had om een scenario zoals scenario 2 te kunnen verzinnen en uit te voeren. Daarbij is met name gewezen op gelijkenissen in het boek “The Hand That Takes”, geschreven door Paul Harland.

Verdachte heeft ontkend [het slachtoffer] van het leven te hebben beroofd.

Het hof heeft op grond van de stukken en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting de bewijsmiddelen beschouwd en daaruit evenwel de overtuiging bekomen dat verdachte [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd en dat er dus géén sprake is geweest van een zelfmoord of een zelfmoord die moest lijken op een moord. Het hof is tot dit oordeel gekomen op grond van de navolgende met elkaar in onderling verband te beschouwen overwegingen.

Doodsoorzaak

[het slachtoffer] is een onnatuurlijke dood gestorven. In zijn lichaam bevond zich een aanzienlijke hoeveelheid nitrazepam en zijn overlijden past bij een dood door verstikking (plastic zak over het hoofd). Verdachte heeft verklaard dat [het slachtoffer] en hij omstreeks 18.00 uur een warme maaltijd hebben gebruikt, waarbij onder meer goulash is gegeten. [het slachtoffer] was moe en hij zou rond 19.00 uur naar bed zijn gegaan, met een slaapmiddel. Verdachte en [het slachtoffer] hadden boven allebei een aparte werkkamer en een aparte slaapkamer. Verdachte heeft verklaard dat hij [het slachtoffer] die avond niet meer heeft gezien of gehoord en dat hij hem pas de volgende ochtend weer zag, liggend op zijn bed onder de omstandigheden zoals hiervoor beschreven.

Veel aandacht is besteed aan het gegeven dat nitrazepam in de hoeveelheid waar het om gaat niet of vrijwel niet ongemerkt kan zijn toegediend, vanwege de bittere smaak en vanwege het verlammende effect van dit middel op de tong.

Het hof gaat er van uit dat het middel door verdachte is toegediend aan [het slachtoffer], ofwel vermengd met de goulash, grapefruitsap of soep, ofwel (minstens zo belangrijk) op andere wijze. De vraag of [het slachtoffer] zulks heeft moeten merken is daarbij zonder belang waar verdachte ook de mogelijkheid had om [het slachtoffer] te dwingen om dat middel in te nemen. Tussen partijen was immers een contract (slaaf-meester) gesloten dat verdachte (de meester) de mogelijkheid gaf om [het slachtoffer] (de slaaf) te dwingen om alcohol of drugs in te nemen.

Aantreffen e-mails en afscheidsbrief

Volgens de verklaringen van diverse vrienden en kennissen van het slachtoffer

past de afscheidsbrief die is aangetroffen niet bij de persoon van [het slachtoffer], niet qua stijl (gebrekkig Engels), niet qua vorm (op de pc gemaakt) en niet qua ondertekening (de voor [het slachtoffer] karakteristieke ondertekening ontbreekt). De brief lijkt te zijn gemaakt door iemand die het Engels beperkt beheerst. Opvallend is dat het NFI enige overeenkomsten noemt met de stijl van schrijven van verdachte.

De afscheidsbrief blijkt na onderzoek door het NFI te zijn vervaardigd op de computer op de werkkamer van [het slachtoffer]. Het document is aangemaakt op 16 juni 2003 om 19.22 uur en is afgesloten om 19.51 uur. De afscheidsbrief is de volgende dag door de politie aangetroffen, in een andere kamer dan waar [het slachtoffer] werd gevonden, namelijk in diens werkkamer, naast de computer.

In deze brief wordt verwezen naar de e-mails van Dave uit Liverpool, waarvan een afdruk samen met de afscheidsbrief naast de computer van [het slachtoffer] is aangetroffen.

Verdachte heeft de afscheidsbrief en de twee geprinte e-mails zelf aan de politie overhandigd. Toen de politie vertelde dat het om een afscheidsbrief ging, toonde verdachte geen enkele interesse. Het gedrag van verdachte bij de vondst van de afscheidsbrief en in het bijzonder verdachtes gebrek aan belangstelling voor de inhoud daarvan dat daaruit spreekt, is naar het oordeel van het hof op zijn zachtst gezegd merkwaardig.

Het voorkomen van subfisteeuk

De e-mailberichten die als afzender vermelden ‘Dave, British fistee from Liverpool’, blijken niet van een Dave uit het Verenigd Koninkrijk afkomstig. Uit digitaal onderzoek is komen vast te staan dat de e-mails zijn verzonden vanaf het IP-adres van het modem van het thuisnetwerk van verdachte en het slachtoffer, via het account subfisteeuk@yahoo.com. Dat bracht het onderzoek op de vraag tot wie dat account / e-mailadres was te herleiden.

Bij digitaal onderzoek in de door verdachte en [het slachtoffer] gebruikte computers thuis en ook op het werk, zijn diverse sporen aangetroffen die duiden op eerder gebruik van voornoemd account. In de thuiscomputer van verdachte zijn volgens Fox-IT 111 sporen aangetroffen, verspreid over 58 bestanden. Op de pc van [het slachtoffer] zijn eveneens documenten aangetroffen waarin ‘subfisteeuk’ voorkomt, maar dan slechts gerelateerd aan de hierboven genoemde, op 16 juni 2003 op die computer binnengekomen e-mails. Op de werkcomputer van verdachte bij zijn werkgever [werkgever verdachte] komt een file voor dat de term ‘subfisteeuk’ bevat, en wel temidden van een serie op de computer uitgevoerde activiteiten die kennelijk te maken hebben met bezoek aan homosites en homoseksuele contacten, gedateerd op 3 maart 2003. Op die dag blijkt gemeld adres vanaf de computer (het werkstation) dat verdachte normaliter gebruikte op zijn werk te zijn bezocht, wat wijst op een actieve benadering van het account ‘subfisteeuk’

Verdachte heeft één en andermaal aangegeven dat hij niets van doen heeft met het e-mailadres subfisteeuk@yahoo.com. Die bewering is naar het oordeel van het hof onjuist en leugenachtig. Hoewel uit het gebruik van een e-mailaccount de identiteit van de fysieke gebruiker daarvan niet met zekerheid kan worden afgeleid, acht het hof niet twijfelachtig dat het verdachte is geweest die op 3 maart 2003 op zijn werkcomputer dat spoor heeft achtergelaten.

Subfisteeuk op 3 maart 2003

In hoger beroep is op verzoek van de verdediging en tegen de achtergrond van meergenoemde ontkenning van verdachte nog uitgebreid onderzoek gedaan naar de vraag of het verdachte is geweest die op 3 maart 2003 op de computer van [werkgever verdachte] heeft ingelogd op subfisteeuk@yahoo.com.

Verdachte heeft over zijn werkzaamheden op 3 maart 2003 verschillende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij eerst gezegd dat hij op 3 maart niet op het werk was, omdat hij de dag daarvoor een feestje had en hij meestal de dag daarna ziek was. Vervolgens heeft hij beweerd dat hij die dag misschien wel op zijn werk geweest is, maar dat niet hij, maar de boekhouder op zijn pc heeft gewerkt, omdat die altijd op zijn pc werkte als hij in het begin of aan het eind van de maand de boekhouding moest doen. In het door de advocaat-generaal geïnitieerde verhoor van de boekhouder heeft de boekhouder evenwel verklaard dat hij op 3 maart 2003 niet bij [werkgever verdachte] is geweest en dat, als hij als boekhouder bij [werkgever verdachte] werkte, hij niet op de pc van verdachte maar op een andere pc werkte. Vervolgens heeft verdachte, met deze uitkomst van het verhoor geconfronteerd, op de laatste zitting desgevraagd gezegd dat het dan niet -zoals hij steeds had gesteld- de boekhouder moet zijn geweest, maar een accountant die op zijn pc heeft gewerkt.

Voor de veronderstelling dat iemand anders dan verdachte op 3 maart 2003 achter de computer (SVO 8.009) van verdachte werkzaam is geweest voor boekhoudkundige werkzaamheden, waarvoor verdachtes werkstation gebruikt zou zijn, is naar het oordeel van het hof geen enkel aanknopingspunt te vinden. Bovendien is gebleken, dat op die 3 maart 2003 met diezelfde PC (die dus op verdachtes werkplek stond, in een open kantoorruimte) gedurende opvallend lange tijd is gesurfd naar allerlei homosites via leather_sa@yahoo.com, hetgeen beslist niet werkgerelateerd kan zijn geweest, maar wel overeenkwam met verdachtes gewoontes, zoals die door een getuige zijn beschreven. Verdachte heeft verklaard dat leather_sa@yahoo.com een van zijn mailadressen is.

De verdediging heeft aangevoerd dat ook [het slachtoffer] toegang had tot de werkplek van verdachte en op 3 maart 2003 achter diens computer bij [werkgever verdachte] in Utrecht moet of kan hebben gewerkt (pleitnota, p. 100). Uit het in opdracht van de verdediging opgemaakte rapport van Fox-IT blijkt dat de thuiscomputers van [het slachtoffer] (SVO 8.005) en verdachte (SVO 8.006) op 3 maart 2003 ’s middags vrijwel gelijktijdig zijn opgestart, terwijl uit een bankafschrift blijkt dat ten laste van verdachtes bankrekening acht minuten daarvoor is gepind bij een tankstation. Daaruit moet volgens de verdediging worden afgeleid dat [het slachtoffer] op de motorfiets van verdachte is meegereden van [werkgever verdachte] naar huis en -zo vult het hof aan- die dag dus ook werkzaam moet zijn geweest op het kantoor van [werkgever verdachte] en dat [het slachtoffer] blijkbaar, zo impliceert het verweer, op het werkstation van verdachte heeft gewerkt of kunnen werken.

Het hof stelt vast, dat deze redenering teveel speculaties bevat om dat aannemelijk te maken.

Naar het oordeel van het hof is het dan ook niet twijfelachtig, dat het verdachte is geweest, die op 3 maart 2003 met die computer in de weer is geweest, en het account subfisteeuk@yahoo.com heeft benaderd.

Subfisteeuk op 20 april 2003

De verdediging heeft naar voren gebracht, dat verdachte op 20 april 2003 niet in Tiel kan zijn geweest; nu blijkens onderzoek op die dag het account subfisteeuk is benaderd vanaf het IP-adres van het modem van het thuisnetwerk van [het slachtoffer] en verdachte, moet [het slachtoffer] degene zijn geweest die dit account heeft gebezigd. Het hof deelt die zekerheid bepaald niet. Op die dag zou verdachte niet in Tiel zijn geweest, hetgeen zijn bevestiging zou vinden in de op 7 februari 2006 afgelegde verklaring van getuige [S.]. De verklaring van [S.], in het bijzonder door diens vaagheden over zijn redenen van wetenschap en de overige omstandigheden in het betreffende weekeinde, maakt naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat de herinnering van die getuige aan 20 april 2003 een zodanig secure is, dat is komen vast te staan dat verdachte niet degene kan zijn geweest die die dag het account ‘subfisteeuk’ vanaf het huisadres in Tiel heeft benaderd.

Onware bewering inzake een mededeling over het tijdstip van overlijden

Verdachte heeft verklaard dat de GGD-arts [H.] hem heeft gezegd dat het tijdstip van overlijden moet zijn geweest op 16 juni 2003 omstreeks 24.00 uur, dus op een moment waarop verdachte niet thuis was. Verdachte heeft verklaard omstreeks die tijd op het Ginkelse Zand te zijn geweest.

Deze getuige is over dit punt diverse malen gehoord en hij heeft op 22 augustus 2005 bij de rechter-commissaris aangegeven dat hij nimmer een tijdstip van overlijden aan verdachte heeft genoemd. Volgens getuige [P.] heeft verdachte hem verteld dat [het slachtoffer] om 24.00 uur was overleden en dat verdachte blij was dat hij er toen niet was.

Het hof kan hieruit slechts afleiden, dat verdachte het heeft willen doen voorkomen, dat gebleken was, dat [het slachtoffer] om het leven was gekomen op een tijdstip, dat hij niet thuis was. Hij heeft dus met een onwaarheid getracht verdenking af te wentelen.

Was [het slachtoffer] suïcidaal?

Namens de verdachte is gesteld dat [het slachtoffer] suïcidaal moet zijn geweest, omdat hij HIV besmet was en omdat hij verdrietig was over het feit dat verdachte van hem zou gaan scheiden. Dat is evenwel in tegenspraak met de verklaringen van diverse vrienden en kennissen van het slachtoffer, die melden dat [het slachtoffer] juist verheugd was dat het einde van zijn relatie met verdachte nabij was. Ook bevinden zich diverse e-mailberichten van [het slachtoffer] met deze strekking bij de stukken. Evenmin is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat [het slachtoffer] HIV-besmet was, nu hierover door verschillende getuigen verschillend is verklaard.

De verdediging heeft onder verwijzing naar de rapportage van Fox-IT betoogd, dat [het slachtoffer] enkele dagen vóór zijn dood op de site van erowid.com heeft gezocht naar nitrazepam (pleitnota, p.103 en p. 54). Het hof constateert, dat de hier bedoelde rapportage door de verdediging niet juist wordt gelezen. Het rapport bevat op dit punt de passage: “Uit onderzoek wordt aannemelijk dat op 14 juni 2003 omtrent 10.45 uur op het werkstation van [het slachtoffer] een website bezocht wordt, waarbij geneesmiddelen en hun werkzame stoffen beschreven worden. Het betreft de website www.erowid.com. Hierop is onder meer de geneesmiddelengroep nitrazepam omschreven”.

Strikt grammaticaal is dat niet onwaar, maar deze informatie is gebrekkig: immers, de site erowid.com bevat inderdaad enige informatie over het middel nitrazepam, maar de site is in feite een bibliotheek met niet minder dan veertigduizend documenten over diverse psychoactieve planten en chemicaliën.

Naar het oordeel van het hof kan uit het digitale onderzoek in het geheel niet worden afgeleid dat op de computer van [het slachtoffer] is gezocht naar informatie over juist nitrazepam. In dit verband is het door de verdediging op dit punt gevoerde alibi-verweer (verdachte was op 14 juni 2003 niet in Tiel en hij kan deze site toen dus niet hebben bezocht) naar het oordeel van het hof dan ook niet relevant.

Zelfmoord door [het slachtoffer], geënsceneerd als moord door verdachte

Namens verdachte is gesteld dat de zelfmoord van [het slachtoffer] tegen de achtergrond van zijn werk als SF-auteur als zeer waarschijnlijk wordt beschouwd (p. 24). De verdediging heeft een aanzienlijk deel van het pleidooi gewijd aan de bespreking van de mogelijkheid dat [het slachtoffer], geïnteresseerd als hij zou zijn geweest in literatuur met het thema zelfmoord, zijn eigen dood -met en passant wraakneming op verdachte door zijn dood op een moord te doen lijken- heeft geënsceneerd. Ter adstructie van het verweer heeft de raadsman gewezen op diverse overeenkomsten tussen het leven van [het slachtoffer] en het leven van de personages die door hem beschreven worden in het sciencefiction-boek “The Hand That Takes”, van de hand van Paul Harland, het pseudoniem van [het slachtoffer].

Bij de beoordeling van dit verweer is in de eerste plaats van belang dat verdachte naar eigen zeggen het manuscript van dat boek (“The Hand That Takes”) had gelezen en dus even zo goed in de lijn van dat boek heeft kunnen opereren. In de tweede plaats blijkt, zoals hiervoor al aan de orde kwam, uit de verschillende contacten van [het slachtoffer] met vrienden dat hij in een zekere berusting uitzag naar het einde van zijn relatie met verdachte en dat hij positief gestemd was over de nabije toekomst. Ook dat pleit tegen de rigoureuze stap die [het slachtoffer] met een zelfmoord zou hebben gezet. In de derde plaats is er de vaststelling dat verdachte op enkele, maar zeer essentiële punten waar het de feiten betreft, aanwijsbaar onwaarheid heeft gesproken. Op grond van dit alles gaat het hof voorbij aan scenario 2, de mogelijkheid dat [het slachtoffer] zelfmoord heeft gepleegd, en daarbij op vernuftige wijze het valse beeld van een moord door verdachte in het leven heeft geroepen.

Afrondende beschouwingen over het bewijs

Hetgeen hiervoor over de verschillende door het hof onderscheiden aspecten van deze zaak werd overwogen vindt bevestiging in het navolgende:

Uit verklaringen van diverse bekenden van [het slachtoffer] volgt dat de verhouding tussen [het slachtoffer] en verdachte in juni 2003 allesbehalve rooskleurig was en zelfs een dieptepunt bereikt had: [het slachtoffer] wilde scheiden. Dat staat in schril contrast met de mededelingen van verdachte ter terechtzitting van het hof van 16 december 2005, waarbij hij heeft verklaard dat zijn relatie met [het slachtoffer] in de periode tussen 10 juni 2003 en 16 juni 2003 zich niet in een crisis bevond. Het hof acht -anders dan de verdachte heeft aangevoerd- wèl aannemelijk dat tussen [het slachtoffer] en verdachte in de dagen voor [het slachtoffers] dood een zodanige verwijdering heeft bestaan, dat dit [het slachtoffer] tot de mededeling heeft gebracht dat hij van verdachte zou gaan scheiden. Het hof leidt uit een e-mailbericht van 12 juni 2003 van [het slachtoffer] aan verdachte af dat verdachte van deze plannen op de hoogte moet zijn geweest. Dit laatste blijkt ook uit de omstandigheid dat verdachte al voordat [het slachtoffer] was overleden, op internet heeft aangegeven dat hij zoekend was naar een nieuwe partner omdat hij binnenkort vrij man zou zijn. In die omstandigheid (de naderende scheiding) en de daaruit mogelijk voortvloeiende consequenties voor verdachtes verblijfsvergunning kan naar ’s hofs oordeel een belangrijk motief worden gevonden voor de moord op [het slachtoffer]. Daarbij komt het voor de hand liggende aanzienlijke financiële voordeel (vergeleken bij een scheiding) voor verdachte bij overlijden van [het slachtoffer].

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden bestempelt het hof verdachtes volgehouden ontkenning dat hij met subfisteeuk@yahoo.com ooit van doen heeft gehad als leugenachtig. Die leugenachtigheid kan geen ander doel en ook geen andere strekking hebben dan om de verbinding tussen hem, verdachte, en de aan de werkgever van [het slachtoffer] gezonden en in de afscheidsbrief van [het slachtoffer] vermelde e-mail te verhullen. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de e-mail van Dave en de afscheidsbrief zijn opgesteld door verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat [het slachtoffer] en verdachte over en weer wel op elkaars thuiscomputers hebben gewerkt en dat ze elkaars wachtwoorden kenden. Het hof heeft in dat licht daarom ook onder ogen gezien de mogelijkheid dat [het slachtoffer] op 16 juni 2003 zich wellicht van vorengenoemd subfisteeuk@yahoo.com-account heeft bediend. Er is echter uit het onderzoek, zoals hiervoor al geschetst, naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat niet [het slachtoffer], maar verdachte deze e-mail en de afscheidsbrief heeft vervaardigd.

De zelfmoordscenario’s (scenario 1 en 2) worden door het hof als ongeloofwaardig terzijde gesteld en het hof acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten raad van het leven heeft beroofd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 17 juni 2003 te Tiel opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, deze [slachtoffer] een hoeveelheid (slaap)middelen, onder meer bevattende nitrazepam, heeft toegediend en vervolgens een plastic zak over het hoofd (tot aan de schouders) van deze [slachtoffer] heeft gedaan en deze plastic zak rond de hals van deze [slachtoffer] heeft dichtgemaakt en vastgeknoopt met een stuk touw, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist en zullen dan in een aan dit arrest te hechten bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen feit of omstandigheid aannemelijk geworden, ook niet uit de multidisciplinaire rapportage van Drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog/psychotherapeut en Dr. H.E.M. van Beek, psychiater, gedateerde 27 mei 2004, waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, nadat de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar had geëist. De advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd dat het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren zal opleggen.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte op een zeer berekenende wijze [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Moord is een van de zwaarste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. De dood van [het slachtoffer] heeft bij de nabestaanden, maar ook bij vrienden en kennissen, groot leed veroorzaakt.

Verdachte is volledig verantwoordelijk voor de moord op zijn partner [het slachtoffer]. De uitvoering van de moord en de volhardendheid waarmee verdachte van meet af aan zijn rol in de dood van [het slachtoffer], met beschadiging van de herinnering aan diens persoon, verborgen heeft willen houden, is naar het oordeel van het hof niet anders te omschrijven dan koelbloedig en geraffineerd. Daarom is een forse gevangenisstraf passend en geboden. Het hof ziet evenwel -anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd- geen reden om een hogere straf op te leggen dan de rechtbank reeds heeft gedaan.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 41,84 ingesteld. De rechtbank heeft op deze vordering geen beslissing gegeven. Het hof zal dit alsnog doen, nu de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof acht niet voldoende gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks door verdachtes bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt, doch een vorm van schade is die in een te ver verwijderd verband tot verdachtes handelen staat voor toewijzing in het kader van dit strafproces. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [benadeelde] toegebrachte schade:

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr M. Barels, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr B.P.J.A.M. van der Pol, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr H.G. Kuipers, griffier,

en op 7 maart 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.