Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV3349

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
06-03-2006
Zaaknummer
21-007632-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Uitspraak in een ontvoeringszaak van een tweejarig meisje naar Libie. Veroordeling tot 3 jaar gevangenisstraf".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-007632-04

Uitspraak d.d.: 3 maart 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 28 december 2004 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 juni 2005, 9 september 2005, 5 december 2005, 17 februari 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat zij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij zij ter zake van het onder 1 tenlastegelegde werd vrijgesproken en voor het openbaar ministerie geldt blijkens de opgave van de advocaat-generaal hetzelfde, zodat het hof verstaat dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging nader is omschreven, dat:

1.

[medeverdachte] op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van

Twente, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade een vrouw genaamd [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte] en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape

en een zitbank over het slachtoffer heengelegd,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks 9

augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland en

België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

· [medeverdachte] haar auto voor vervoer naar Goor ter beschikking te stellen

· [medeverdachte] te vergezellen naar Goor,

· op verzoek van [medeverdachte] voorzien van koord en tape naar de woning van het

slachtoffer te gaan

· tezamen met [medeverdachte] het slachtoffer vast te binden met koord en te omwikkelen

· aan [medeverdachte] (stukken) koord en of (stukken) tape aan te geven voor het

omwikkelen van het hoofd en de hals van het slachtoffer

· het slachtoffer onder controle te houden gedurende de tijd dat [medeverdachte] de

dochter van het slachtoffer wegbracht

· [medeverdachte] vanaf de plaats van misdrijf te vervoeren naar het buitenland.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een vrouw genaamd [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft

gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)

haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape, de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape

een zitbank over het slachtoffer heengelegd en de woning met daarin het slachtoffer slotvast afgesloten, terwijl dat feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

art 282 lid 3 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van

Twente, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een vrouw genaamd

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd

heeft gehouden, immers heeft/hebben [medeverdachte] en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape,

een zitbank over het slachtoffer heengelegd en

de woning met daarin het slachtoffer slotvast afgesloten,

terwijl dat feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks 9

augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging

met anderen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door

· [medeverdachte] haar auto voor vervoer naar Goor ter beschikking te stellen

· [medeverdachte] te vergezellen naar Goor,

· op verzoek van [medeverdachte] voorzien van koord en tape naar de woning van het

slachtoffer te gaan

· tezamen met [medeverdachte] het slachtoffer vast te binden met koord en te omwikkelen

met tape

· aan [medeverdachte] (stukken) koord en of (stukken) tape aan te geven voor het

omwikkelen van het hoofd en de hals van het slachtoffer

· het slachtoffer onder controle te houden gedurende de tijd dat [medeverdachte] de

dochter van het slachtoffer wegbracht

· [medeverdachte] vanaf de plaats van misdrijf te vervoeren naar het buitenland.

art. 48 Wetboek van Strafrecht

art 282 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente,

althans in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, een

meisje, genaamd [dochtertje] (geboren 24 augustus 2001), over de grenzen

van het Rijk in Europa heeft gevoerd, met het oogmerk die [dochtertje] wederrechtelijk

(te weten zonder instemming van de moeder en met voorbijgaan aan officiële

procedures met betrekking tot het gezag, de omgangsregeling en de

verblijfplaats betreffende minderjarigen, alsmede met gebruikmaking van een

vervalst paspoort, alsmede in de wetenschap dat het handelen van verdachte en

haar mededaders zou leiden tot een situatie waarin [medeverdachte] niet langer het

wettelijk gezag over [dochtertje] zou uitoefenen) onder de macht van [medeverdachte] of

diens familieleden, althans anderen te brengen en/of die [dochtertje] in een (gezien

haar leeftijd en het feit dat haar moeder wederrechtelijk van haar vrijheid

was beroofd en/of om het leven was gekomen) hulpeloze toestand te verplaatsen.

art 278 Wetboek van Strafrecht

4.

zij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2004 tot en met 30 november

2004, althans de periode van 20 augustus 2004 tot en met 30 november 2004 te

Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland en in België en

Libië, tezamen en in vereniging met anderen, een minderjarig meisje, genaamd

[dochtertje] (geboren 24 augustus 2001), heeft onttrokken aan het wettig

over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat

gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende,

terwijl de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en

terwijl bij het plegen van het feit list, geweld en/of bedreiging met geweld

zijn gebezigd, immers hebben verdachte en/of haar mededaders een afspraak met

de moeder (hierna ook te noemen het slachtoffer) van [dochtertje]

gemaakt, zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape;

art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 aanhef/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 9 augustus 2004 tot en met 30

november 2004, althans de periode van 20 augustus 2004 tot en met 30 november

2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, althans in

België en/of Libië, tezamen en in vereniging met anderen, een minderjarig

meisje, genaamd [dochtertje] (geboren 24 augustus 2001), heeft

onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het

opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende,

terwijl de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en

terwijl bij het plegen van het feit list, geweld en/of bedreiging met geweld

zijn gebezigd, immers hebben [medeverdachte] en/of diens mededaders een afspraak met de

moeder (hierna ook te noemen het slachtoffer) van [dochtertje]

gemaakt,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks 9

augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland,

België en Libië tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door

· [medeverdachte] haar auto voor vervoer naar Goor ter beschikking te stellen

· [medeverdachte] te vergezellen naar Goor,

· op verzoek van [medeverdachte] voorzien van koord en tape naar de woning van het

slachtoffer te gaan

· tezamen met [medeverdachte] het slachtoffer vast te binden met koord en te omwikkelen

met tape

· aan [medeverdachte] (stukken) koord en of (stukken) tape aan te geven voor het

omwikkelen van het hoofd en de hals van het slachtoffer

· het slachtoffer onder controle te houden gedurende de tijd dat [medeverdachte] de

dochter van het slachtoffer wegbracht

· [medeverdachte] en [dochtertje] vanaf de plaats van misdrijf te vervoeren naar het buitenland

· [dochtertje] met behulp van een vervalst paspoort op een luchthaven in België langs

de paspoortcontrôle te voeren

· [dochtertje] per vliegtuig naar Libië over te brengen

art 279 lid 2 Wetbek van Strafrecht

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 11 augustus 2004 te

's-Gravenhage en/of Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland en in

België, tezamen en in vereniging met een ander, in het bezit was van een

reisdocument, te weten een haar, verdachte toebehorend Nederlands paspoort,

waarvan zij en/of haar mededader(s) wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden

dat het reisdocument vals of vervalst was, welke valsheid/vervalsing eruit

bestond dat in het paspoort in strijd met de waarheid en door anderen dan de

daartoe bevoegde instanties, met een andere dan de daartoe voorgeschreven

printer en in een andere dan de daartoe voorgeschreven volgorde voor gegevens

stond bijgeschreven (als kind van verdachte):

"[naam dochtertje]".

met tape

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Het hof merkt op dat de tenlastelegging onder 2 subsidiair een kennelijke misslag bevat voor zover in die tekst is opgenomen de woorden:

”tezamen met [medeverdachte] het slachtoffer vast te binden met koord en te omwikkelen

met tape

· aan [medeverdachte] (stukken) koord en of (stukken) tape aan te geven voor het

omwikkelen van het hoofd en de hals van het slachtoffer

· het slachtoffer onder controle te houden gedurende de tijd dat [medeverdachte] de

dochter van het slachtoffer wegbracht

· [medeverdachte] vanaf de plaats van misdrijf te vervoeren naar het buitenland”.

Het hof laat dit gedeelte verder buiten beschouwing.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ambtshalve overweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof stelt vast dat de aan verdachte onder 3, 4 en 5 telastegelegde feiten, voor zover gepleegd in België, aldaar bij de wet strafbaar zijn gesteld, terwijl deze feiten door het Wetboek van Strafrecht telkens als een misdrijf worden beschouwd, zodat de Nederlandse strafwet op grond van het bepaalde in artikel 5, lid 1 onder 2, van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is op verdachte.

Voor feit 4 geldt dat niet gebleken is dat een dergelijk feit in Libië strafbaar is. Daarom moet het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

Nadere overweging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

De tenlastelegging onder 4 voldoet naar het oordeel van het hof aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht aan een geldige dagvaarding stelt. Het verwijt dat verdachte en haar mededaders of daders het meisje waarom het gaat “hebben onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag...” is naar het oordeel van het hof in zijn omschrijving (ook) voldoende feitelijk.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Bewijsoverweging

1. De verdediging heeft zich met een beroep op na te melden rapportage geconcentreerd op twee thema’s: het heeft verdachte aan opzet ontbroken en verdachte heeft gehandeld onder zo’n zware druk van [medeverdachte], de vader van [dochtertje], dat sprake is geweest van psychische overmacht. Beide verweren steunen in wezen op die druk en de gevolgen daarvan voor het handelen van verdachte en haar mogelijkheden om anders te handelen dan zij deed en beide verweren zijn zo verweven dat de rapportage van het Pieter Baan Centrum en de bevindingen die daarin liggen besloten ook al bij de bewijsbeslissing aan de orde moeten komen.

2 Bij de beoordeling van het eerste van deze beide verweren (geen opzet), dat de bewijsbeslissing direct raakt, is allereerst van belang de vraag of het hof bewijs kan ontlenen aan de verklaring die verdachte op 16 september 2004 heeft afgelegd. Op die datum heeft verdachte, kort samengevat verklaard:

? dat [medeverdachte] haar, verdachte, thuis tweemaal heeft overvallen en toen eerste de mond heeft beplakt en een paar dagen later hij haar polsen en enkels vastgebonden heeft...;

? dat [medeverdachte] haar bij drie verschillende gelegenheden heeft gezegd dat hij [slachtoffer] zou vastbinden en zou opsluiten zodat hij met zijn dochter, het land zou kunnen uitkomen...;

? dat ze in Goor besefte dat er iets niet klopte en dat [medeverdachte] mogelijk helemaal geen afspraak had gemaakt met [slachtoffer] en dat ook andere feiten op die dag niet klopten....

3. Volgens verdachte is deze verklaring niet juist waar het gaat om het eerste en het derde element; verdachte zou dat onder grote druk maar in strijd met de waarheid hebben toegegeven. Daarbij is van belang dat met dit verweer volgens de verdediging uitdrukkelijk niet bedoeld is te stellen dat verdachte bij dat verhoor, het zogenaamde dertiende verhoor, anders verklaard heeft dan in het daarvan opgemaakte proces-verbaal is opgetekend en evenmin dat verbalisanten op verdachte ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend: beide, volgens de verdediging feitelijk onjuiste elementen, zouden in die verklaring terecht zijn gekomen onder invloed van de inwerking op verdachte van haar jarenlange uiterst problematische relatie met [medeverdachte] en alle psychische gevolgen die deze relatie op haar heeft gehad en terwijl zij nog in shocktoestand verkeerde als gevolg van de afschuwelijke geschiedenis waarin zij daardoor betrokken is geraakt.

4. Naar aanleiding van dit verweer zijn de beide verbalisanten die het dertiende verhoor hebben afgenomen gehoord door de rechter-commissaris. Deze verhoren bieden geen steun aan dat verweer. Uit de verklaring van de verbalisant [---] blijkt dat verdachte, bekend was met het eventuele gevolg, te weten dat wat zij van plan was te gaan zeggen en later opgetekend is, een veel ongunstiger beeld zou kunnen doen ontstaan over haar betrokkenheid bij - kort gezegd - de ontvoering van [dochtertje], en dat verdachte zich, dat bewust, (toch) wilde ontlasten van wat zij na de twaalf eerdere verhoren nog op het hart had. De neerslag van dat verhoor in het daarvan opgemaakte proces-verbaal laat dat ook zien. De hof citeert uit dat proces-verbaal:

“Ik heb er lang over nagedacht dat wat ik u ga vertellen, of ik dat überhaupt zou moeten vertellen. Ik ben echter tot de conclusie gekomen om het u toch te gaan vertellen omdat ik hier anders niet mee kan leven. Aan de andere kant heb ik getwijfeld of ik het zou moeten vertellen omdat ik de vrees heb, dat door de mensen van de Rechtbank, met name de Officier, mijn informatie verkeerd wordt opgevat en in mijn nadeel gaan gebruiken. …

(en verderop)

Ik heb er lange tijd over nagedacht of ik al dan niet het volledige verhaal moest vertellen. Na rijp beraad ga ik het toch doen. Voor mijzelf, omdat ik er anders toch niet mee verder kan leven, en ook in de hoop dat de mensen van Justitie goed zullen omgaan met de informatie die ik nu ga verstrekken”.

5. Op enig moment tussen de datum waarop dat verhoor werd afgenomen -16 september 2004- en de inhoudelijke behandeling van de zaak door de rechtbank op 16 december 2004, noch bij gelegenheid van die behandeling, waarbij die verklaring is voorgehouden, heeft verdachte geklaagd of doen klagen over de omstandigheden waaronder deze verklaring tot stand gekomen zou zijn of over de feitelijke onjuistheid van hetgeen zij toen heeft verklaard.

6. Het hof komt tot de slotsom dat die onderdelen van hetgeen door verdachte tijdens haar verhoor op 16 september 2004 is verklaard, welke voor het bewijs worden gebezigd, een betrouwbare weergave vormen van hetgeen verdachte in werkelijkheid heeft waargenomen en ondervonden.

7. Mede op grond van verdachtes verklaring van 16 september 2004 (het dertiende verhoor) gaat het hof ervan uit dat verdachte op enig moment tussen mei 2004 (toen zij het vervalste paspoort onder ogen kreeg) en juni 2005 (in welke maand [medeverdachte] haar dat vertelde) moet hebben beseft of kunnen beseffen dat [medeverdachte] met plannen rondliep om [dochtertje], goedschiks of kwaadschiks, mee te nemen naar Libië en dat daarbij een rol voor haar, verdachte was weggelegd omdat haar paspoort intussen was ingericht om een meisje van de leeftijd van [dochtertje] te laten reizen. Uit dit laatste moet ook verdachte hebben afgeleid dat [medeverdachte] zelf blijkbaar verwachtte dat hij langs reguliere weg (waarvoor de medewerking van de moeder nodig zou zijn geweest) niet aan een geschikt reisdocument voor [dochtertje] zou kunnen komen.

8. Het verweer dat het opzet ter discussie stelt is, als gezegd, gebaseerd op de rapportage van het PBC. In die rapportage wordt beschreven hoe en waarom en met welke gevolgen verdachte in een psychische toestand is komen te verkeren waarbij -kort samengevat- ten tijde van de ten laste gelegde feiten door het patroon van mishandelingen die zij van de kant van [medeverdachte] had moeten ondergaan bij haar sprake was van een chronische posttraumatische stressstoornis. Ten gevolge daarvan was zich bij haar, gezien de symptomen die zij aan rapporteurs heeft beschreven, een depressie aan het ontwikkelen waardoor zij volgens rapporteurs in mindere mate dan vanuit een gezonde toestand verwacht kon worden, feitelijkheden en gebeurtenissen kon inprenten en van een adequate contextuele betekenis voorzien.

9. Volgens de verdediging doen deze bevindingen zich niet alleen gelden bij de vraag in hoeverre de aan verdachte verweten gedragingen, eenmaal bewezen, aan haar kunnen worden toegerekend, maar raken zij ook het opzet te meer waar de verschillende aan verdachte verweten en concreet door haar verrichte gedragingen alle tamelijk ‘kleurloos’ of ‘neutraal’ zijn en dwingen zij als gedraging zelf niet tot de conclusie dat opzettelijk (en dan kennelijk betrokken op het kader waarin zij moeten worden beschouwd: de ontvoering van [dochtertje]) is gehandeld. Het hiervoor onder sub 7 beschreven onvermogen om feitelijkheden en gebeurtenissen in te prenten en van een adequate contextuele betekenis te voorzien belette verdachte, bracht het onvermogen mee, om te overzien welke rol [medeverdachte] voor haar in gedachten had bij zijn voornemen om [dochtertje] goedschiks of kwaadschiks mee te nemen naar Libië.

10. Het verweer miskent dat verdachte, zoals hiervoor werd overwogen, wist of moet hebben geweten in welk plan de haar toebedachte handeling c.q. gedragingen pasten. De rapportage van het PBC laat zien dat verdachte wel, zij het verminderd, inzicht had in de plannen waarmee [medeverdachte] in de weer was en in de rol die daarbij voor haar was weggelegd. Dat blijkt ook uit het dertiende verhoor waarin verdachte zegt dat zij, toen ([medeverdachte]) tot driemaal toe erover begon dat hij [dochtertje], desnoods tegen de zin van haar moeder, mee wenste te nemen naar Libië, tegenover hem gereageerd heeft met “dat hij iedereen de tijd moest gunnen”, “dat zij vond dat hij de zaak wilde forceren” en dat zij hem vroeg “waar hij mee bezig was”, doelend op het vastbinden etc. Het hof komt dan ook tot de vaststelling dat verdachte zich ook heeft gerealiseerd dat er een aanmerkelijke kans was dat [medeverdachte], die zij kende als een dwingeland, een tiranniek man, zijn zin in dit opzicht wel eens zou kunnen doordrijven zoals dat gebeurd is. Daarbij betrekt het hof dat verdachte wist dat [medeverdachte] het meisje al eens eerder (verdachte verklaart daarover tijdens haar eerste verhoor) had ontvoerd. Door toch, desondanks, op 9 augustus 2004 mee af te reizen naar Goor, waar [dochtertje] zou worden opgehaald, en vervolgens verder, naar België (Zaventem) en door zelf met het vervalste paspoort verder te reizen en dusdoende mogelijk te maken dat met [dochtertje] verder werd gereisd naar Libië, kan niet gesproken worden over een aantal, van elkaar los staande ‘kleurloze’ of neutrale’ handelingen waaruit opzet als zodanig niet zonder meer valt af te leiden. Het hof beziet die handelingen in samenhang met elkaar, als een complex van handelingen waaruit onmiskenbaar het opzet van verdachte blijkt. De vraag welke betekenis moet worden toegekend aan de -onmiskenbaar grote- druk op verdachte die bij dit alles van [medeverdachte] (van zijn persoon en van de wijze waarop hij met verdachte placht om te gaan) is uitgegaan komt -opnieuw - verderop aan de orde bij de eventuele straftoemeting.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2 subsidiair, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2 subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van

Twente, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een vrouw genaamd

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd

heeft gehouden, immers heeft/ hebben [medeverdachte] en /of (een of meer van)

zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam, het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape, de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape, een zitbank over het slachtoffer heengelegd en de woning met daarin het slachtoffer slotvast afgesloten,

terwijl dat feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging

met anderen, opzettelijk gelegenheid, een middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door [medeverdachte] haar auto voor vervoer naar Goor ter beschikking te stellen.

· [medeverdachte] te vergezellen naar Goor,

· op verzoek van [medeverdachte] voorzien van koord en tape naar de woning van het

slachtoffer te gaan

· tezamen met [medeverdachte] het slachtoffer vast te binden met koord en te omwikkelen

met tape

· aan [medeverdachte] (stukken) koord en of (stukken) tape aan te geven voor het

omwikkelen van het hoofd en de hals van het slachtoffer

· het slachtoffer onder controle te houden gedurende de tijd dat [medeverdachte] de

dochter van het slachtoffer wegbracht

· [medeverdachte] vanaf de plaats van misdrijf te vervoeren naar het buitenland.

3.

zij op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente,

althans in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, een

meisje, genaamd [dochtertje] (geboren 24 augustus 2001), over de grenzen

van het Rijk in Europa heeft gevoerd, met het oogmerk die [dochtertje] wederrechtelijk

(te weten zonder instemming van de moeder en met voorbijgaan aan officiële

procedures met betrekking tot het gezag, de omgangsregeling en de

verblijfplaats betreffende minderjarigen, alsmede met gebruikmaking van een

vervalst paspoort), alsmede in de wetenschap dat het handelen van verdachte en

haar mededaders zou leiden tot een situatie waarin [medeverdachte] niet langer het

wettelijk gezag over [dochtertje] zou uitoefenen) onder de macht van [medeverdachte] of

diens familieleden, althans anderen te brengen. en/of die [dochtertje] in een (gezien

haar leeftijd en het feit dat haar moeder wederrechtelijk van haar vrijheid

was beroofd en/of om het leven was gekomen) hulpeloze toestand te verplaatsen.

4 primair

zij in of omstreeks de periode van op 9 augustus 2004 tot en met 30 november

2004, althans de periode van 20 augustus 2004 tot en met 30 november 2004 te

Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland en in België en

Libië, tezamen en in vereniging met anderen, een minderjarig meisje, genaamd

[dochtertje] (geboren 24 augustus 2001), heeft onttrokken aan het wettig

over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat

gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende,

terwijl de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en

terwijl bij het plegen van het feit list, geweld en/of bedreiging met geweld

zijn is gebezigd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar heeft een mededaders een afspraak met de moeder ( hierna ook te noemen het slachtoffer) van [dochtertje]

gemaakt,

? zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

? het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

? slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

? het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

? het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

? de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape;

5.

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 11 augustus 2004 te

's-Gravenhage en/of Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, en in

België, telkens tezamen en in vereniging met een ander, in het bezit was van een

reisdocument, te weten een haar, verdachte toebehorend Nederlands paspoort,

waarvan zij en/of haar mededader(s) wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden

dat het reisdocument vals of vervalst was, welke valsheid/vervalsing eruit

bestond dat in het paspoort in strijd met de waarheid en door anderen dan de

daartoe bevoegde instanties, met een andere dan de daartoe voorgeschreven

printer en in een andere dan de daartoe voorgeschreven volgorde voor gegevens

stond bijgeschreven (als kind van verdachte):

".[naam dochtertje]".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van mensenroof.

ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld is gebezigd en terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Voor wat betreft de periode tot 15 juni 2004: Het in zijn bezit hebben van een reisdocument, waarvan hij weet dat het vervalst is (artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht oud)

en

Voor wat betreft de periode na 15 juni 2004: Het in zijn bezit hebben van een reisdocument, waarvan hij weet dat het vervalst is (artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht nieuw).

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot verdachte en haar strafbaarheid is een rapport uitgebracht op 5 november 2004 door C.J.F. Kemperman, zenuwarts te Leek, met assistentie van E.F. Balder, psycholoog. Tevens is een rapport uitgebracht op 30 november 2005 door J.B. Seinen, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige bij het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek, te Utrecht.

Met de betrekking tot de persoon van verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder gelet op voornoemd rapport opgemaakt op 30 november 2005 door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Deze concluderen dat verdachte ten tijde van de haar tenlastegelegde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens en dat deze feiten haar slechts in verminderde mate kunnen worden aangerekend.

Op grond van de bevindingen van deze deskundigen, en hun conclusie overnemend, komt het hof tot het oordeel dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in verminderde mate moeten worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, het medeplegen van mensenroof, het medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent terwijl list en geweld zijn gebezigd en terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is en het in het bezit hebben van een vervalst reisdocument, na een eis van de officier van justitie tot veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. De advocaat-generaal heeft, het medeplegen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wèl bewezen achtend, gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren wordt opgelegd.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor de keuze van de op te leggen straf is het navolgende van belang:

Verdachte heeft een cruciale rol gespeeld bij de realisering van de plannen die [medeverdachte] had om zijn dochtertje naar Libië mee te voeren. Verdachte heeft beseft dat [medeverdachte] deze plannen, desnoods kwaadschiks (zoals is gebeurd) zou uitvoeren. Zij heeft evenwel niet ingegrepen maar is desondanks op 9 augustus 2004 meegegaan naar Goor, waar [medeverdachte], met een mededader, de moeder overmeesterd heeft en gedood, om het meisje mee te kunnen nemen en verdachte is vervolgens met [medeverdachte] en zijn dochtertje naar Libië gereisd. Tegen deze achtergrond past in beginsel, voor de bewezenverklaarde feiten, geen andere straf dan gevangenisstraf van zeer lange duur. Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte niet betrokken is geweest bij de doodslag op de moeder van het meisje.

In het voordeel van verdachte weegt het hof evenwel mee dat aannemelijk is dat verdachte gehandeld heeft onder de bijzonder grote druk die [medeverdachte] in alle jaren dat zij met hem omging op haar heeft gelegd en de in meergenoemde rapportage beschreven gevolgen daarvan voor haar vermogen om zich een eigen oordeel te vormen, overzicht te houden in wat zich aftekende en in weerwil van de dwingende manier van optreden van [medeverdachte] toch nog een eigen koers te kiezen en verantwoordelijkheid te nemen. Dat verdachtes vermogen om dat te doen destijds niet geheel teloor was gegaan, heeft het hof, met het oordeel dat de feiten haar in verminderde mate kunnen worden toegerekend, reeds uitgesproken.

In het voordeel van verdachte houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat het initiatief voor de bewezenverklaarde feiten niet van haar is uitgegaan. In een en ander vindt het hof redenen om de op te leggen straf lager te stellen dan -als gezegd- op zich zou passen bij de buitengewone ernst, aard en gevolgen van de bewezenverklaarde feiten en de bijzonder ernstige gevolgen daarvan alleen. Het hof zal daarom volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf van 3 jaar.

Tevens heeft het hof in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het ten name van verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

De vordering van de benadeelde partij [---]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld ten bedrage van € 13.910,06. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.910,06. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Gelet op de materiële en immateriële gevolgen die het overlijden van [slachtoffer] en de ontvoering van [dochtertje] voor de benadeelde partij hebben gehad, staat niet ter discussie dat zij, de benadeelde partij, schade heeft geleden. Verdachte is niet als deelnemer direct betrokken geweest bij de dood van [slachtoffer] zodat het hof in het bestek van deze strafzaak niet tot een beslissing over de dientengevolge geleden schade kan komen. Voor de schade die het gevolg is van de ontvoering van [dochtertje] geldt dat kwestieus is of dergelijke, daardoor veroorzaakte schade, voor vergoeding in aanmerking komt.

De vordering is wat dit onderdeel betreft derhalve niet van zodanige aard dat daarover thans inhoudelijk kan worden beslist. De benadeelde partij kan derhalve niet in haar vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 48, 49, 57, 231(oud) en 231 (nieuw), 278, 279 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk voor zover het betreft feit 4 voorzover het feit is begaan te Libië.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 2 subsidiair, 3, 4 primair, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [benadeelde partij] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [--], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr C.G. Nunnikhoven en mr A.P. Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier,

en op 3 maart 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.