Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV2216

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
22-02-2006
Zaaknummer
04-01084
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:AZ4335
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:AZ4335
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK3086, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns

Objectieve kenmerken bepalen de indeling in GN posten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/35.2.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

Nummer 04/01084

U i t s p r a a k

op het beroep van X BV te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslagen accijns.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Het geding betreft de navolgende naheffingsaanslagen:

Datum aanslag tijdvak accijns

1. 17-09-03 jul-03 € 53.516

2. 15-10-03 aug-03 € 42.816

3. 17-02-04 sep-03 € 44.057

4. 17-02-04 okt-03 € 32.442

5. 17-02-04 nov-03 € 64.748

6. 4-03-04 dec-03 € 121.908

7. 7-04-04 jan-04 € 33.419

8. 7-05-04 feb-04 € 30.278

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen bij één uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 december 2005 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, haar gemachtigde alsmede de Inspecteur.

1.5. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is producent van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken. Belanghebbende is vergunninghouder van een Accijns Goederen Plaats (AGP) als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de accijns (hierna: de Wet).

2.2. De producten van belanghebbende bevatten zowel gegiste als gedistilleerde alcohol. Belanghebbende heeft desgevraagd de Inspecteur een overzicht van de accijnsproducten, met een bijbehorende receptuur verstrekt. Hieruit blijkt dat de producten waarvan de indeling in geschil is volgens de receptuur per 1000 liter product 145 liter absolute alcohol bevatten. In een percentage uitgedrukt betekent dit een alcoholpercentage van 14,5 percent waarvan 12 percent-punten toegevoegde, gedistilleerde, alcohol betreft en 2,5 percent-punten alcohol afkomstig uit vergisting. Uit dit basis- of tussenproduct worden de eindproducten “Product A” en “Product B” vervaardigd. Voor het vervaardigen van deze eindproducten dient uiteindelijk nog room en suiker te worden toegevoegd. Ook de producten waarvan de oude voorraden in de naheffingsaanslagen zijn begrepen zijn uit een basisproduct vervaardigd met een alcoholsamenstelling als hier beschreven.

2.3. Tot 1 januari 2003 werden de hiervoor bedoelde producten ingedeeld onder tariefpost 2206 van de GN.

2.4. In het Besluit van 15 januari 2003, nr. CPP 2002/3563M (hierna: het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën het standpunt ingenomen dat dranken die zowel gegiste alcohol als gedistilleerde alcohol bevatten op grond van indelingsregel 1 moeten worden ingedeeld onder tariefpost 2208 van de GN. In het Besluit wordt goedgekeurd dat, ook indien gedistilleerde alcohol is toegevoegd, goederen ingedeeld mogen worden onder tariefpost 2206, zolang maar meer dan 50% van het totale alcoholpercentage blijft bestaan uit gegiste alcohol. Tussen partijen staat vast dat aan deze voorwaarde niet wordt voldaan.

2.5. De Inspecteur neemt met ingang van 1 januari 2003 het standpunt in dat, op grond van de alcoholsamenstelling en de aard van de in geding zijnde producten, indeling daarvan onder tariefpost 2208 van de GN moet plaatsvinden. Teneinde het belanghebbende mogelijk te maken door een wijziging van de receptuur in te spelen op zijn gewijzigde standpunt heeft de Inspecteur toegestaan dat de in geding zijnde producten tot 1 juli 2003 ingedeeld bleven onder de tariefpost 2206 van de GN. De noodzakelijke aanpassing van de receptuur is eerst met ingang van 1 januari 2004 geëffectueerd. De naheffingsaanslagen die zijn opgelegd over januari en februari 2004 hebben betrekking op oude voorraden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht de accijns heeft nageheven. Het geschil spitst zich toe op de tariefindeling van de onderhavige producten.

3.2. Belanghebbende is van mening dat de producten ingedeeld kunnen blijven onder tariefpost 2206 van de GN en daarmee als “niet-mousserende tussenproducten” in de zin van artikel 11b van de Wet moeten worden beschouwd. De Inspecteur bepleit indeling onder tariefpost 2208 van de GN en dus als “overige alcoholhoudende producten” in de zin van artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd, is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zake van de uitslag van accijnsgoederen uit de AGP wordt accijns verschuldigd op grond van artikel 52 van de Wet. Voor het accijnstarief sluit de Wet aan bij de indeling van goederen onder de tariefposten van de gecombineerde nomenclatuur (GN) zoals deze ook van toepassing zijn voor het douanetarief.

Indeling in de GN

4.2. De door partijen voorgestane tariefposten luiden – voor zover van belang - als volgt:

Post 2206

2206 00 Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honingdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen:

(...)

- andere:

(...)

- - niet mousserend, in verpakkingen inhoudende:

2206 00 93 - - - niet meer dan 2 l:

2206 00 99 - - - meer dan 2 l:

Post 2208

2208 00 Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

2208 20 - dranken, gedistilleerd uit wijn of druivenmoer:

- - in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l:

(...)

2208 20 19 - - - andere

- - in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l:

(...)

2208 20 89 - - - andere:

(...)

2208 90 - andere:

(...)

- - wodka met een alcohol-volumegehalte van niet meer dan 45,4% Vol, pruimebrandewijn, perebrandewijn en kersebrandewijn, in verpakkingen inhoudende:

- - - niet meer dan 2 l:

2208 90 31 - - - - wodka

2208 90 33 - - - - pruimebrandewijn, perebrandewijn en kersebrandewijn

- - andere gedistilleerde dranken en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende:

- - - niet meer dan 2 l:

- - - - gedistilleerde dranken:

2208 90 51 - - - - - uit fruit:

2208 90 53 - - - - - andere

- - - - - - andere:

2208 90 55 - - - - likeuren

2208 90 59 - - - - andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten

- - - meer dan 2 l:

- - - - gedistilleerde dranken:

2208 90 71 - - - - - uit fruit

2208 90 73 - - - - - andere

2208 90 79 - - - - likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten

(...)

4.3. Indelingsregel 1 voor de interpretatie van de GN luidt: “(...) voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.”

4.4. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen zoals omschreven in de tekst van de tariefpost en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken. Voorts heeft het HvJ EG geoordeeld dat voor alcoholhoudende dranken de oorsprong, wijze van vervaardiging en organoleptische eigenschappen, zoals met name de smaak en alcoholgehalte de relevante objectieve kenmerken en eigenschappen zijn (vgl. HvJ EG 11 augustus 1995, gevoegde zaken nrs. C-367/93 – C-377/93).

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat van de in geding zijnde producten het alcoholgehalte niet grotendeels wordt verkregen door vergisting als bedoeld in tariefpost 2206. De mengsels bevatten, gezien de verklaringen van partijen en de overgelegde receptuur, grotendeels gedistilleerde alcohol en voor een kleiner deel gefermenteerde alcohol verkregen uit gegist appelconcentraat (vruchtenwijn).

4.6. Het Hof is van oordeel dat de herkomst van de producten, de receptuur, het procédé (vergisting en distillatie) en het alcoholpercentage als objectieve kenmerken van het product dienen te worden beschouwd. Voorts is kenmerkend voor de producten dat er suiker, aroma’s en smaken zijn toegevoegd. Gelet op voornoemde objectieve kenmerken komen de producten naar het oordeel van het Hof, op basis van indelingsregel 1, in aanmerking voor indeling onder tariefpost 2208 van de GN.

4.7. Het Hof kan het standpunt van belanghebbende niet delen dat de indeling van de goederen dient te geschieden in de GN zoals deze gold en werd toegepast op 19 oktober 1992; dit betoog vindt geen steun in het recht.

Bestendige gedragslijn

4.8. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur, tot het moment van inwerkingtreding van het Besluit een bestendige gedragslijn heeft gevolgd door het onderhavige product onder tariefpost 2206 in te delen, waaraan belanghebbende het vertrouwen mocht ontlenen dat deze indeling in overeenstemming met de communautaire indeling in de GN was.

4.9. Het Hof is van oordeel dat, mede gelet op het arrest van het HvJ EG, zaken C-133/02 en C-134/02, Timmermans Transport & Logistics BV, de douaneautoriteiten in principe de mogelijkheid hebben hun standpunt omtrent de interpretatie van de voor de tariefindeling van goederen toepasselijke wettelijke bepalingen te wijzigen. De Inspecteur heeft in dezen bij het wijzigen van de gedragslijn een overgangstermijn van zes maanden in acht genomen, die in overeenstemming is met de overgangstermijn zoals opgenomen in de artikelen 9, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 6, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.

4.10. Belanghebbendes beroep op het vertouwen ontleend aan de bestendige gedragslijn kan derhalve niet slagen.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan op 26 januari 2006 door mr. Polak, voorzitter, mrs. Kooijmans en Ettema, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

(S. Darwinkel ) (J.P.M. Kooijmans)

Bij verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Kooijmans.

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 februari 2006.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij: de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20 303, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.