Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV2209

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-01-2006
Datum publicatie
22-02-2006
Zaaknummer
05-00245
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARN:2005:AT2691
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algemeen

Gedeeltelijke vergoeding voor uit in de bezwaarfase gemaakte rechtsbijstandkosten bestaande schade als gevolg van onrechtmatig opgelegde aanslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/36.2 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 05/00245/inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

U i t s p r a a k

op het verzoek van X (hierna: belanghebbende) te Z tot vergoeding van schade op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht en tot een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten inzake na te melden beroepsprocedure.

1. Verzoek en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 12.696.150, waarvan een bedrag van ƒ 12.500.000 is belast naar het bijzondere tarief van 45 percent.

1.2. Deze aanslag is – na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar –bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een aanslag berekend naar genoemd belastbaar inkomen, doch waarvan het bedrag van ƒ 12.500.000 is belast naar het bijzondere tarief van 20 percent.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij het Hof. In zijn uitspraak van 15 maart 2005, nr. 02/01974, www.rechtspraak.nl [LJN: AT2691] en VN 2005/36.4, heeft het Hof het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd. Voorts heeft het Hof het onderzoek met betrekking tot het door belanghebbende gedane verzoek tot vergoeding van proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase heropend. De inhoud van ’s Hofs evenbedoelde uitspraak dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt.

1.4. Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door de griffier van het Hof, met betrekking tot het onderhavige verzoek op 24 maart 2005 een nader schriftelijk stuk ingediend bij het Hof. Hierop heeft de Inspecteur vervolgens schriftelijk gereageerd.

1.5. Partijen hebben erin toegestemd dat het Hof zonder (nadere) mondelinge behandeling uitspraak op het verzoek doet.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. Beoordeling van het verzoek

Schadevergoeding

2.1. Belanghebbende maakt op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht aanspraak op vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (de onderwerpelijke aanslag is gedagtekend 30 maart 2001; de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, Stb. 2002, 55 is in dezen mitsdien niet van toepassing).

2.2. Het Hof heeft in genoemde uitspraak van 15 maart 2005, nr. 02/01974 geoordeeld dat in dezen sprake is van onrechtmatig handelen jegens belanghebbende, welk onrechtmatig handelen aan de Inspecteur moet worden toegerekend.

2.1. Bij de beoordeling van belanghebbendes aanspraak op vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand ten bedrage van in totaal – naar hij stelt – € 47.452, stelt het Hof voorop dat redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar kan zijn – en kennelijk ook niet is – dat het inroepen van rechtsbijstand in het onderwerpelijke geval redelijk is. De aard van de problematiek – kort gezegd heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een op ƒ 12.500.000 becijferd voordeel uit hoofde van een grensoverschrijdende aandelenruil, op grond van het leerstuk van fraus legis als inkomsten uit vermogen bestempeld – noopte daartoe.

2.4. Voorts zij benadrukt dat, anders dan waarvan de Inspecteur uitgaat, de vergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht van schade die belanghebbende lijdt als gevolg van de onrechtmatig opgelegde aanslag uiteraard niet is beperkt tot kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt eerst nadat de bezwaarprocedure formeel een aanvang heeft genomen. Kosten die zijn gemaakt nadat het onrechtmatige besluit is genomen maar vóór dat het bezwaar formeel aanhangig is gemaakt, komen evenzeer voor vergoeding in aanmerking.

2.5. Anders dan de Inspecteur betoogt, bestaat voorts geen grond de schadevergoeding te beperken tot die kosten die betrekking hebben op de kwestie van – kort gezegd – fraus legis. Alle kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt met het oog op de bestrijding van de aanslag – die nadien door het Hof wegens overschrijding van de wettelijke aanslagtermijn is vernietigd – komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

2.6. Gelet op de aard van de problematiek die in de onderhavige zaak speelde en gelet op het uitvoerige (schriftelijke) debat van partijen in de bezwaarfase, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de fase van bezwaar aanzienlijke kosten van rechtsbijstand heeft moeten maken.

2.7. De door belanghebbende overgelegde urenspecificaties en nota’s bieden naar het oordeel van het Hof evenwel onvoldoende inzicht met betrekking tot de – door de Inspecteur in twijfel getrokken – vraag of het door belanghebbende geclaimde bedrag van € 47.452 volledig betrekking heeft op de bestrijding van de onrechtmatig opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996.

2.8. Nu belanghebbende zijn claim niet nader heeft onderbouwd dan met genoemde nota’s en (onvoldoende duidelijke) urenspecificaties, zal het Hof - gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur in dezen - belanghebbendes aanspraak op schadevergoeding niet volledig honoreren.

2.9. Het Hof acht - gelet op de aard van de problematiek, de omvang van de uit de gedingstukken blijkende door belanghebbendes belastingadviseurs verrichte werkzaamheden, de functies - en het daarmee samenhangende uurtarief - van die belastingadviseurs binnen het ingeschakelde belastingadvieskantoor – aannemelijk dat belanghebbende – in ieder geval – tot een bedrag van € 20.000 aan kosten van rechtsbijstand heeft moeten maken in, kort gezegd, de fase van bezwaar. Dit bedrag, waarvan de omvang naar het oordeel van het Hof voldoet aan de redelijkheidstoets, komt op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking.

2.10. Voor het overige deel van de claim zal belanghebbende zich – eventueel –tot de burgerlijke rechter dienen te wenden.

Proceskosten beroepsfase

2.11. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in de zogenoemde D-zaak (HvJ EG 5 juli 2005, nr. C-376/03, onder meer gepubliceerd in NTFR 2005/949, VN 2005/35.12) geen antwoord gegeven op de prejudiciële vraag van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch of, kort gezegd, de forfaitaire regeling inzake de vergoeding van proceskosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase in strijd is met het EG-recht. Ofschoon die vraag ook aan de orde is in de door dit Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof Arnhem 27 oktober 2004, nr. 00/00191, VN 2004/59.8; bij het HvJ EG bekend onder rolnummer C-471/04) voorgelegde zogenaamde Van Dijk-zaak heeft de Hoge Raad – zowel de Civiele kamer als de Belastingkamer - die vraag nochtans – in beginsel – ontkennend beantwoord (HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, NJ 2005/361, BNB 2005/239 en HR 7 oktober 2005, nr. 35.729, NTFR 2005/1329).

2.12. Nu belanghebbende geen “bijkomende omstandigheden” heeft aangevoerd als bedoeld in rechtsoverweging 2.4 van het zo-even genoemde arrest van 7 oktober 2005, zal het Hof de toe te kennen vergoeding berekenen met inachtneming van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht neergelegde normering. Hierbij zij nog opgemerkt dat, nu belanghebbende daartoe onvoldoende heeft aangevoerd, het Hof evenmin grond ziet op de voet van artikel 2, derde lid, van dit Besluit van die normering af te wijken.

2.1. In overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht berekent het Hof de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op een bedrag van € 1.932 (3 punten voor proceshandelingen x € 322 x 2 voor de wegingsfactor).

3. Beslissing

Het Gerechtshof:

- willigt het verzoek in;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade, vastgesteld op € 20.000;

- veroordeelt de Inspecteur in de in de beroepsfase gemaakte proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.932, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.

Aldus gedaan op 30 januari 2006 te Arnhem door de raadsheer mr. Den Ouden als voorzitter, de vice-president mr. Lamens en de raadsheer mr. Van Schie.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Dekker als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(S.R.M. Dekker) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.