Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AV1325

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
08-02-2006
Zaaknummer
04-01091
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baatbelasting.

Belanghebbende, eigenaar van drie onroerende zaken, is ten onrechte door de gemeente Barneveld in de heffing van baatbelasting betrokken nu op de peildatum nog geen sprake was van baat.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 222
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/296
FutD 2006-0299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 04/01091

U i t s p r a a k

op het beroep van X, wonende te Z, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van het hoofd Financiën van de gemeente Barneveld, hierna: de Ambtenaar, betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2004 drie aanslagen in de baatbelasting opgelegd, elk tot een beloop van € 2.722,68.

1.2. Deze aanslagen zijn, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Ambtenaar heeft het beroep bij verweerschrift bestreden. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. Op 20 oktober 2005 zijn bij het Hof van de zijde van de Ambtenaar binnengekomen afschriften van het bekostigingsbesluit van 27 april 2001, de bekendmaking daarvan en vier kopiëen van kaarten.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 november 2005. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde alsmede de Ambtenaar.

1.6. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.7. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota bijlagen overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De raad van de gemeente Barneveld heeft op 16 december 2003 vastgesteld de Verordening op de heffing en invordering van baatbelasting riolering omgeving Z (fase 4), (hierna: de Verordening). De Verordening behoort tot de gedingstukken. De Verordening is deugdelijk bekend gemaakt.

2.2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2004.

2.3. Bij de vaststelling van de Verordening is gelet op het bekostigingsbesluit riolering buitengebied fase 4 en Q van 17 april 2001.

2.4. Belanghebbende is als eigenaar van de drie onroerende zaken aan de a-straat 1, 1-1 en 1-2 te Z in de onderhavige heffing betrokken.

2.5. Deze onroerende zaken zijn gelegen in het gebied afgebeeld op de bij de Verordening behorende kaart (fase 4, deel 1).

2.6. In dit gebied is na de gebruikelijke voorbereidende werkzaamheden, zoals de voorlichting door de projectuitvoerder, het maken van studies, het ontwerpen van tekeningen, het opnemen van de percelen, op 1 september 2001 met de aanleg van de riolering in het onderhavige buitengebied begonnen.

2.7. Op 1 januari 2002 was bij de onderhavige onroerende zaken aan de a-straat 1, 1-1, 1-2 bovenbedoelde voorziening nog niet aangebracht. Voorts was in dit gedeelte van het onderhavige gebied op 1 januari 2002 ook nog geen sprake van feitelijke werkzaamheden die erop wezen dat op korte termijn de voorgenomen aanleg van riolering zou worden gerealiseerd. Eerst in april 2002 zijn de onderhavige onroerende zaken aangesloten op de nieuw aangebrachte riolering.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of:

a. de Ambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door:

– belanghebbende voor één aansluiting drie keer in de baatbelasting te betrekken, nu in de bebouwde kom meerdere eigenaren tegen een lager tarief van één aansluiting gebruik kunnen maken;

– in het buitengebied een deel van de kosten van de aanleg van de riolering om te slaan over de eigenaren van de in dat gebied gelegen onroerende zaken en in de woonkern in geval van nieuwbouw alleen een lager bedrag aan kosten van de desbetreffende aansluiting in rekening te brengen;

– het onderhavige gebied niet zoals andere gebieden in de gemeente Barneveld van riolering te hebben voorzien in de tijd dat riolering in gemeenten door de centrale overheid werd gesubsidieerd.

b. de Ambtenaar, gelet op artikel 2 van de Verordening, het opleggen van de onderhavige aanslagen achterwege had moeten laten, nu op de in dit artikel genoemde datum 1 januari 2002 bij belanghebbendes objecten nog geen riolering was aangebracht,

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen in de van hen afkomstige stukken zijn aangevoerd. Hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd, is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslagen. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet – hierna de Wet – luidt voor zover hier van belang:

“Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven (...).”

4.2. Ingevolge artikel 222, derde lid van de Wet dient de beoordeling of een bepaalde onroerende zaak gebaat is, plaats te vinden naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid (hierna: de peildatum).

4.3. De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van deze laatste bepaling laten toe dat de peildatum is gelegen vóór de datum van de algehele voltooiing van de voorzieningen. In zijn uitspraak van 8 augustus 2003, nr. 36 778, BNB 2003/341 c* overwoog de Hoge Raad in dat verband:

“Ook in een dergelijk geval zal de beoordeling of de onroerende zaak is gebaat, evenwel moeten plaatsvinden naar de omstandigheden op de peildatum (vgl. HR 24 juli 2001, nr. 35 981, BNB 2001/328 rechts-over-weging 3.3.2.); daarbij is – gelijk het Hof heeft geoordeeld – de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de herinrichting niet van belang, nu de peildatum slechts het moment is waarnaar moet worden beoordeeld of naar verwachting de herinrichting ook met betrekking tot de

j-straat tot stand zal worden gebracht en of deze, na haar voltooiing, ertoe leidt dat belanghebbendes onroerende zaak gebaat zal zijn”.

4.4. In afwijking van artikel 220, eerste lid, van de Wet wordt in artikel 2, eerste lid, van de Verordening niet gesproken van “voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht” maar (slechts) van “voorziening(en) die tot stand zijn gebracht”. Naar de Ambtenaar ter zitting heeft verklaard is bewust voor deze redactie gekozen. Daaruit volgt naar het oordeel van het Hof dat, anders dan hiervoor onder 4.3 is overwogen, in dit geval de feitelijke stand van zaken op de in de Verordening genoemde datum van 1 januari 2002 met betrekking tot de daadwerkelijke uitvoering van de aanleg van de riolering ter plekke wel relevantie heeft voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige onroerende zaken zijn gebaat.

4.5. Ter zitting is komen vast te staan dat op de peildatum 1 januari 2002 bij belanghebbendes onroerende zaken nog geen riolering was aangebracht. Evenmin waren de desbetreffende werkzaamheden in de omgeving van belanghebbendes onroerende zaken zodanig gevorderd dat het aanbrengen van de riolering aldaar zo goed als gereed was. In tegendeel, in de omgeving van belanghebbendes onroerende zaken was nog geen enkele activiteit verricht die erop wees dat binnen afzienbare tijd aldaar riolering zou worden aangelegd.

4.6. De onder 4.5. vermelde omstandigheden leiden naar het oordeel van het Hof tot de conclusie dat op de peildatum 1 januari 2002 bij belanghebbendes onroerende zaken geen voorzieningen in de zin van de Verordening waren aangebracht. Gelet op het hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen moet naar het oordeel van het Hof de vraag of belanghebbendes onroerende zaken op de peildatum waren gebaat in de zin van de Verordening, ontkennend worden beantwoord. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

4.7. Aan de behandeling van belanghebbendes overige grieven komt het Hof dan niet toe.

5. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (1 +1 + 0.5) x € 322 x 1 (gewicht van de zaak) = € 805.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de aanslag;

- gelast dat de gemeente Barneveld aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 37;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 805 en wijst de gemeente Barneveld aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 12 januari 2006 te Arnhem door mr Röben, voorzitter, dr mr Van Amsterdam en prof dr mr Zwemmer, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 januari 2006

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij: de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.