Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AU9947

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
2004/295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil met verzekeringsmaatschappij over vergoeding schade als gevolg van bodemverontreiniging door lekkende brandstoftank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/1928
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 januari 2006

tweede civiele kamer

rolnummer 2004/295

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante sub 1]

en

[appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

procureur: mr. H. van Ravenhorst.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de rolbeschikking van 16 april 2003 en de vonnissen van 9 juli 2003 en 14 januari 2004 die de rechtbank te Zutphen tussen appellanten (hierna ook tezamen te noemen: [appellanten], dan wel afzonderlijk: [appellante sub 1] respectievelijk [appellant sub 2]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Achmea) als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 14 januari 2004 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 17 maart 2004 aangezegd van het vonnis van 14 januari 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Achmea voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij twee nieuwe producties in het geding gebracht en hebben zij conform de dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, onvoorwaardelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, alsnog:

a. zal verklaren voor recht:

- dat Achmea ter zake van het in het lichaam van de inleidende dagvaarding omschreven schadevoorval onvoldoende heeft gedaan om schade aan derden zoveel mogelijk te voorkomen, en meer in het bijzonder dat Achmea daarbij heeft nagelaten om die maatregelen te nemen die uitsluitend noodzakelijk waren om het (op of omstreeks 3 januari 2000 nog steeds aanwezige) onmiddellijk dreigend gevaar van schade buiten het terrein van [appellanten] af te wenden, een en ander op basis van de bereddingsplicht ex artikel 283 K;

- dat Achmea aldus toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [appellanten] en/of onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld en/of (nog steeds) niet jegens [appellanten] is gekweten op basis van de AVP;

- dat van [appellanten] niet kan worden gevergd dat zij (per 3 januari 2000) de nodige maatregelen nemen ter voorkoming van verdere schade aan naburige erven;

- dat de schade die nog aan de naburige erven is ontstaan of ingetreden na de door Achmea getroffen maatregelen, valt onder de dekking van de AVP;

b. Achmea zal veroordelen om het in het lichaam van de inleidende dagvaarding sub 12 omschreven aanvullend nader bodemonderzoek (alsnog) op haar kosten en in overleg met [appellanten] binnen vier weken na betekening van het te dezen te wijzen arrest door Oranjewoud te laten uitvoeren, alsmede om de daarbij door Oranjewoud te adviseren nadere saneringsmaatregelen op kosten van Achmea door of onder leiding van Oranjewoud en in samenspraak met [appellanten] te laten nemen, een en ander op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Achmea nalaat aan dit onderdeel van het te dezen te wijzen (het hof begrijpt:) arrest te voldoen;

een en ander met verwijzing van Achmea in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Achmea verweer gevoerd en heeft zij geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel deze aan hen zal ontzeggen, met bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, zonodig met verbetering van gronden en met veroordeling bij arrest uitvoerbaar bij voorraad van appellanten in de proceskosten van deze instantie.

2.4 Ter zitting van 11 januari 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. W.H.F.L. Rademakers, advocaat te Dongen, en Achmea door mr. C.R. van Breevoort, advocaat te Arnhem; beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 14 januari 2004 onder 2.1 tot en met 2.9 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding om het volgende. In 1998 heeft [appellante sub 1] met Achmea een verzekeringsovereenkomst gesloten. Het betrof een opstal- en aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren, waarbij [appellante sub 1] gold als verzekerde en [appellant sub 2] als medeverzekerde. De ingangsdatum van de verzekering was 1 mei 1998. Op de verzekeringsovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden Huiseigenaren- en Huurdersverzekering (h-970) en de Bijzondere voorwaarden aansprakelijkheid voor particulieren (h-974) van toepassing. [appellanten] hebben op of omstreeks 19 januari 1999 ontdekt dat de aan hen toebehorende bovengrondse huisbrandolietank bij hun woonhuis lekte (of had gelekt). Zij hebben dit schade-evenement op 20 januari 1999 telefonisch en op 26 januari 1999 schriftelijk bij Achmea gemeld. Achmea heeft vervolgens de schade-expert Van Riel Expertise B.V. (hierna: Van Riel) ingeschakeld. Van Riel heeft aan Search Milieu B.V. (hierna: Search) een onderzoeksopdracht verstrekt en heeft de eigenaren van de omliggende percelen uitgenodigd voor een bespreking op 22 januari 1999. [appellanten], alsmede een vertegenwoordiger van het Hoogheemraadschap en een vertegenwoordiger van de gemeente Dongen (als eigenaren van de omliggende percelen) waren bij deze bespreking aanwezig. Van Riel heeft een plan van aanpak “preventieve sanering” opgesteld. Nadat [appellanten] hebben laten weten met dit plan niet te kunnen instemmen wegens onvoldoende zekerheden over de gevolgschade is door Van Riel op 10 juni 1999 een herzien plan van aanpak aan hen toegestuurd. De sanering is vervolgens omstreeks juni/juli 1999 overeenkomstig dit plan van aanpak op kosten van Achmea uitgevoerd door P.G. Vissers en Zn B.V. (hierna: Vissers). Bij brieven van 5 oktober 1999 en 3 januari 2000 heeft Achmea aan [appellanten] laten weten dat zij niet bereid is verdere schade te vergoeden. In haar brief van 3 januari 2000 heeft Achmea zich op het standpunt gesteld dat zij (op basis van de bereddingsplicht als bedoeld in artikel 283 Wetboek van Koophandel (hierna: WvK)) alles heeft gedaan om schade aan derden zoveel mogelijk te voorkomen en dat de last om verdere schade aan naburige erven te voorkomen op [appellanten] rust. [appellanten] vorderen in dit geding (onder meer) een verklaring voor recht dat Achmea onvoldoende heeft gedaan om schade aan derden zoveel mogelijk te voorkomen, dat Achmea toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [appellanten], dat van [appellanten] niet kan worden gevergd dat zij de nodige maatregelen neemt ter voorkoming van verdere schade aan naburige erven en dat de schade die nog aan naburige erven is ontstaan of ingetreden is na de door Achmea getroffen maatregelen valt onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst. [appellanten] hebben daarnaast gevorderd dat Achmea zal worden veroordeeld tot het op haar kosten laten uitvoeren van nader bodemonderzoek en de eventueel noodzakelijke nadere saneringsmaatregelen. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen.

4.2 [appellanten] hebben zich met grief 1 allereerst op het standpunt gesteld dat partijen met artikel 5.1 van de toepasselijke bijzondere voorwaarden (h-974) hebben bedoeld af te wijken van de regeling van artikel 283 WvK. Achmea heeft het voorgaande betwist en heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 9 (h-970) en artikel 5.1 (h-974) van de polisvoorwaarden de verplichting tot schadebeperking van artikel 283 WvK nader invullen, in die zin dat de verzekeraar zich kan belasten met de regeling en vaststelling van de schade in zijn algemeenheid. Artikel 283 WvK ziet - volgens Achmea - meer specifiek op het voorkomen of beperken van schade voor het ontstaan waarvan een onmiddellijk dreigend gevaar aanwezig is.

4.3 Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten], gelet op de gemotiveerde betwisting door Achmea, geen feiten en omstandigheden en ook geen overtuigende argumenten aangevoerd waaruit volgt dat partijen met artikel 5.1 van de toepasselijke bijzondere voorwaarden hebben bedoeld af te wijken van artikel 283 WvK, dan wel dat zij de polisvoorwaarden in de door hen verdedigde zin hebben mogen begrijpen. Grief 1 faalt op dit punt.

4.4 [appellanten] richten zich met grief 1 voorts tegen het oordeel van de rechtbank dat -gelet op de tussen Achmea en [appellanten] bestaande rechtsverhouding - geen sprake kan zijn van zaakwaarneming. Volgens [appellanten] is er in dit geval sprake van een situatie waarin Achmea bewust en op een redelijke grond de belangen van hen behartigt, terwijl de bevoegdheid tot deze belangenbehartiging noch krachtens rechtshandeling, noch krachtens een elders in de wet geregelde rechtsverhouding bestaat. Het hof kan [appellanten] niet volgen in dit betoog. Achmea ontleent haar bevoegdheid schade aan derden te voorkomen of te verminderen, alsmede de schade te regelen, onder meer aan artikel 9 (h-970) en artikel 5.1 (h-974) van de polisvoorwaarden zodat de bevoegdheid van Achmea krachtens de in de verzekeringsovereenkomst geregelde rechtsverhouding bestaat, hetgeen betekent dat de artikelen 6:198 BW e.v. in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. Grief 1 faalt ook op dit punt.

4.5 Voor zover [appellanten] zich met grief 1 nog op het standpunt hebben gesteld dat Achmea bij de door haar genomen maatregelen de belangen van [appellanten] onvoldoende in het oog heeft gehouden, waartoe zij op grond van artikel 5.1 van de toepasselijke bijzondere voorwaarden wel verplicht was, zal dit standpunt hierna bij de bespreking van de grieven 2 tot en met 5 worden behandeld.

4.6 Het hof stelt voorop dat artikel 283 WvK, waar het gaat om aansprakelijkheidsverzekeringen als de onderhavige, in beginsel de verplichting oplegt aan de verzekerde om maatregelen te treffen ter voorkoming of vermindering van onmiddellijk dreigende schade. De strekking van dit artikel is enerzijds te voorkomen dat de verzekerde in geval van een evenement tegen de gevolgen waarvan hij verzekerd is, vertrouwend op het bestaan van die verzekering, de maatregelen tot beperking of voorkoming van die gevolgen achterwege laat, welke hij bij normale zorgvuldigheid zonder die verzekering zou hebben genomen en anderzijds aan de verzekerde de garantie te geven dat de kosten van zulke maatregelen, mits redelijkerwijs verantwoord, ten laste van de verzekeraar komen, ook al zouden de maatregelen uiteindelijk tevergeefs zijn geweest (HR 13 juni 1975, NJ 1975, 509). De door de verzekerde gemaakte kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien de maatregelen redelijk en doelmatig zijn geweest. Aangezien Achmea zich (op grond van artikel 5.1 van de bijzondere voorwaarden) heeft verplicht in plaats van [appellanten] maatregelen te nemen ter regeling en vaststelling van schade, dienden deze maatregelen ter afwending van het onmiddellijk dreigend gevaar voor schade aan derden in het onderhavige geval, naar het oordeel van het hof, eveneens ten minste redelijk en doelmatig te zijn. Hierbij diende Achmea op grond van de polisvoorwaarden de belangen van [appellanten] in het oog te houden.

4.7 De grieven 2 tot en met 5, alsmede een deel van grief 1, lenen zich voor gezamenlijke bespreking. [appellanten] handhaven met deze grieven hun standpunt dat de door Achmea getroffen maatregelen niet redelijk en doelmatig waren en dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. [appellanten] hebben onder meer aangevoerd dat Achmea bij het nemen van maatregelen ter afwending van het onmiddellijk dreigend gevaar voor schade aan derden de belangen van [appellanten] onvoldoende in het oog heeft gehouden. Volgens [appellanten] heeft Achmea er voor gekozen om het onmiddellijk dreigend gevaar van schade aan eigendommen van derden af te wenden door middel van een preventieve sanering en hadden [appellanten] daarom niet gevraagd. [appellanten] mochten volgens hen in een zodanig geval van Achmea verwachten dat zij geen half werk levert of laat leveren. Ook bij preventieve sanering had Achmea volgens [appellanten] de bepalingen van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) in acht moeten nemen en heeft Achmea niet in hun belang gehandeld door deze regelgeving niet in acht te nemen.

4.8 Het hof oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 5.1 van de bijzondere voorwaarden belast Achmea zich met de regeling en vaststelling van de schade, hetgeen met zich brengt dat de keuze hoe de schade wordt geregeld door Achmea wordt gemaakt. Deze bevoegdheid van Achmea de schade naar eigen keuze te regelen wordt begrensd door de verplichting de belangen van de verzekerde in het oog te houden. Het hof stelt voorop dat de verplichting van Achmea (conform de wet en de polisvoorwaarden) om maatregelen te treffen ter voorkoming of vermindering van onmiddellijk dreigende schade aan derden, in beginsel - anders dan door [appellanten] is aangevoerd - niet meebrengt Achmea had moeten overgaan tot algehele sanering (waarbij aannemelijk moet worden geacht dat een deel van de kosten daarvan - voorzover niet samenhangend met het voorkomen van onmiddellijk dreigende schade aan derden - voor rekening van [appellanten] zouden zijn gekomen (vlg. HR 2 mei 1997, VR 1997, 188 en Gerechtshof ’s-Gravenhage, 30 januari 1990, SES 1991, 120)). Dit zou slechts anders kunnen zijn indien de belangen van [appellanten] hadden meegebracht dat Achmea in redelijkheid niet tot een andere keuze dan algehele sanering had kunnen komen. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat dit in het onderhavige geval aan de orde is. [appellanten] hebben daarbij met name hun standpunt dat zij door de keuze van Achmea voor preventieve- en niet algehele sanering voor hogere kosten met betrekking tot de nog noodzakelijke sanering zijn komen te staan onvoldoende onderbouwd. Het hof acht het voorgaande ook niet aannemelijk, nu met de preventieve sanering op kosten van Achmea ook een deel van de grond van [appellanten] onverplicht is gesaneerd. Voorts is het maar de vraag of in het onderhavige geval de keuze voor een algehele sanering wel had gepast binnen het kader dat snel maatregelen moesten worden genomen om schade voor derden te voorkomen nu een dergelijke algehele sanering, mede gelet op alle daarmee samenhangende formaliteiten mogelijk niet met de vereiste snelheid zou hebben kunnen worden geëffectueerd. Ook op dit punt hebben [appellanten] niets gesteld. Ook het verwijt van [appellanten] dat Achmea bij haar keuze in het onderhavige geval de belangen van [appellanten] onvoldoende in het oog heeft gehouden door te kiezen voor preventieve sanering en niet voor het aanleggen van een damwand, is naar het oordeel van het hof niet terecht. Hierbij acht het hof van belang dat door Achmea in het onderhavige geval vrijwel direct na de schademelding door [appellanten] een schade-expert is ingeschakeld en dat vervolgens naar aanleiding van het bodemonderzoek is gekozen voor de preventieve sanering. Deze - naar aanleiding van bodemonderzoek - gemaakte keuze voor preventieve sanering is naar het oordeel van het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, in strijd met de belangen van [appellanten] Ook op dit punt hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd waarom zij door de keuze van Achmea in een nadeliger positie zijn komen te verkeren.

4.9 Voorts kan in het midden blijven of Achmea bij de preventieve bodemsanering de

bepalingen van de Wbb in acht had behoren te nemen, alsmede of - indien de bepalingen van de Wbb in acht hadden moeten worden genomen - Achmea, [appellanten] of een derde de sanering had moeten melden bij de provincie, aangezien [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd in welk opzicht zij door het niet in acht nemen van de bepalingen van de Wbb in hun belangen zijn geschaad. Gesteld nog gebleken is dat het niet in acht nemen van de bepalingen van de Wbb bij de uitgevoerde preventieve sanering enige bestuursrechtelijke consequentie (artikel 95 lid 1 Wbb, juncto artikel 18.3-18.16 Wet Milieubeheer) heeft gehad. Daarnaast kan het hof - zonder nadere motivering - [appellanten] niet volgen in hun betoog dat indien de bepalingen van de Wbb op juiste wijze in acht waren genomen de omvang van de bodem- en grondwaterverontreiniging - anders dan nu het geval is geweest - in kaart zou zijn gebracht en deugdelijke maatregelen hadden kunnen worden genomen, aangezien de Wbb ruimte laat voor een gedeeltelijke sanering en in dat kader kan worden volstaan met het overleggen van een nader onderzoek van slechts het betrokken gedeelte (artikel 40 lid 1 sub a). Ook het standpunt van [appellanten] dat sanering met inachtneming van de bepalingen van de Wbb tot een verhoging van de bereddingskosten zou hebben geleid, welke kosten volgens [appellanten] onder de dekking van de polis zouden vallen, kan het hof - zonder nadere onderbouwing - niet volgen, nu uit de bepalingen van de Wbb niet zonder meer volgt dat in het onderhavige geval een uitgebreidere sanering had dienen plaats te vinden en daarmee hogere bereddingskosten zouden zijn gemaakt, noch dat in dat geval alle kosten van de sanering op grond van artikel 283 WvK voor rekening van Achmea hadden dienen te komen (vlg. nogmaals HR 2 mei 1997, VR 1997, 188 en Gerechtshof ’s-Gravenhage, 30 januari 1990, SES 1991, 120).

4.10 Met betrekking tot de doeltreffendheid van de wel genomen maatregelen hebben [appellanten] onder meer aangevoerd dat het plan van aanpak van Search inadequaat was, omdat daarin geen voorziening is getroffen voor de isolatie van de restverontreiniging en het plan verder geen maatregelen met betrekking tot grondwaterverontreiniging bevat. Nu de verontreiniging van het grondwater naar haar aard mobiel is, is het onmiddellijk dreigend gevaar voor schade aan (zaken van) derden - volgens [appellanten] - daardoor niet, dan wel onvoldoende weggenomen. Daarnaast is het verkennend en nader bodemonderzoek te beperkt geweest en is de verontreiniging daardoor onvoldoende in kaart gebracht. Ook heeft Vissers - volgens [appellanten] - niet conform het plan van aanpak gesaneerd. Vissers heeft minder werk verricht dan in het saneringsplan staat omschreven. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben [appellanten] een rapport van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud) in het geding gebracht. Achmea heeft gemotiveerd betwist dat de saneringsmaatregelen niet doeltreffend waren.

4.11 Het hof oordeelt als volgt. Voorop gesteld dient te worden dat het doel van de bereddingsmaatregelen van Achmea was om het onmiddellijk dreigend gevaar van verspreiding van de verontreiniging naar zaken van derden af te wenden, hetgeen ook aan [appellanten] is medegedeeld. Dat Achmea in het kader van deze bereddingsmaatregelen de verontreiniging onvoldoende in kaart heeft gebracht en dat zij nader onderzoek had moeten verrichten, is door [appellanten] onvoldoende gemotiveerd gesteld. Het door [appellanten] in het geding gebrachte onderzoek van Oranjewoud gaat kennelijk uit van algehele sanering en derhalve kan uit dit onderzoek onvoldoende worden afgeleid om conclusies te trekken omtrent de doeltreffendheid van de preventieve bereddingsmaatregelen van Achmea.

4.12 Dat het saneringsplan ten onrechte geen voorziening bevat voor de isolatie van de restverontreiniging en ten onrechte geen maatregelen bevat met betrekking tot de grondwaterverontreiniging, dan wel dat het saneringsplan niet volledig is uitgevoerd door Vissers (zo dit al aan Achmea kan worden tegengeworpen), is slechts relevant indien zou komen vast te staan dat de preventieve sanering niet het effect heeft gehad dat de onmiddellijke dreiging voor derden was weggenomen. Dat dit het geval is, is onvoldoende gesteld en/of gebleken. In dit kader is van belang dat [appellanten] niet hebben aangevoerd aansprakelijk te zijn gesteld door derden voor schade die is ontstaan na het treffen van de saneringsmaatregelen. Daarnaast speelt een rol dat [appellanten] weliswaar hebben aangevoerd dat na de sanering (in juni/juli 1999), rond november 1999, weer olie op de sloot stond, maar daarbij tevens hebben aangegeven dat zij dit destijds niet aan Achmea hebben gemeld, zodat Achmea op dit punt geen maatregelen heeft kunnen nemen. Tegen deze achtergrond moet de omstandigheid dat thans niet meer kan worden vastgesteld of (daadwerkelijk) wederom olie in de sloot is gekomen als gevolg van een tekortschieten bij de bereddingsmaatregelen (dan wel dat dit is toe te rekenen aan het stilzitten erna van [appellanten]), in redelijkheid voor rekening van [appellanten] blijven. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat Achmea onvoldoende heeft gedaan om onmiddellijk dreigend gevaar voor schade aan derden te voorkomen. De grieven 2 tot en met 5, alsmede het hierop betrekking hebbende deel van grief 1, falen derhalve.

4.13 [appellanten] richten zich met grief 6 tegen het oordeel van de rechtbank dat de gevolgen van nieuwe verontreiniging voor rekening van [appellanten] moeten blijven. Volgens [appellanten] werkt de verontreiniging die zij op 19 januari 1999 hebben ontdekt nog steeds door en waren zij niet gehouden maatregelen ter bestrijding van de verontreiniging te nemen, maar had Achmea maatregelen moeten treffen waardoor doorwerking achterwege zou blijven.

4.14 Het hof kan [appellanten] niet volgen in dit betoog. In het voorgaande is reeds overwogen dat Achmea slechts maatregelen diende te nemen ter afwending van onmiddellijk dreigend gevaar voor zaken van derden. Achmea was niet gehouden om het gevaar voor zaken van derden (in de verdere toekomst) geheel weg te nemen. Nadat het onmiddellijk dreigend gevaar was geweken, lag het op de weg van [appellanten] om nadere maatregelen te treffen om schade aan zaken van derden te voorkomen. Nu zij dit niet hebben gedaan, is het hof met de rechtbank van oordeel dat, indien na het treffen van de preventieve saneringsmaatregelen thans nog schade aan zaken van derden zou ontstaan (bijvoorbeeld door het stijgen van het verontreinigd grondwater), deze schade voor rekening van [appellanten] moet blijven en niet op grond van de onderhavige polisvoorwaarden voor rekening van Achmea dient te komen. Grief 6 faalt daarmee.

4.15 Met grief 7 richten [appellanten] zich nog tegen hun veroordeling in de proceskosten. Deze grief faalt. Naar het oordeel van het hof dienen [appellanten], als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten, zowel met betrekking tot de eerste aanleg als het hoger beroep.

4.16 De slotsom is dat alle grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 14 januari 2004;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea begroot op € 2.682,- voor salaris van de procureur en op € 288,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Poel, Frankena en Rinkes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2006.