Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:BD5234

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-11-2005
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
AVNr 9228
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

HB OvJ (toewijzend) verzoek ex 89 Sv: Verzoeker is bij de behandeling in raadkamer van de rechtbank niet verschenen, maar wel zijn raadsman. Zijn persoonsgegevens zijn ook daar niet bekend gemaakt. Nu verzoeker niet in openbare raadkamer van het hof is verschenen, heeft het hof niet door vergelijking met een foto in het proces-verbaal van de politie kunnen vaststellen dat verzoeker degene is die op 8 mei 2004 als [anonieme persoonsgegevens]’ is aangehouden. Nu verzoeker zijn persoongegevens niet bekend heeft gemaakt, moet hij in zijn verzoek niet ontvankelijk worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Avnr: 9228

Het gerechtshof Arnhem heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen de beschikking van de rechtbank Arnhem van 10 december 2004 waarbij

[anonieme persoonsgegevens],

domicilie kiezende te [plaats] aan [straat] ten kantore van zijn advocaat mr. [naam raadsman],

hierna te noemen verzoeker,

ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering en een schadevergoeding kreeg toegekend voor de tijd doorgebracht in verzekering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 30 mei 2005 en 14 september 2005 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker, mr [naam raadsman], advocaat te [plaats]. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, op beide zittingen niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van:

- het inleidende verzoekschrift met bijlagen;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoekschrift door de rechtbank van 26 november 2004;

- voormelde beschikking van de rechtbank van 10 december 2004;

- de akte rechtsmiddel van 21 december 2004, waarbij de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen voormelde beschikking;

- het appèlschriftuur van de officier van justitie, ingediend op 11 januari 2005 ter griffie van de rechtbank te Arnhem;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld en in zoverre ontvankelijk.

2. De officier van justitie is in hoger beroep gekomen omdat verzoeker ten onrechte ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek, nu hij dat anoniem heeft ingediend terwijl het verzoekschrift ook niet door hem is ondertekend. Subsidiair is de officier van justitie van mening dat het verzoek had moeten worden afgewezen omdat er geen gronden van billijkheid voor toewijzing zijn.

3. Verzoeker is op 8 mei 2004 als verdachte tezamen met een aantal andere verdachten ter zake van openlijke geweldpleging aangehouden. Verzoeker is op 8 mei 2004 in verzekering gesteld en op 10 mei 2004 in vrijheid gesteld. Verzoeker heeft de tijd in verzekering doorgebracht op het politiebureau. Tijdens het politieverhoor heeft verzoeker verklaard dat hij zijn personalia niet wil opgeven. Verzoeker is ter zake van voornoemde feiten niet verder vervolgd. Vervolgens heeft verzoeker op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering onder de naam [anonieme persoonsgegevens] schadevergoeding verzocht voor de tijd door hem in verzekering doorgebracht. Het verzoekschrift heeft hij ondertekend met een symbool.

4. Verzoeker is bij de behandeling in raadkamer van de rechtbank niet verschenen, maar wel zijn raadsman. Zijn persoonsgegevens zijn ook daar niet bekend gemaakt. Nu verzoeker niet in openbare raadkamer van het hof is verschenen, heeft het hof niet door vergelijking met een foto in het proces-verbaal van de politie kunnen vaststellen dat verzoeker degene is die op 8 mei 2004 als [anonieme persoonsgegevens] is aangehouden.

5. Een verdachte die zijn identiteit niet bekend wenst te maken, kan desalniettemin door het openbaar ministerie worden vervolgd voor het feit waarvan hij wordt verdacht. Hij kan daartoe anoniem worden gedagvaard. Als de identiteit niet alsnog bekend wordt, heeft dat tot gevolg dat het vonnis wordt gewezen ten laste van de anonieme verdachte. De Hoge Raad heeft geoordeeld (vgl. HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499, LJN AB0259, en HR 24 juni 2003, LJN AF8570) dat als ten laste van een verdachte een rechterlijk beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij naam is aangeduid, die verdachte geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan door bekendmaking van zijn persoonsgegevens.

6. Naar het oordeel van het hof geven de arresten van de Hoge Raad waarin dat oordeel is verwoord, niet alleen een regel voor het instellen van een rechtsmiddel door verdachte tegen een einduitspraak als bedoeld in artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering, maar hebben zij een bredere gelding. Het hof interpreteert deze arresten aldus dat als regel heeft te gelden dat een burger die in het kader van strafvordering gebruik maakt van een rechtsingang of een aan een einduitspraak gerelateerd rechtsmiddel, dat dient te doen onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens, op straffe van niet ontvankelijkheid. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een bijzondere reden die in dit geval tot afwijking van die regel zouden moeten leiden. Integendeel, nu verzoeker niet verder is vervolgd, vermag het hof niet in te zien welk rechtens relevant belang verzoeker nog kan hebben om in deze procedure zijn anonimiteit te bewaren.

Nu verzoeker zijn persoongegevens niet bekend heeft gemaakt, moet hij in zijn verzoek niet ontvankelijk worden verklaard.

7. Overigens merkt het hof op dat verzoeker, als het hof daaraan zou zijn toegekomen, door het handhaven van zijn anonimiteit een beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid zijn voor een vergoeding ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. Als gevolg van de anonimiteit kan de rechter immers niet beschikken over op juistheid controleerbare gegevens met betrekking tot de persoonlijke en financiële omstandigheden van verzoeker (vgl. Gerechtshof Arnhem 20 november 1981, NJ 1983, 155).

8. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de beschikking van de rechtbank en verklaart verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing waarvan beroep;

- verklaart verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, H.Y. Buyne en A.G. Coumans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.R. van Zwol, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 7 november 2005.