Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:BC7868

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
avnr 8778
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

591a Sv: De raadsman heeft verzoeker bijgestaan in de strafzaak en in een beroepszaak bij de Reclame Codecommissie en bij het College van Beroep. De strafzaak en de beroepszaak hebben tot 1 januari 2003 naast elkaar gelopen. De raadsman heeft beide zaken niet apart gedeclareerd en heeft ten behoeve van het onderhavige verzoek achteraf handmatig in de overgelegde declaraties aangegeven welke verrichtingen betrekking hebben op de beroepszaak. Gebleken is dat die handmatige correctie niet zonder fouten is gegaan. Het hof is van oordeel dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij zijn declaraties in strafzaken zodanig inricht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, een helder en inzichtelijk beeld geven van zijn verrichtingen als raadsman. Daarvan is bij de declaraties van raadsman over de periode tot 1 januari 2003 onvoldoende sprake. De declaraties kunnen dan ook geen deugdelijk basis bieden voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman. Het hof zal die kosten dan ook naar eigen inzicht op basis van redelijkheid en billijkheid schatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Pkn: 21-002188-02

Avnr: 8778

Het hof heeft gezien het op 21 oktober 2004 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van mr. [naam raadsman A], advocaat te [plaatsnaam], namens,

de besloten vennootschap [naam B.V.]

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen verzoeker,

vertegenwoordigd door

[naam vertegenwoordiger B.V.],

bedrijfsjurist,

strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 4 maart 2005 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr. [naam raadsman A], advocaat te [plaatsnaam] en mr. [naam raadsman B], advocaat te [plaatsnaam].

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.

OVERWEGINGEN

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 16 juni 2003 is verzoeker vrijgesproken van het hem telastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2. De advocaat-generaal heeft de vraag opgeworpen of verzoeker in zijn verzoek kan worden ontvangen, nu het cassatieberoep door de advocaat-generaal op 15 juli 2003 is ingetrokken en het verzoekschrift eerst op 20 oktober 2004, derhalve meer dan drie maanden na het einde van de zaak, ter griffie is ingekomen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend omdat onbestreden vaststaat dat de intrekking van het cassatieberoep niet overeenkomstig artikel 455 van het Wetboek van Strafvordering aan verzoeker is medegedeeld en verder niet, althans onvoldoende is betwist dat verzoeker eerst op 29 juli 2004 op de hoogte is geraakt van de intrekking. De termijn van drie maanden is dan ook pas vanaf die datum gaan lopen.

3.1. De strafzaak tegen verdachte, een besloten vennootschap, heeft betrekking gehad op de verdenking van overtreding van artikel 5 van het Reclamebesluit Geneesmiddelen, als overtreding strafbaar gesteld bij artikel 31 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. De strafzaak is in eerste aanleg op 1 mei 2002 behandeld door de kantonrechter te Arnhem en in hoger beroep op 16 juni 2003 door het hof. Verzoeker is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft van de uitspraak van het hof cassatieberoep ingesteld maar dit later weer ingetrokken. Verzoeker is in beide instanties bijgestaan door twee raadslieden, mr. [naam raadsman A] en mr. [naam raadsman B].

3.2. Verzoeker kan als ondernemer de over de declaraties van de raadslieden verschuldigde BTW in vooraftrek brengen, zodat deze voor verzoeker niet als kosten zijn aan te merken. Het hof zal dan ook uitgaan van de declaraties exclusief BTW.

3.3. Het verzoek heeft betrekking op de kosten die de beide raadslieden aan verzoeker in rekening hebben gebracht. De declaratie van de raadsman is echter niet bepalend voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman. Deze in artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman gedeclareerde tijd of het door hem gehanteerde uurtarief. Mede daarom ziet het hof aanleiding de kosten van de beide raadslieden apart te bespreken.

3.4. Mr. [naam raadsman A] heeft zich bezig gehouden met de formele aspecten van de strafzaak. Het hof heeft de door hem gedeclareerde kosten dan ook in dat licht bezien. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gaat om de vervolging ter zake van een overtreding, terwijl zowel de behandeling in eerste aanleg als de behandeling in hoger beroep op één terechtzitting heeft plaatsgehad. Het een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de gedeclareerde kosten bovenmatig geacht moeten worden. Voorts komt overeenkomstig het beleid van het hof de gedeclareerde reistijd slechts voor de helft voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal daarom de gevraagde kosten van de raadsman voor zover die mr. [naam raadsman A] betreffen matigen en gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak op gronden van billijkheid een bedrag toekennen van € 19.000,--.

3.5. Mr. [naam raadsman B] heeft zich in de strafzaak bezig gehouden met de materiele aspecten. Daarnaast heeft mr. [naam raadsman B] verzoeker in de kwestie die tot de strafzaak heeft geleid, bijgestaan in een procedure bij de Reclame Codecommissie en bij het College van Beroep, verder te noemen de beroepszaak. De strafzaak en de beroepszaak hebben tot 1 januari 2003 naast elkaar gelopen. Mr. [naam raadsman B] heeft beide zaken niet apart gedeclareerd. Ten behoeve van het onderhavige verzoek heeft hij achteraf handmatig in de overgelegde declaraties aangegeven welke verrichtingen betrekking hebben op de beroepszaak. Tijdens de behandeling in raadkamer is gebleken dat die handmatige correctie niet zonder fouten is gegaan. Mr. [naam raadsman B] heeft desgevraagd erkend dat een bepaalde verrichting ten onrechte niet aan de beroepszaak was toegerekend en, nadat hem was voorgehouden dat volgens zijn correcties in een bepaalde periode uitsluitend met zijn cliënt zou zijn gebeld in de beroepszaak en niet in de strafzaak, dat er toch enkele telefoongesprekken op de strafzaak betrekking moeten hebben gehad, zonder aan te (kunnen) geven welke dat zijn geweest. Ook andere verrichtingen in de declaraties over de periode voor 1 januari 2003 doen twijfel rijzen of zij terecht aan de strafzaak zijn toegerekend. Voorts wordt in de declaraties de tijd die met reizen gemoeid is geweest, niet apart gespecificeerd. Het hof is van oordeel dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij zijn declaraties in strafzaken zodanig inricht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, een helder en inzichtelijk beeld geven van zijn verrichtingen als raadsman. Daarvan is bij de declaraties van mr. [naam raadsman B] over de periode tot 1 januari 2003 onvoldoende sprake. Daarbij komt dat voor zover de door mr. [naam raadsman B] gedeclareerde kosten aan de strafzaak zijn toegerekend, deze gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak bovenmatig moeten worden geacht.

Naar het oordeel van het hof kunnen de declaraties van mr. [naam raadsman B] dan ook geen deugdelijk basis bieden voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman.

Het hof zal die kosten dan ook naar eigen inzicht met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak op basis van redelijkheid en billijkheid schatten. Dat leidt ertoe dat het hof als kosten van de raadsman voor zover die mr. [naam raadsman B] betreffen, zal toekennen een bedrag van € 17.000,--.

4. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

BESCHIKKENDE

Het hof:

- kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 36.540,= (zegge: zesendertigduizend vijfhonderdveertig euro) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- beveelt de griffier van het gerechtshof te Arnhem om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer [nummer] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden [naam].

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr Ruys, voorzitter, in tegenwoordigheid van Berendsen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2005.