Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AV3043

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
01-03-2006
Zaaknummer
TBS 184/05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is een verlengingsvordering die te laat, doch binnen een redelijke termijn, is ingediend, niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de TBS eist. Het hof oordeelt dat niet is gebleken of gesteld dat de vertraging van een dergelijke beperkte duur, in casu vier dagen, afbreuk heeft gedaan aan enig belang van de terbeschikkinggestelde en in casu is er tevens sprake van bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2005\184

Beslissing d.d. 23 december 2005

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 10 augustus 2005, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

[-] Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken.

[-] Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat de verlengingsvordering door de officier van justitie te laat is ingediend. Op grond van artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is een verlengingvordering, die later dan een maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Het hof heeft thans de vraag te beantwoorden of in casu van zulk een redelijke termijn en van zulke bijzondere omstandigheden is gebleken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende. Het hof oordeelt dat er in casu sprake is van een redelijke termijn als hierboven bedoeld nu de vertraging vier dagen bedroeg en niet is gebleken of gesteld dat die vertraging van deze beperkte duur afbreuk heeft gedaan aan enig belang van de terbeschikkinggestelde.

Het hof oordeelt dat er in casu tevens sprake is van bijzondere omstandigheden als hierboven bedoeld. Immers is het delictrisico nog onverminderd aanwezig en dit vormt -naast de overige gronden om de onderhavige terbeschikkingstelling te verlengen, als in het vervolg van deze beslissing te vermelden- een bijzondere omstandigheid die tot verlenging noopt.

[-] Uit het verlengingsadvies volgt dat betrokkene lijdende is aan een schizofrene stoornis en bekend is met fors middelengebruik. Positief is dat betrokkene de laatste maanden geen drugs meer heeft gebruikt. Minder gunstig is echter het uitblijven van behandelresultaten, wat resulteert in een onverminderd groot recidiverisico op de korte, middellange en lange termijn, indien betrokkene in een minder beveiligde setting zou verblijven. Op dit moment is de inschatting dat betrokkene nog lange tijd aangewezen zal zijn op behandeling.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar is geïndiceerd, daar de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 10 augustus 2005 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Verheugt als voorzitter,

mrs Vegter en Lauwaars als raadsheren,

en drs Boon en drs Van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2005.

Mr Lauwaars en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.