Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AV2424

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2006
Zaaknummer
21-004321-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004321-03

Uitspraak dd.: 23 februari 2005

ONTNEMINGSZAAK

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 2 juli 2003 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [woonplaats],

thans uit anderen hoofde verblijvende in HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 januari 2005 en 9 februari 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 23 februari 2005 (parketnummer 21-003279-03) terzake van onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot straf. Een door de griffier gewaarmerkt exemplaar van dit arrest wordt aan deze beslissing gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingelast.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen wegens het ontbreken van een causaal verband, nu de veroordeelde heeft verklaard dat hij geld heeft gekregen om zijn mond te houden.

Veroordeelde heeft op 24 augustus 2002 bij de politie verklaard dat hij na de moord € 4.000,- van [N.] (het hof begrijpt [N]) heeft gekregen. Uit de verklaring die de getuige [getuige] op 17 december 2004 ter terechtzitting van het hof in de strafzaak tegen veroordeelde heeft afgelegd, blijkt dat veroordeelde geld van [N] zou krijgen als hij een Hindoestaanse vrouw zou vermoorden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen het wederrechtelijke verkregen voordeel en het onder 1 bewezenverklaarde feit, zodat dit verweer wordt verworpen.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

De verplichting tot betaling aan de staat

Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Aldus gewezen door

mr Nunnikhoven, voorzitter,

mrs Koksma en Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Bouwman, griffier,

en op 23 februari 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.