Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AV1004

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
TBS 2005\189
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De problematiek spitst zich in de executiefase toe op de reïntegratie van vreemdelingen zonder verblijfsstatus in Nederland. Het hof heeft vooreerst de vraag te beantwoorden of thans nog sprake is van een dusdanige stoornis en delictgevaar dat verlenging van de dwangverpleging noodzakelijk is. Daarvan is in casu sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2005\189

Beslissing d.d. 23 december 2005

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde]

geboren te [plaats] op [datum]

verblijvende in [naam kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 18 augustus 2005, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

[-] Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken en mede op grond van hetgeen de getuige-deskundige heeft verklaard in raadkamer.

[-] Voor de beoordeling is het volgende meer in het algemeen van belang. De tenuitvoerlegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging van vreemdelingen zonder verblijfsstatus vormt in toenemende mate een probleem. In verband hiermee streeft het openbaar ministerie naar een beperking van de oplegging van de maatregel aan vreemdelingen. Zie in dit verband de Aanwijzing TBS bij vreemdelingen (Staatscourant 18 november 2005, nr. 225, pag. 12).

De problematiek spitst zich in de executiefase toe op de reïntegratie van vreemdelingen zonder verblijfsstatus in de Nederlandse samenleving. Gelet op die status wordt in de praktijk van de tenuitvoerlegging van de maatregel door de Minister van Justitie geen machtiging tot het verlenen van enige vorm van verlof verleend. Dit past kennelijk in het vigerende vreemdelingenbeleid. Verlof is in het algemeen een eerste noodzakelijke stap bij de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving. Verlof wordt in het bijzonder toegepast om op een verantwoorde wijze het delictgevaar te kunnen toetsen. Dit past in het vigerende beleid bij de toepassing van de terbeschikkingstelling. Uit het voorgaande vloeit voort dat het vreemdelingenbeleid en het beleid inzake de toepassing van de maatregel van terbeschikkingstelling haaks op elkaar staan.

Voor de rechter die een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling beoordeelt, geldt bij die beslissing een wettelijk toets: eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel[-] Aan te nemen valt dat met ‘anderen’ en ‘personen’ niet louter gedoeld wordt op personen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden. In het kader van de beoordeling van de verlengingsvordering ligt het weinig voor de hand dat de rechter de koers van het beleid ten aanzien van de terbeschikkinggestelde in volle omvang bepaalt. Dit klemt te meer nu de verlengingsrechter geen zeggenschap heeft over het verlenen van verlof en de keuze voor de rechter dus slechts zeer beperkt is. De oplossing van het geschetste dilemma ligt, staatsrechtelijk bezien, niet zozeer in handen van de rechter, maar in die van de administratie. De aangewezen weg is dat de officier van justitie die meent dat de vreemdeling uitgezet dient te worden, afziet van het indienen van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Overigens acht het hof het niet uitgesloten dat in geval het recidivegevaar nog niet geheel tot een aanvaardbaar niveau is gereduceerd, maar het gevaar wel in verregaande mate is gedempt een oplossing kan worden gevonden in opvangmogelijkheden in de vreemde staat waarnaar de vreemdeling wordt uitgezet. In een dergelijk geval dient een duidelijk perspectief van opvang in de vreemde staat te bestaan.

[-] Het verzoek tot aanhouding dient te worden afgewezen. In het onderhavige geval wordt het recidivegevaar op zowel korte als langere termijn als groot ingeschat. Dit betekent dat er voor een aanhouding ten behoeve van nader onderzoek naar de opvangmogelijkheden in Marokko geen aanleiding is.

[-] Het hof heeft vooreerst de vraag te beantwoorden of thans nog sprake is van een dusdanige stoornis en delictgevaar dat verlenging van de dwangverpleging noodzakelijk is. Op grond van de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het verlengingsadvies volgt dat betrokkene lijdende is aan een schizofrene stoornis van het paranoïde type. Er is geen sprake van ziekte-inzicht en het risico van toekomstig (seksueel) gewelddadig gedrag in de maatschappij wordt op zowel korte als langere termijn als groot geschat. Het risico van gewelddadig gedrag binnen de kliniek wordt matig tot groot ingeschat. De getuige-deskundige heeft in raadkamer verklaard dat betrokken hulp en begeleiding nodig heeft.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar is geïndiceerd, waarbij voor deze - deels reeds verstreken – termijn is gekozen opdat binnen afzienbare tijd de bevoegde autoriteiten het geschetste dilemma kunnen doorbreken.

Beslissing:

Het hof:

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 18 augustus 2005 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Aldus gedaan door

mr Verheugt als voorzitter,

mrs Vegter en Lauwaars als raadsheren,

en drs Boon en drs Van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2005.

Mr Lauwaars en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.