Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AV0985

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
VI 9-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot achterwege blijven van vervroegde invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VI-nummer: 9-05

Uitspraak: 14 december 2005

Gerechtshof te Arnhem

Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.

Het hof heeft te beslissen op de op 23 augustus 2005 ingekomen vordering van de officier van justitie te Amsterdam van 19 augustus 2005, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:

[veroordeelde]

geboren op [datum] in [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de [verblijfplaats].

Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 30 november 2005 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling toe te wijzen.

Overwegingen

De inhoud van de vordering en de (eerdere) behandeling ter terechtzitting

De vordering houdt in dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 8 augustus 2002 van de rechtbank te Amsterdam opgelegde gevangenisstraf van vier jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven (parketnummer 13/021040-01).

De vordering is eerder behandeld op de zitting van 9 november 2005. De raadsman heeft op deze zitting primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de vordering te laat is ingediend en dat het aan de vordering ten grondslag gelegde vonnis reeds geheel tenuitvoergelegd is. Betrokkene zou op 23 juni 2005 in een penitentiair programma voor een andere zaak lopen of gedetineerd zitten op basis van een vonnis van de politierechter van 10 mei 2001. Subsidiair heeft de raadsman verzocht afgeschermde informatie, welke betrekking heeft op het nieuwe strafbare feit aan het dossier toe te voegen.

Bij beschikking van 16 november 2005 heeft het hof het onderzoek heropend, aangezien het oordeelde dat de zich bij de stukken bevindende registratiekaart, houdende de detentiestatus van veroordeelde, op bepaalde punten nadere uitleg behoefde. De advocaat-generaal heeft door middel van een notitie een toelichting op de detentiekaart gegeven. Volgens deze notitie is de in de vordering genoemde VI-datum van 16 januari 2006 onjuist. De einddatum van de VI behoort 16 november 2005 te zijn, aangezien de op de detentiekaart vermelde periode van 16 november 2005 tot en met 16 november 2006 de tenuitvoerlegging van een Terwee-maatregel betreft. De advocaat-generaal stelt zich blijkens de notitie op het standpunt dat de vordering tijdig is ingediend. Verder wordt in de notitie melding gemaakt van het feit dat voor de berekening van de VI alle straffen bij elkaar worden opgeteld. Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen.

De raadsman heeft tijdens de voortzetting van de behandeling van de vordering zijn standpunt gehandhaafd dat primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden

verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op het feit dat de vordering uitgaat van de door de rechtbank Amsterdam op 8 augustus 2002 opgelegde gevangenisstraf van vier jaar met aftrek, de vordering te laat is ingediend. De voor dit vonnis geldende VI-datum was reeds geëxpireerd.

Ook in het geval alle vrijheidsbenemende straffen bij elkaar worden opgeteld, is de raadsman de mening toegedaan dat de op 19 augustus 2005 ingediende vordering te laat is ingediend. Hij heeft hiertoe een brief van het Centraal Justitieel Incasso Bureau, gedateerd 24 november 2005 overgelegd, waarin is aangegeven dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in het kader van de Terwee-maatregel op 10 oktober 2005 is aangevangen. De VI-datum bij optelling van alle vrijheidsbenemende straffen, waarbij de vrijheidsbenemende straf voor de ernstige misdraging niet wordt meegerekend, is volgens de raadsman 10 augustus 2005, waardoor de vordering te laat is ingediend.

Algemeen uitgangspunt

Artikel 15, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat, indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf geheel of gedeeltelijk heeft te ondergaan, deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend tenuitvoergelegd dienen te worden. In dat geval worden de tenuitvoer te leggen gedeelten, met uitzondering van de vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is.

Het vijfde lid strekt ertoe het recht op vervroegde invrijheidstelling mede toe te kennen in geval van een aaneensluitende vrijheidsbeneming uit hoofde van verschillende veroordelingen tot vrijheidsstraffen, ook indien een of meer daarvan, gelet op artikel 15, eerste lid onvoldoende langdurig zijn om toepassing van dat recht te wettigen.

De veroordelingen tot gevangenisstraf waarop de vordering is gebaseerd

De vordering is blijkens de gekozen bewoordingen gestoeld op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2002, waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar (= 1460 dagen). De advocaat-generaal heeft betoogd dat de vordering tevens moet geacht worden te zijn gestoeld op een tweetal andere veroordelingen, en wel een zich niet bij de stukken bevindend arrest van het Hof Den Haag, waarbij veroordeelde tot een gevangenisstraf van twee jaren (= 730 dagen) is veroordeeld. Een tegen dit arrest gericht beroep in cassatie is blijkens mededeling van de raadsman op 4 maart 2003 door de Hoge Raad verworpen. Voorts is de vordering naar het oordeel van de advocaat-generaal gestoeld op een zich niet bij de stukken bevindend vonnis van de politierechter van 10 mei 2001 houdende een veroordeling tot zeven weken (= 49 dagen) gevangenisstraf.

De tijdigheid van de vordering

Voor de beoordeling van de vraag of de vordering ontvankelijk is en in het bijzonder de vraag of de vordering tijdig is gedaan zal het hof uitgaan van de mededelingen van de advocaat-generaal die door de raadsman niet zijn betwist en die in hoofdlijn ook zijn terug te voeren op de detentiekaart.

Voldoende aannemelijk is dat op grond van deze veroordelingen in totaal 2239 dagen dienen te worden tenuitvoer gelegd. Veroordeelde zou op grond van artikel 15, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht na twee derde gedeelte vervroegd in vrijheid dienen worden gesteld, derhalve na 1493 dagen. Volgens de detentiekaart heeft de detentie van veroordeelde van 11 juli 2001 tot 23 juni 2005 geduurd. In totaal zijn derhalve1443 dagen geëxecuteerd. Het resterende gedeelte dat tenuitvoer gelegd dient te worden bedraagt 50 dagen.

Betrokkene is op 29 juli 2005 door de politierechter te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voor een nieuw strafbaar feit, zijnde overtreding van de Wet wapens en munitie op 23 juni 2005. De aantekening van het mondeling vonnis van 29 juli 2005 bevindt zich bij de stukken. In dit vonnis is bepaald dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de gevangenisstraf. Voor het nieuwe feit van 23 juni 2005 is blijkens de stukken inverzekeringstelling (vanaf 23 juni 2005) en voorlopige hechtenis bevolen. Voor de berekening van de periode waarover de VI wordt achterwege gelaten telt deze nieuwe veroordeling niet mee.

De vordering, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling is gedateerd 19 augustus 2005. Op grond van artikel 15a, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht dient de vordering uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip waarop de vervroegde invrijheidstelling zou moeten plaatsvinden, zijn ingediend. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid zich eerst nadien heeft voorgedaan. Gelet op het voorgaande is de vordering gedateerd op 19 augustus 2005 en ingekomen bij de griffie van het gerechtshof op 23 augustus 2005 tijdig gedaan. Er kan immers van uit worden gegaan dat de veroordeelde in ieder geval van 23 juni 2005 tot 14 dagen na 29 juli 2005 is gedetineerd in verband met overtreding van de Wet wapens en munitie. Op of omstreeks 12 augustus 2005 resteerden daarom in ieder geval nog 50 dagen van de drie eerder opgelegde straffen. De op 23 augustus 2005 ingekomen vordering is daarmee ingediend uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip waarop de vervroegde invrijheidstelling zou moeten plaatsvinden.

De vordering is derhalve tijdig ingediend.

De gronden van de vordering

Vervolgens zal het hof dienen na te gaan of de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling kan worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat in de onderhavige zaak conform artikel 15, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht de opgelegde vrijheidsstraffen aaneensluitend zijn tenuitvoergelegd.

Het hof stelt het volgende vast:

1. In de tussenbeslissing van 16 november 2005 heeft het hof de advocaat-generaal verzocht nader inlichtingen te verschaffen over het verloop van de detentie. De advocaat-generaal heeft in algemene termen en zonder overlegging van de onderliggende veroordelingen aan dit verzoek voldaan in de summiere notitie van 23

november 2005.

2. Bij de behandeling ter terechtzitting van 30 november 2005 heeft de voorzitter van het hof bij herhaling geconstateerd dat de onderliggende veroordelingen zich niet bij de stukken bevinden en de advocaat-generaal uitgenodigd zich hierover nader uit te laten.

3. Bij de stukken van het geding ontbreken de veroordelingen door de politierechter uit 2001 en het arrest van het hof Den Haag met onbekende datum.

Nu de vordering mede is gebaseerd op rechterlijke beslissingen die zich niet bij de stukken bevinden, daarop door de voorzitter bij herhaling ter terechtzitting is geattendeerd en de advocaat-generaal desondanks de overlegging van die rechterlijke beslissingen niet alsnog heeft aangeboden, terwijl de zaak ook is aangehouden in verband met een mogelijk gebrekkige grondslag van de vordering, zal het hof de vordering als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

Aangezien de vordering van de officier van justitie wordt afgewezen, behoeft het verzoek tot toevoeging van afgeschermde informatie aan het dossier geen bespreking.

Toegepaste wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het hof:

Wijst de vordering van de officier van justitie te Amsterdam af.

Aldus gewezen door:

mr P.C. Vegter, voorzitter

mrs J.W.P. Verheugt en M.M. van Ditzhuijzen, raadsheren

in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier

en op 14 december 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.