Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU9155

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
2004/908
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of Palladio erop aanspraak kan maken dat PGLM de aanduiding “Palladio” uit haar handelsnaam verwijdert. Met haar grieven bestrijdt Palladio het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij op die verwijdering geen aanspraak kan maken, omdat, kort weergegeven, tussen de ondernemingen van partijen, gelet op hun aard en plaats van vestiging, geen gevaar voor verwarring te duchten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2005

eerste civiele kamer

rolnummer 2004/908 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Palladio Groep B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Palladio Organisatieontwikkeling B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Palladio Interimmanagement B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Palladio Grafisch & Logistiek Management B.V.,

gevestigd te Enschede,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 1 september 2004, in kort geding gewezen tussen appellanten (hierna in enkelvoud: Palladio) als eiseressen en geïntimeerde (hierna: PGLM) als gedaagde. Dit vonnis is in kopie aan dit arrest gehecht.

2 Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1 Palladio is bij exploot van 28 september 2004 van bovengenoemd vonnis in hoger beroep gekomen, met dagvaarding van PGLM voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Palladio vier grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden, een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, PGLM zal gelasten het gebruik van haar handelsnaam te staken en gestaakt te houden, althans haar handelsnaam zodanig te wijzigen dat het kenmerkende bestanddeel “Palladio” daarin niet meer voorkomt, zulks binnen vijf dagen na (het hof leest:) dit arrest, en deze wijziging in het handelsregister zal laten doorvoeren, onder toezending aan Palladio van een kopie van het schriftelijke verzoek daartoe, alsmede van het uittreksel uit het handelsregister waaruit deze wijziging blijkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat PGLM nalatig blijft aan het voormelde gebod te voldoen, met veroordeling van PGLM in de proceskosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft PGLM verweer gevoerd, bewijs aangeboden, een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen en in stand zal laten en de vordering in hoger beroep van de zijde van Palladio niet zal toewijzen, doch zal afwijzen met veroordeling van PGLM in de kosten van (het hof leest:) het geding in hoger beroep.

2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De beoordeling in hoger beroep

3.1 De vraag die partijen verdeeld houdt, is of Palladio erop aanspraak kan maken dat PGLM de aanduiding “Palladio” uit haar handelsnaam verwijdert. Met haar grieven bestrijdt Palladio het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij op die verwijdering geen aanspraak kan maken, omdat, kort weergegeven, tussen de ondernemingen van partijen, gelet op hun aard en plaats van vestiging, geen gevaar voor verwarring te duchten is.

3.2 Palladio betwist niet dat voor het antwoord op de vraag of verwarringsgevaar zich voordoet, in overeenstemming met het in artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw) bepaalde de aard van de ondernemingen en hun plaats van vestiging bepalend zijn. Zij bestrijdt wel dat:

- de ondernemingen van partijen verschillend van aard zijn en hun werkzaamheden geen raakvlakken of overlappingen vertonen (grief I);

- het feit dat een van haar relaties een keer bij haar heeft geïnformeerd naar het bestaan van een band met PGLM, onvoldoende grond is om vast te stellen dat gevaar voor verwarring bestaat, waar het gaat om de vraag of een dergelijk gevaar te duchten is (grief II);

- onvoldoende raakvlakken bestaan die het normale publiek ertoe zouden kunnen brengen aan gelieerde ondernemingen te denken (grief II);

- de naam “Palladio” geen sterk onderscheidende en wervende kracht heeft, als dat voor aanspraak op bescherming als handelsnaam al vereist zou zijn (grief III);

- tussen de websites van partijen geen overeenstemming bestaat en het gebruik van de naam “La Rotonda” in combinatie met Palladio geen verwarring schept (grief IV).

Palladio stelt dat artikel 5 Hnw niet (te) strikt moet worden uitgelegd en dat aangenomen moet worden dat gevaar voor verwarring al te duchten is, als het normale, niet goed oplettende en onderscheidende publiek de indruk krijgt dat de ondernemingen gezien hun activiteiten en handelsnamen “iets met elkaar te maken hebben”. In de onderlinge verhouding tussen partijen gaat het om meer dan dat, nu Palladio zich bezighoudt met het adviseren van opdrachtgevers over het al of niet uitbesteden van drukwerk en PGLM zelf drukwerk verzorgt. Partijen richten zich dus op dezelfde doelgroep en zijn beide door het gehele land werkzaam. De omstandigheid dat Palladio ook andere activiteiten verricht, doet daaraan niet af, aldus Palladio.

PGLM voert tegen deze stellingen gemotiveerd verweer. Daarop zal het hof hieronder waar nodig ingaan.

3.3 Het hof stelt voorop dat voldoende is dat gevaar voor verwarring te duchten is. Verwarring hoeft dus niet te zijn gebleken. Voorts kan voldoende zijn dat het relevante publiek denkt dat de betrokken ondernemingen een band van juridische of economische aard hebben, terwijl een dergelijke band afwezig is. Anderzijds is een enkel incident niet doorslaggevend voor het aannemen van verwarringsgevaar. Niet vereist is dat de naam een (sterk) onderscheidend vermogen heeft. Wel kan de mate waarin de naam onderscheidend vermogen heeft, een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of verwarring te duchten is. Als “publiek” geldt het op normale wijze – dus niet goed – oplettend en onderscheidend publiek, maar dat is anders als de ondernemingen zich op een speciaal deskundig publiek richten. Doorslaggevend ten slotte is wat de ondernemingen feitelijk doen, niet (alleen) wat in hun statutaire doelomschrijving staat.

3.4 Tussen partijen staat vast dat zij niet dezelfde activiteiten verrichten. Van de vennootschappen die van Palladio deel uitmaken, richt Palladio Organisatieontwikkeling B.V. zich op het verstrekken van strategische adviezen en het begeleiden van bedrijven ter verbetering van hun bedrijfsvoering en houdt Palladio Interimmanagement B.V. zich bezig met management op interimbasis. PGLM heeft als hoofdtaak het verzorgen van drukwerk. De omstandigheid dat Palladio opdrachtgevers zou kunnen adviseren hun drukwerk uit te besteden, brengt niet mee dat daarmee ten aanzien van de aard van de ondernemingen van partijen gevaar voor verwarring is te duchten.

Verder hebben beide partijen vrijwel uitsluitend professionele opdrachtgevers in de vorm van grotere en kleinere bedrijven en bij Palladio ook overheidsinstellingen, zoals uit de door haar overgelegde brochure Facility management & inkoop blijkt. Dat betekent dat van het relevante publiek een groter onderscheidend vermogen mag worden verwacht dan van het op normale wijze – dus niet goed – oplettend en onderscheidend publiek. Ook als partijen in een enkel geval dezelfde opdrachtgever zouden hebben – maar dat is gesteld noch gebleken –, zal bij deze ten aanzien van de identiteit van zijn dienstverlener dan ook geen gevaar voor verwarring te duchten zijn. Hieraan doet niet af dat één klant van Palladio naar aanleiding van een wervingsbrief van PGLM bij Palladio naar het mogelijke verband tussen partijen zou hebben geïnformeerd, nu dit om een enkel en overigens niet nader toegelicht incident gaat.

De naam Palladio wordt door Nederlandse ondernemingen van zeer verschillende aard gebruikt, zowel als handelsnaam als in de vorm van een merknaam. Bij Palladio noch PGLM is deze naam in zoverre onderscheidend dat de daarmee beoogde verwijzing naar de Italiaanse architect uit de zestiende eeuw ook een associatie wekt met de door partijen geleverde diensten en producten. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de naam (Villa) Rotonda, die bovendien, naar algemeen bekend is, onlosmakelijk met Andrea Palladio is verbonden. Voorts bestaat tussen partijen in die zin verschil dat PGLM de Villa Rotonda in haar logo heeft opgenomen en dat Palladio Rotonda en Rotonda Mediation als handelsnamen gebruikt. Anders dan Palladio stelt, wordt het verwarringsgevaar door die verschillende vormen van gebruik eerder verkleind dan vergroot.

3.5 Bovenstaande omstandigheden leiden voorshands tot de conclusie dat ten aanzien van de aard van de ondernemingen van partijen geen gevaar voor verwarring te duchten is. Dit geldt ook met betrekking tot hun plaats van vestiging, nu de ondernemingen van beide partijen landelijk opereren en hun plaats van vestiging met betrekking tot het mogelijke verwarringsgevaar geen rol speelt.

3.6 Ten slotte stelt Palladio dat bij de beoordeling van de aanwezigheid van verwarringsgevaar in aanmerking moet worden genomen dat de website van PGLM grote gelijkenissen met die van haar vertoont, onder meer door de inrichting en het gebruik van enkele identieke zinnen. Deze stelling dient te worden verworpen, omdat de inrichting van beide websites zodanig voor de hand ligt en aansluit bij vele andere websites dat ook ten aanzien daarvan geen gevaar voor verwarring te duchten is.

3.7 Het bovenstaande brengt mee dat alle grieven van Palladio falen en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Palladio in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 1 september 2004;

veroordeelt Palladio in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PGLM begroot op € 894,- voor salaris procureur en € 288,- voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mannoury, Korthals Altes en Groefsema en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 december 2005.