Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU8078

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
21-003254-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van zes jaren stelselmatig seksueel misbruik heeft gemaakt van zijn dochters. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn fysieke en geestelijke overwicht en de zeer dominante positie die hij innam in het gezin. Veroordeling tot 6 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003254-05

Uitspraak d.d.: 14 december 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 14 juni 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 november 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Betrouwbaarheid van de aangeefsters

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu de verklaringen van de aangeefsters (verdachtes dochters) onjuistheden en tegenstrijdigheden bevatten, zodat de inhoud van deze verklaringen niet betrouwbaar is.

De drie aangeefsters hebben gedetailleerde verklaringen afgelegd. Zij hebben verklaard op welke tijdstippen en locaties zij door hun vader zijn misbruikt. Zo verklaren alledrie de slachtoffers dat zij in het ouderlijk huis seksueel zijn misbruikt door hun vader en verklaren [aangeefster 1] en [aangeefster 2] dat hun vader op de visplek te [plaatsnaam] seksuele handelingen met hen heeft gepleegd. De tijdstippen leveren referentiepunten op die ook in de verklaringen van anderen genoemd worden. De verklaringen van de aangeefsters worden soms ook ondersteund door de verklaringen van getuigen. Een zus van de aangeefsters, heeft verklaard dat zij eveneens door haar vader feitelijk is aangerand. De vrouw van de chef van [aangeefster 1], heeft verklaard dat [aangeester 1] meerdere keren heeft gebeld dat zij later op het werk zou komen na de lunch. [Aangeefster 1] heeft verklaard dat zij van haar vader haar baas moest bellen dat ze later op het werk zou komen omdat er een koe moest kalven, terwijl verdachte toen seks met haar heeft gehad.

Verdachte heeft zich, zoals tenlastegelegd, ten aanzien van drie van zijn dochters schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding en verkrachting. Uit de aangiftes blijkt dat verdachte telkens een zelfde werkwijze heeft gehanteerd. Hij heeft bij alledrie de aangeefsters de borsten en de vagina’s betast, hij heeft hen gevingerd en hij heeft bij twee aangeefsters zijn penis in hun vagina’s gebracht. Dit heeft plaatsgevonden op locaties in, rondom en in de buurt van de boerderij van verdachte. De bewezenverklaarde feiten hebben zich voorgedaan binnen een strakke gezinsstructuur waarin de verdachte een zeer overheersende rol heeft gespeeld.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters over en weer als steunbewijs kunnen worden gebezigd en acht de inhoud van deze verklaringen betrouwbaar.

Bewezenverklaring

Het hof is van oordeel dat de door verdachte en zijn raadsman bepleite argumenten voor vrijspraak worden weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdachte en zijn raadsman, afwijkende verklaringen te twijfelen.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair, 3 en 5 primair bewezenverklaarde:

telkens:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 primair, 4 primair en 6 primair bewezenverklaarde:

telkens:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof overweegt dat de rapportage omtrent de persoon van verdachte die op 20 mei 2005 door J.B. Seinen, psycholoog, en J.H. Scheffer, zenuwarts, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum, is opgemaakt, concludeert tot verminderde toerekenbaarheid.

Het hof neemt dat oordeel over en maakt het tot het zijne.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk geworden die aan verdachtes strafbaarheid in de weg zouden staan.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte gedurende een periode van zes jaren stelselmatig seksueel misbruik heeft gemaakt van zijn dochters [Aangeefster 1], [aangeefster 3] en [aangeefster 2]. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn fysieke en geestelijke overwicht en de zeer dominante positie die hij innam in het gezin. Zijn door aangeefsters als tiranniek ervaren overheersende gedrag maakte tegenspraak feitelijk onmogelijk. Hij heeft zich niet bekommerd om de gevolgen die zijn gedragingen voor de slachtoffers zouden kunnen hebben op psychologisch, sociaal, relationeel en seksueel gebied. De emotieloze wijze waarop verdachte ter terechtzitting in hoger beroep de drie slachtofferverklaringen van zijn dochters heeft aangehoord en de manier waarop hij hun verklaringen heeft afgewimpeld als zijnde leugens en komedie, hebben de slachtoffers extra gekwetst en tonen naar het oordeel van het hof in ernstige mate verdachtes gebrek aan empathie aan.

Omtrent de persoon van verdachte is op 20 mei 2005 een gedragsdeskundig rapport opgemaakt door J.B. Seinen, psycholoog, en J.H. Scheffer, zenuwarts, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum. Dit rapport houdt onder meer in als conclusie -zakelijk weergegeven-:

Betrokkene is een op zwakbegaafd niveau functionerende man, bij wie sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met zowel afhankelijke als vermijdende trekken. Betrokkenes pathologie -de combinatie van zwakbegaafdheid met vooral de afhankelijke persoonlijkheidspathologie- gaat gepaard met kenmerken als egocentrisme, een gebrekkig empathisch vermogen en instrumentaliteit in sociale relaties.

Aannemelijk is dat betrokkene tijdens de tenlastegelegde feiten in zijn keuzevrijheid werd beperkt door het met zijn zwakbegaafdheid samenhangende gemankeerde vermogen om afstand te nemen van zijn seksuele impulsen en kritisch evaluerend na te denken over de gevolgen ervan, zowel voor de ander als zichzelf. Dit gebrek aan vermogen om zich te verplaatsten in de ander is tevens passend bij betrokkenes afhankelijkheidspathologie. Anderen hebben binnen een dergelijke door afhankelijkheid gekleurde verhouding immers een vooral instrumentele functie, en wel in het bieden van bevrediging van de afhankelijkheidsbehoeften (bieden van geborgenheid, veiligheid en zorg binnen het gezin; het gevoel iemand te zijn, mee te tellen volgens de normen en waarden van de gemeenschap). In deze zin impliceert betrokkenes afhankelijkheidspathologie een instrumentele en daarmee egocentrische en ook relatief onpersoonlijke verhouding met anderen -zijn vrouw, zijn dochters. De beperkende invloed op betrokkenes vermogen tot empathie vanuit zowel de zwakbegaafdheid als de persoonlijkheidspathologie komt, aldus elkaar versterkend, hier samen.

Betrokkene is een man afkomstig uit een affectief en intellectueel beperkt, sterk religieus georiënteerd agrarisch milieu, die rigide en egocentrisch in het leven staat doch in wezen sterk, emotioneel, afhankelijk (gebleven) is in het bijzonder van zijn moeder. Diagnostisch is sprake van zwakbegaafdheid en voorts van ernstige persoonlijkheidsproblematiek, te weten een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken. De geschetste problematiek bestaat uit een rigide en beperkt normen- en waardenstelsel tegenover een primitief (gebleven) gevoels- en driftleven, dat door betrokkene evenwel goeddeels ontkend, beter gezegd, geloochend wordt. Enig zelfinzicht of probleembesef ontbreekt bij hem, een gegeven dat zeker ook met zijn beperkte denkniveau en geringe abstractievermogen samenhangt. De uitvoerige dynamische beschouwing van de psycholoog geheel onderschrijvend vermoed ik dat aan de beschreven problematiek teven ten grondslag ligt dat betrokkene door zijn beperkte vermogens een overbeschermende houding van zijn moeder -die ook thans nog aanwezig is en zich doet gelden- opriep, hij niet tot volwassen separatie van haar kwam en een zelfstandige ontwikkeling sterk achterbleef, waardoor betrokkene de facto emotioneel van zijn moeder afhankelijk gebleven is. Men kan hier spreken van een persisterend separatie-individuatieconflict. Betrokkenes autonomiestrevingen lijken te kunnen worden gesublimeerd in een vorm van competitie met zijn ouders: het verkrijgen van een groter gezien en een grotere veestapel. Het is evenwel duidelijk dat betrokkene zich ook, gegeven zijn zwakbegaafdheid, in een wereld die hij maar zeer ten dele ‘begrijpt’, in wezen onveilig voelt en eerder geneigd is zich daaruit terug te trekken dan die te betreden. Hierdoor is hij als het ware altijd in het zeer beperkte gezinssysteem en op de boerderij met de ‘beesten’ blijven ‘hangen’ en komen zowel de afhankelijke als de vermijdende trekken in zijn persoonlijkheid tot uitdrukking. De restricties uit het ouderlijk milieu, met inbegrip van moeders inperkende houding, de veelvuldige (lijf)straffen die betrokkene kreeg zullen eveneens hun sporen bij hem hebben achtergelaten, zij lijken verantwoordelijk te zijn voor betrokkenes koppigheid, zijn rigiditeit en egocentrisme en zijn dwingende wijze van zich tot de medemens verhouden, in het bijzonder tot zijn vrouw en kinderen. Betrokkene behandelt hen als het ware ook als ‘vee’ en dwingt zo, op tirannieke wijze, gehoorzaamheid af. Hij ‘klampt’ zich hierdoor ‘vast’ aan iets dat hem identiteit verschaft. Betrokkene ‘zet’ deze eigenschappen als het ware ook ‘in’ voor zijn psychologische afweer, waarvan het meest op de voorgrond staande mechanisme loochening is. Heeft betrokkene -mede daardoor- geen wezenlijk contact met zichzelf, ook tegenover zijn gesprekspartner komt betrokkene als ‘ondoordringbaar’ over en wekt zo ergernis op. Agressie, in een passief-agressieve vorm, is in het contact voelbaar.

Vanuit de hierboven beschreven, als ernstige persoonlijkheidsstoornis in combinatie met zwakbegaafdheid gediagnosticeerde problematiek, komt betrokkene tot de feiten. Daarin is het aannemelijk dat hij de met zijn problematiek samenhangende spanningen en frustraties afreageert in het ‘systeem’, op zijn partner en kinderen. Aanvankelijk lijken deze als lichamelijk ervaren spanningen in het seksueel contact met zijn partner te kunnen zijn afgereageerd, ‘naast’ het straffen en hard werken. Betrokkene is enerzijds sterk in een neiging opdrachten te geven en te straffen wanneer die niet worden uitgevoerd, blijven ‘hangen’, dit volledig gelegitimeerd -gerationaliseerd- door de ervaren noodzaak het bedrijf tot (grotere) bloei te brengen (dan dat van zijn ouders). Dat dit, gegeven zijn beperkte vermogens, in sterke mate conflictueus voor hem was en tot sterke spanningen aanleiding gaf, is iets waarvan betrokkene zich -‘uiteraard’, gegeven zijn beperkingen en zijn afweer- evenmin bewust is. Betrokkene lijkt zijn spanningen te seksualiseren, hetgeen zich als een verhoogde aandrift manifesteert. Aanwijzingen voor het bestaan van een perversie, als ‘motor’ van een verhoogde aandrift, ontbreken. Het is aannemelijk dat -indien de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard worden- de ‘beschikbaarheid’ van zijn dochters hem tot het overgaan van het plegen van seksuele handelingen met hen heeft gebracht. Zijn beperkte vermogen, zowel in intellectuele als in gevoels- en driftmatige zin, spelen daar eveneens, een verder beperkende rol in.

Op grond van het bovenstaande zijn de onderzoekers van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzocht ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens dat deze feiten -indien bewezen- hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusies van J.B. Seinen, psycholoog, en J.H. Scheffer, zenuwarts, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum, eveneens over en maakt die tot de zijne.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren geëist. De rechtbank te Zwolle heeft een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren opgelegd. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren gevorderd. Gelet op de ernst van de feiten, de houding van verdachte en het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren gerechtvaardigd is.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,00 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair en 6 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.034,97 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 9.141,48 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.641,48. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [aangeefster 2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij [aangeefster 2], te betalen een bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro).

Verklaart de benadeelde partij, [..], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd, [aangeefster 2] een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 150 (honderdvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [aangeefster 3] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [aangeefster 3] , te betalen een bedrag van € 4.034,97 (vierduizend vierendertig euro en zevenennegentig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [aangeefster 3] , een bedrag te betalen van € 4.034,97 (vierduizend vierendertig euro en zevenennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [aangeefster 1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [aangeefster 1] , te betalen een bedrag van € 7.641,48 (zevenduizend zeshonderdeenenveertig euro en achtenveertig cent).

Verklaart de benadeelde partij, [aangeefster 1] , in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [aangeefster 1] , een bedrag te betalen van € 7.641,48 (zevenduizend zeshonderdeenenveertig euro en achtenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 152 (honderdtweeënvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr mr D.J. Dee, voorzitter,

mrs mr A. Dik en mr H.G.W. Stikkelbroeck, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M.T. Bouwman, griffier,

en op 14 december 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.