Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU7350

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
2005/617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Op grond van de thans beschikbare informatie is naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Weliswaar geeft de inhoud van voormelde brief van 20 januari 2000 steun aan de stelling van [appellant] dat partijen met elkaar een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, maar gezien de gemotiveerde betwisting van ZGT van de stellingen van [appellant] in dat verband en het feit dat [appellant] de door ZGT opgestelde arbeidsovereenkomst niet heeft getekend, zou evenzeer kunnen worden geconcludeerd dat [appellant] het aanbod van ZGT niet heeft aanvaard of dat partijen (uiteindelijk) niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 november 2005

vijfde civiele kamer

rolnummer 2005/617

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], België,

appellant,

procureur: mr J.M. Bosnak,

tegen:

de stichting

Stichting Ziekenhuisgroep Twente,

gevestigd te Almelo,

geïntimeerde,

procureur: mr F.P. Lomans.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van de kantonrechter (rechtbank te Almelo, sector kanton, locatie Almelo) van 2 mei 2005, bij wijze van voorlopige voorziening gewezen tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: ZGT) als gedaagde. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 27 mei 2005 ZGT aangezegd van voormeld vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van ZGT voor dit hof.

2.2 Bij conclusie van eis in hoger beroep - overeenkomstig voormeld exploot - heeft [appellant] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zonodig onder ambtshalve aanvulling van gronden, ZGT zal veroordelen [appellant] ook na 1 mei 2005 toe te laten tot het werk en hem op de normale wijze zijn werkzaamheden te laten verrichten in ruil voor loon conform het daaromtrent in de arbeidsovereenkomst bepaalde, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat ZGT hiertoe in gebreke blijft na betekening aan ZGT van het in dezen te wijzen arrest alsmede ZGT zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord, tevens houdende akte overlegging productie, heeft ZGT de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad en zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens heeft [appellant] bij akte zijn eis gewijzigd dan wel vermeerderd en verzocht dat het petitum in voormelde dagvaarding voor zoveel nodig dient te worden gelezen dat mede is gevorderd dat het hof ZGT zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van het loon conform het daaromtrent in de arbeidsovereenkomst tussen partijen bepaalde vanaf 1 april 2005 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te verhogen met de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek tot het maximum van 50%, alsmede de wettelijke rente vanaf het moment dat het loon is verschuldigd.

2.5 Ter zitting van dit hof van 30 september 2005 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr E. Hooftman, advocaat te Almelo, en ZGT door mr Y.M. Nijhuis, advocaat te Enschede; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Voorts waren aanwezig [appellant] in persoon en namens ZGT [X.], arts en lid van de raad van bestuur, en [Y.], diensthoofd zorg.

2.6 Bij gelegenheid van het pleidooi hebben partijen over en weer verzocht een aantal producties in het geding te mogen brengen die deels niet overeenkomstig artikel 5.2 van het rolreglement voor het procederen in civiele zaken bij de hoven uiterlijk op de vierde werkdag voorafgaand aan de zitting aan de wederpartij en het hof zijn toegezonden. Gezien de omvang, de aard en de inhoud van die producties en gezien het feit dat partijen over en weer hebben ingestemd met het in het geding brengen van deze producties heeft het hof van de producties van beide zijden kennisgenomen.

2.7 Partijen hebben vervolgens de stukken aan het hof overgelegd, waarna het hof een datum voor het wijzen van arrest heeft bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 Bij brief van 20 januari 2000 schrijft ZGT aan [appellant]: “(...) U treedt per 1 april 2000 in dienst van Twenteborg Ziekenhuis als nucleair geneeskundige in een volledig dienstverband voor onbepaalde tijd. (...) De heer [Y.] zal de arbeidsovereenkomst met u afronden, zoals afgesproken voor 1 februari 2000.”

ZGT heeft een arbeidsovereenkomst opgesteld, deze ondertekend op 9 maart 2000 en aan [appellant] toegezonden. De arbeidsovereenkomst is niet door [appellant] ondertekend.

3.3 [appellant] is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. (verder te noemen: [A]). Op 3 augustus 2000 hebben ZGT en [A] een “overeenkomst ter beschikking stelling specialist” (verder te noemen: de specialistenovereenkomst) ondertekend, welke overeenkomst (met terugwerkende kracht) is aangegaan voor de tijd van vijf jaar (van 1 mei 2000 tot en met 30 april 2005).

3.4 Bij brief van 18 november 2004 heeft ZGT [appellant] te kennen gegeven dat zij de overeenkomst met [A] niet wenst te verlengen.

3.5 Bij beschikking van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) van 18 juli 2005 is de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog zou blijken te bestaan, met ingang van 1 augustus 2005 ontbonden (tenzij het verzoek uiterlijk 29 juni 2005 zou worden ingetrokken), waarbij aan [appellant] ten laste van ZGT een vergoeding naar billijkheid is toegekend van € 90.000,- bruto.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In eerste aanleg heeft [appellant] primair gevorderd dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening - ongeacht of het bestaan van de dienstbetrekking tussen partijen is gelegen in het bestaan van een arbeidsovereenkomst op feitelijke gronden of door het herleven van de tussen partijen met ingang van 1 april 2000 aangegane arbeidsovereenkomst na de afloop van de specialistenovereenkomst - ZGT zal veroordelen om (kort gezegd) [appellant] ook na 1 mei 2005 toe te laten tot het werk in ruil voor loon conform het daaromtrent in de arbeidsovereenkomst bepaalde, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat ZGT hiertoe in gebreke blijft, met veroordeling van ZGT in de kosten van de procedure.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4.2 Kern van het geschil betreft de vraag of (op enig moment) tussen partijen een arbeidsovereenkomst (al dan niet voor bepaalde tijd) tot stand is gekomen. De grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.3 [appellant] voert aan dat hij een arbeidsovereenkomst met ZGT is aangegaan en met ingang van 1 april 2000 in dienst is getreden voor onbepaalde tijd. De specialistenovereenkomst die [A] daarna heeft gesloten met ZGT betreft volgens [appellant] dezelfde werkzaamheden als waarvoor voormelde arbeidsovereenkomst is aangegaan en de vergoeding die [A] heeft ontvangen komt overeen met het loon dat [appellant] op grond van de arbeidsovereenkomst zou verdienen. [appellant] stelt dat door het afsluiten van de specialistenovereenkomst niet een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is volgens [appellant] blijven bestaan dan wel gaan herleven door het eindigen van de specialistenovereenkomst, zodat hij met ingang van 1 mei 2005 zijn werkzaamheden onveranderd zou moeten kunnen voortzetten tegen het overeengekomen salaris dan wel vergoeding.

ZGT heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist.

4.4 Het hof stelt voorop dat [appellant] voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, nu zijn vordering gebaseerd is op (het bestaan van) een arbeidsovereenkomst en hij sinds 1 mei 2005 geen inkomsten heeft.

4.5 Uitgangspunt in deze is, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, dat op basis van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, dient te worden beoordeeld of in een eventuele bodemprocedure de vorderingen van [appellant] een zodanige kans van slagen heeft dat het toewijzen daarvan bij wege van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.6 Op grond van de thans beschikbare informatie is naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Weliswaar geeft de inhoud van voormelde brief van 20 januari 2000 steun aan de stelling van [appellant] dat partijen met elkaar een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, maar gezien de gemotiveerde betwisting van ZGT van de stellingen van [appellant] in dat verband en het feit dat [appellant] de door ZGT opgestelde arbeidsovereenkomst niet heeft getekend, zou evenzeer kunnen worden geconcludeerd dat [appellant] het aanbod van ZGT niet heeft aanvaard of dat partijen (uiteindelijk) niet tot overeenstemming zijn gekomen.

[appellant] heeft bij gelegenheid van pleidooi nog aangevoerd dat door de verklaring (afgelegd tijdens het op 19 september 2005 gehouden voorlopig getuigenverhoor) van [Z.], destijds directeur van ZGT, en het feit dat [Z.] ter zake beslissingsbevoegd was (zodat volgens [appellant] geen tegenbewijs mogelijk is), vast is komen te staan dat partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Het hof kan [appellant] hierin niet volgen, nu het beginsel van hoor en wederhoor zich tegen het aanvaarden van een dergelijke conclusie op dit moment verzet en niet valt uit te sluiten dat van de zijde van ZGT getuigen worden voorgedragen die een ander licht op de zaak doen werpen.

4.7 Naar het voorlopig oordeel van het hof ligt het ook niet voor de hand en is vooralsnog ook niet aannemelijk dat tegelijkertijd een arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en ZGT én een specialistenovereenkomst tussen [A] (met [appellant] als enig aandeelhouder en bestuurder) en ZGT heeft bestaan, waarbij de arbeidsovereenkomst tot na de duur van de specialistenovereenkomst een sluimerend bestaan zou leiden. Van het bestaan van nadere bepalingen of voorwaarden voor een dergelijke constructie is vooralsnog niet gebleken. Gelet op de hiervoor onder 2 vastgestelde feiten acht het hof het voorshands veel meer aannemelijk dat de specialistenovereenkomst in plaats van een arbeidsovereenkomst is gesloten. Daarbij acht het hof met name van belang dat de specialistenovereenkomst op initiatief van [appellant] tot stand is gekomen om, zoals [appellant] zelf heeft gesteld, de inhouding van loonbelasting en werknemerspremies alsmede de gebondenheid aan diverse regels waaraan artsen met een dienstverband zich dienden te houden te ontlopen en een hoger netto salaris te verkrijgen.

4.8 Voor een nadere (bewijs-)instructie leent deze procedure in kort geding zich niet, zoals ook de kantonrechter met juistheid heeft geoordeeld.

4.9 Nu de grieven falen (grief 5 mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking), dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) van 2 mei 2005;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ZGT begroot op € 2.682,- voor salaris van de procureur en op € 244,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs Katz-Soeterboek, Groefsema en Van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2005.