Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2005:AU7347

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
2004/511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maar gedurende de periode dat op voormelde wijze haring in het filiaal wordt verkocht en aldaar wordt genuttigd, dient van de zijde van Albert Heijn overeenkomstig artikel 7:658 lid 1 BW extra oplettendheid te worden betracht op het schoonhouden van die vloerdelen en dient daartoe extra toezicht te worden uitgeoefend. Dit dient op gelijke wijze te geschieden als op de groenteafdeling. Op grond hiervan is Albert Heijn naar het oordeel van het hof in beginsel krachtens artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de aan [geïntimeerde] toegebrachte schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2006, 104
JA 2006/14
JAR 2006/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 november 2005

vijfde civiele kamer

rolnummer 2004/511

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Albert Heijn B.V.,

gevestigd te Zaandam,

appellante,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr H. van Ravenhorst.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1. Bij arrest van 16 november 2004 heeft het hof Albert Heijn in de gelegenheid gesteld tot het leveren van bewijs dat [geïntimeerde] op 27 mei 1994 niet over uisnippers of visresten is uitgegleden en niet daardoor is komen te vallen.

1.2 Daartoe heeft Albert Heijn drie getuigen doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zichzelf doen horen. Daarna heeft ieder van de partijen een memorie na enquête en contra-enquête genomen. Vervolgens hebben partijen hun zaak op 14 oktober 2005 doen bepleiten, [geïntimeerde] door mr H. Mollema-De Jong, advocaat te Amersfoort en Albert Heijn door

mr M. Eijkelenboom, advocaat te Rotterdam.

1.3 Nadien hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De nadere beoordeling van het geschil

2.1 Het hof handhaaft hetgeen bij arrest van 16 november 2004 is overwogen.

De van de zijde van Albert Heijn voorgebrachte getuige [getuige 1] heeft op 26 januari 2005 verklaard dat de vloer waarop [geïntimeerde] op 27 mei 1994 is gevallen, toen schoon was en dat hij op deze vloer toen geen ui- of visresten heeft aangetroffen. Op 4 november 1994 heeft deze getuige onder meer tegenover de kantonrechter verklaard na de val [geïntimeerde] te hebben gekeken of er iets op de grond lag en dat dat niet het geval was. Hij heeft toen evenwel ook verklaard niet te hebben geweten hoe schoon de grond rond de haringkraam was. Op grond van de inhoud van deze verklaringen valt niet uit te sluiten dat [geïntimeerde] niettemin over uisnippers of visresten is gevallen.

2.2 Albert Heijn heeft op 8 december 1998 mevrouw [getuige 2] doen horen. Zij heeft onder meer verklaard na de val [geïntimeerde] niet te hebben gecontroleerd of de vloer in de buurt van de val van [geïntimeerde] schoon was. Voorts heeft zij toen verklaard dat het kon voorkomen dat er achter de kraam wel wat troep op de grond lag, maar dat het de opdracht was de grond aan de voorkant van de haringkraam goed schoon te houden en dat het haar ervaring was dat daaraan goed de hand werd gehouden. Ook deze verklaring sluit niet uit dat [geïntimeerde] over uisnippers of visresten is gevallen.

2.3 Voorts heeft Albert Heijn op 23 maart 2005 mevrouw [getuige 3] en mevrouw [getuige 4] doen horen. Uit hetgeen zij hebben verklaard volgt niet dat [geïntimeerde] niet over uisnippers of visresten is gevallen.

2.4 Voorts heeft [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in contra-enquête als getuige verklaringen afgelegd. Op 8 december 1998 heeft zij onder meer verklaard na haar val onder haar schoenen te hebben gekeken. Eerst zag zij niets, maar toen zij beter keek zag zij dat zij wat onder haar schoen had en dat dit ui was. Toen zij weer was opgestaan zag zij in haar directe omgeving nog snippers ui liggen. Op 23 maart 2005 heeft zij onder meer verklaard dat zij op 27 mei 1994 in het desbetreffende filiaal is gevallen en dat zij toen onder haar linkerschoen uisnippers heeft gezien.

2.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is Albert Heijn niet in het haar opgedragen bewijs geslaagd. Aldus dient er in rechte van te worden uitgegaan dat [geïntimeerde] op 27 mei 1994 in het Albert Heijnfiliaal [...] over uisnippers of visresten is uitgegleden en daardoor is komen te vallen.

2.6 Naar het oordeel van het hof brengt haringverkoop vanuit de kraam in het supermarktfiliaal, waarbij aan het winkelend publiek de mogelijkheid wordt geboden de aldus gekochte haring - al dan niet met bijgeleverde uisnippers - direct in de supermarkt op te eten, het risico mee dat de vloer sneller vervuild raakt dan anders. In dat geval ontstaat een verhoogd gevaar voor het op de grond raken van uisnippers en visresten op de vloer rond de haringkraam en de route die het publiek na de koop bij de kraam in het filiaal aflegt. Daarmee neemt het gevaar van uitglijden op die vloerdelen toe. Die vloerdelen zijn in zoverre vergelijkbaar met de vloer van de hierna te noemen groenteafdeling; op die afdeling schuilt immers ten opzichte van de rest van het filiaal ook een groter gevaar dat de vloer - met groenteresten -wordt vervuild, waardoor het gevaar op uitglijden groter wordt.

2.7 Albert Heijn is weliswaar niet gehouden deze vloerdelen gedurende de tijd dat het filiaal is geopend voortdurend en zonder enige onderbreking absoluut brandschoon te houden. Maar gedurende de periode dat op voormelde wijze haring in het filiaal wordt verkocht en aldaar wordt genuttigd, dient van de zijde van Albert Heijn overeenkomstig artikel 7:658 lid 1 BW extra oplettendheid te worden betracht op het schoonhouden van die vloerdelen en dient daartoe extra toezicht te worden uitgeoefend. Dit dient op gelijke wijze te geschieden als op de groenteafdeling. Op grond hiervan is Albert Heijn naar het oordeel van het hof in beginsel krachtens artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de aan [geïntimeerde] toegebrachte schade. Dit is slechts anders indien Albert Heijn aantoont dat zij (a) dergelijke maatregelen (wel) heeft getroffen en daarmee de in artikel 7:658 lid 1 vermelde verplichtingen is nagekomen dan wel (b) dat nakoming van deze zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of (c) dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde]. Dat sprake is van een van de onder (b) of (c) bedoelde gevallen is niet door Albert Heijn gesteld. Deze behoeven dan ook geen nadere bespreking.

2.8 In verband met (a) verdient opmerking dat Albert Heijn naar voren heeft gebracht dat zij ‘haar werknemers - ook tijdelijke krachten waar [geïntimeerde] ook toebehoorde - deugdelijk instrueerde om de vloer van de desbetreffende afdeling schoon te houden. Ook degene die achter de haringkraam stond, was derhalve geïnstrueerd de vloer van zijn “afdeling” schoon te houden. Voorts heeft Albert Heijn erop gewezen dat zij toezag op naleving van de desbetreffende instructie door het hele filiaal heen. Dit betekent derhalve dat ook werd toegezien op de naleving van de instructie aan de bediener van de haringkraam’ (memorie van grieven onder 9).

Voor zover relevant vervolgt Albert Heijn dit betoog als volgt:

‘Het valt op zich niet direct in te zien waarom frequentere controle van de vloer van de haringkraam geïndiceerd zou zijn - er kunnen immers op allerlei afdelingen dingen (kapot) vallen, terwijl de vloer van de groentenafdeling uiteraard bekend is voor wat de noodzaak van het schoonhouden er van - en in zoverre betwist Albert Heijn dan ook dat frequentere controle aldaar nodig zou zijn. Daarenboven kan uit de stelling van Albert Heijn dat werd toegezien op de naleving van de instructies niet worden afgeleid - hetgeen de kantonrechter wel heeft gedaan - dat toezicht per afdeling niet zou verschillen. Met andere woorden: Albert Heijn heeft weliswaar niet gesteld dat zij frequenter toezicht hield op de naleving van de instructie rond de haringkraam, doch de kantonrechter heeft daar ten onrechte uit afgeleid dat elke afdeling gelijkelijk in de gaten gehouden werd. Hiervóór is reeds gewezen op de groente-afdeling, waar de kans op vervuiling hoger is, en welke afdeling in principe ook beter in de gaten gehouden wordt. De controle is dusdanig ingericht dat de totale winkelvloer zo schoon mogelijk wordt gehouden’ (onderstreping door hof).

2.9 Aldus heeft Albert Heijn de vloer rond de haringkraam en de route die het publiek na de koop bij de kraam in het filiaal aflegt klaarblijkelijk slechts overeenkomstig de (algemene) schoonhoudinstructie voor de totale winkelvloer schoongehouden, derhalve zonder extra oplettendheid en zonder extra toezicht op de naleving daarvan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is dit onvoldoende. Daarmee is Albert Heijn aansprakelijk voor de door [geïntimeerde] geleden schade. De grieven falen, zodat het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Lelystad van 3 maart 1999 dient te worden bekrachtigd. Albert Heijn zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Lelystad van 3 maart 1999;

veroordeelt Albert Heijn in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op € 3.453,- voor salaris procureur, € 45,38 voor griffierecht en € 70,40 voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Wefers Bettink en Groefsema en op de openbare terechtzitting van 22 november 2005 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.